Naar hoofdinhoud

2.2.1 Commerciële classificatie

In de bouwindustrie (aannemers, bouwheren, ontwerpers, leveranciers, …) hanteert men dagelijks zogenaamde commerciële classificaties met een sterk vereenvoudigde benadering om het gebruik ervan vlotter te laten verlopen. De hiernavolgende commerciële classificatie heeft dus niets te maken met de verschillende wetenschappelijke classificaties, ontwikkeld door geologen, waarvan de meest gebruikte in België voorgesteld worden in de § 2.2.2 en § 2.2.3. De commerciële benamingen en de verspreide commerciële classificaties geven echter vaak aanleiding tot foutieve aanduidingen, waarbij de gegeven naam niets te maken heeft met de geologische aard of de herkomst van de steen.

Derhalve leunt de hierna voorgestelde commerciële classificatie, die opgesteld werd in samenwerking met het TC 'Steen en Marmer', sterk aan bij de wetenschappelijke classificaties om naamsverwarringen zoveel mogelijk te vermijden. Ze is gebaseerd op de drie voorgenoemde grote steensoorten en is als volgt ingedeeld :

  • stollingsgesteenten :
    • graniet
    • basalt
  • afzettingsgesteenten :
    • siliciclastische + kwartsrijke gesteenten
    • carbonaathoudende gesteenten :
      • zandige kalksteen
      • marmerachtige kalksteen
      • niet-marmerachtige kalksteen
    • leisteen, schalie, schist
  • metamorfe gesteenten :
    • leisteen, schalie, schist
    • gneis
    • marmer.

Deze classificatie doet dienst als zoekmotor in de databank van natuursteen, waar men de technische fiches kan raadplegen. Deze fiches bevatten de referentienaam, de commerciële benaming evenals de macroscopische en microscopische beschrijving (petrografie) van het gesteente.

2.2.1.1 Magmatische gesteenten

In deze commerciële classificatie duidt de term 'graniet' alle plutonische gesteenten aan die grote kristallen vertonen die makkelijk met het blote oog herkenbaar zijn (fanerokristallijne textuur). De term 'basalt' doelt op vulkanische gesteenten waarvan de kristallen meestal niet met het blote oog onderscheiden kunnen worden (afanitische textuur). De term graniet is hier dus beperkter dan in de oude classificaties (TV 205), aangezien de metamorfe gesteenten buiten beschouwing gelaten worden.

Magmatische gesteenten
GRANIET
1

2
BASALT
3

4

Tabel 1 Stollingsgesteenten : verschil in structuur tussen twee granieten (1. Blanco Perla en 2. Rosa Porino) en twee basalten (3. Belfast Black en 4. Oriental Basalt). Elke steen wordt op dezelfde schaal getoond (grote zijde : 4,5 cm).

2.2.1.2 Sedimentaire gesteenten

De groep der sedimentaire gesteenten telt het grootste aantal categorieën. Deze weerspiegelen de diversiteit van de vormingswijze en de aard zelf van het materiaal, wat uiteraard leidt tot uiteenlopende mechanische karakteristieken en verschillende toepassingen.

De eerste categorie omvat zandsteen en silicaatrijke gesteenten. Deze steensoorten worden in de bouwsector in eerste instantie aangewend voor bestratingen en betegelingen van het wegennet en voor het oprichten van muren uit breukstenen. Het gaat hier vooral om stenen die ruw aanvoelen en waarvan de kleur vaak verschilt binnen eenzelfde levering.

De categorie der carbonaathoudende gesteenten omvat het grootste aantal stenen en is onderverdeeld in drie subgroepen :

  • zandige of detritische kalksteen die naast calciet nog een belangrijke fractie andere mineralen bevat zoals kwarts en/of glauconiet
  • marmerachtige kalksteen
  • niet-marmerachtige kalksteen.

Het verschil tussen de laatste twee subgroepen merkt men vooral bij het polijsten. Dit onderscheid is erg belangrijk vanuit een architecturaal standpunt, aangezien het toelaat te bepalen of een steen al dan niet polijstbaar is. In het algemeen zijn compacte, weinig poreuze gesteenten beter polijstbaar dan zogenaamde zachte (poreuze) gesteenten. Een marmerachtig gesteente heeft doorgaans een densiteit hoger dan 2.500 kg/m3. Het merendeel van de Franse witte steen behoort tot de niet-marmerachtige gesteenten.

Sedimentaire gesteenten
Zandsteen en silicaatrijke gesteenten
Zandsteen uit Bois d'Anthisnes (foto van P. Dethier).
Carbonaathoudende gesteenten Zandige kalksteen
Zandige kalksteen van Fontenoille (foto van PMW).
Marmerachtige en niet-marmerachtige kalksteen
Marmerachtige fossielhoudende kalksteen (Jura Gelb).
Leisteen, schalie, schist
Uitvoering in Mustang (Black Shale of Pitangui).

Tabel 2 Commerciële classificatie van de sedimentaire gesteenten.

De laatste categorie, die leisteen, schist en schalie bevat, overlapt de afzettingsgesteenten en de metamorfe gesteenten. Het is voor de meeste mensen immers heel moeilijk om de grens te trekken tussen zuiver sedimentaire schist en leisteen, d.i. schist die een min of meer belangrijke metamorfose onderging. Bovendien is de Franse woordenschat minder precies dan de Angelsaksische (en de Nederlandse), zodat het de Franse geologen soms ontbreekt aan geschikte termen om de gesteenten aan te duiden. Tabel 3 geeft een beknopt overzicht van de terminologie voor deze gesteenten in de drie talen met een schets van de structuur van elk gesteente.

Sedimentaire gesteenten Metamorfe gesteenten
Losse sedimenten Verharde sedimenten Zwakke metamorfose (diagenese) Sterkere metamorfose
Niet gelaagd Gelaagd Zonder splijting Met splijting Gemiddeld Zeer sterk
Klei
Argile
Clay
Kleisteen
Argilite
Claystone
Schalie
Argilite/shale
Shale
Argilliet
Argilite
Argillite
Leisteen
Schiste/Ardoise
Slate
Fylliet
Phyllade
Phyllite
Schist
Schiste
Schist
 
(*) De schema's werden ontleend aan M. Sintubin.

Tabel 3 Drietalige terminologie van schalie, leisteen, schist (*).

Deze gesteenten behoren tot de grote groep der 'mudrocks' (letterlijk 'moddergesteenten') die uitgevonden werd door Engelse geologen. Deze groep bevat alle siliciclastische afzettingen die hoofdzakelijk bestaan uit elementen ter grootte van silt (1/16 tot 1/256 mm of 0,062 tot 0,004 mm) of klei (< 1/256 mm of 0,004 mm).

Lundegard en Samuels (1980) gebruiken de term 'shale' om gecompacteerde klei aan te duiden die min of meer siltrijk is, en die een splijting volgens de gelaagdheid vertoont. Ze stelden vast dat men in België in de praktijk vaak de term 'schist' gebruikt om verharde gesteenten aan te duiden met een fijne granulometrie die een zekere schistositeit verkregen, d.w.z. een splijting tengevolge van een heroriëntatie van de mineralen onder invloed van tektonische druk (schieferige splijting). Volgens deze auteurs impliceren de termen 'leisteen' of 'fylliet' daarentegen een metamorfose waarbij de meeste mineralen herkristalliseerden en waarbij nieuwe soorten mineralen gevormd werden. Ze preciseren dat de mineralen die op deze manier ontstonden uitgestrekt liggen in de vlakken die loodrecht staan ten opzichte van de tektonische druk, en dat het gesteente zich evenwijdig met deze vlakken opbreekt in dunne glanzende schijven met een fijne kristaltextuur (druksplijting).

2.2.1.3 Metamorfe gesteenten

We hebben besloten in deze commerciële classificatie van de metamorfe gesteenten enkel de meest voorkomende categorieën te bespreken. Deze zijn verbonden met twee minerale faciës met tegengestelde texturen (gefolieerde en niet-gefolieerde gesteenten) en zijn makkelijk macroscopisch herkenbaar.

Metamorfe gesteenten
Niet-gefolieerd
marmer
Gefolieerd
Gneis Leisteen, schist en fylliet
Marmer
Carrarisch marmer
Gneis
Shivakasi Yellow
Leisteen, schist en fylliet
Schist van Herbeumont

Tabel 4 Commerciële classificatie van de metamorfe gesteenten.

Deze twee categorieën weerspiegelen eveneens de sterk verschillende oorspronkelijke chemische samenstelling en de ondergane metamorfose.

Het schema uit afbeelding 3 toont de meest voorkomende metamorfe gesteenten afhankelijk van hun graad van metamorfose.


Afb. 3 De meest voorkomende metamorfe gesteenten volgens hun graad van metamorfose.


Afb. 3 De meest voorkomende metamorfe gesteenten volgens hun graad van metamorfose.


De term marmer die hier gehanteerd wordt staat duidelijk in relatie met de oorsprong van de steen, het betreft een metamorf en carbonaathoudend gesteente.

Gneis is, net zoals graniet, samengesteld uit alkaliveldspaat, kwarts en mica (glimmer). De mineralen liggen in verschillende lagen, waardoor het gesteente een gestreept uitzicht heeft. Gneis is overwegend grijs, roze of roodachtig. Soms is het zelfs groenachtig. De talrijke mineralogische variëteiten worden bepaald door de aard van de zware mineralen (muscoviet, biotiet, amfibool, pyroxeen, granaat, enz.). De schikking van de mineralen en van de lagen bepaalt een nomenclatuur op basis van de textuur (ogengneis, granietachtig gneis, gelaagd gneis, enz.).

Samen met de andere metamorfe gesteenten wordt gneis aangetroffen in uitgestrekte gebieden, die ongeveer 15 à 20 % van het aardoppervlak uitmaken.