Naar hoofdinhoud
CoDyNi 2 In situ bepaling van reële energieprestaties van gebouwen met behulp van dynamische coheating proeven en niet-intrusieve metingen

Het doel van deze prenormatieve studie is een methode te ontwikkelen om de werkelijke thermische prestaties van een gebouw te karakteriseren. Momenteel worden deze prestaties berekend op basis van de eigenschappen van de bouwmaterialen.

Heb je vragen over dit onderzoeksproject?

Bel dan ons.

Contacteer ons

Nicolas Heijmans, Karel De Sloover, Jade Deltour

Stuur ons een e-mail

Er kunnen echter veel verschillen zijn tussen de berekening en de realiteit, zoals bepaalde veronderstellingen van de rekenmethode of de kwaliteit van de uitvoering, hetgeen kan leiden tot aanzienlijke verschillen tussen de berekende prestatie en de gemeten prestatie ter plaatse. Daarom worden er in situ proefmethodes ontwikkeld. Er bestaat reeds een methode voor het meten van de energieprestaties van gebouwschillen volgens de principes van een ‘klassieke co-heating’. Hierbij dient men het gebouw te verwarmen tot een constante temperatuur die minstens 10°C hoger ligt dan de buitentemperatuur. Het vereiste stationaire aspect van dit testprotocol impliceert dat het gebouw één à twee weken onbewoond moet zijn en liefst in de winterperiode. Vermits deze beperkingen de toepassing van de proef moeilijk maken, wordt ze niet veel toegepast.

Er bestaan momenteel enkele methodes voor het meten van de intrinsieke prestaties van gebouwen en gebouwschillen. Maar deze zijn ofwel niet erg nauwkeurig en dus weinig betrouwbaar, ofwel moeten er in situ metingen gebeuren onder strikte voorwaarden in combinatie met een complexe analyse van de gemeten gegevens.

In de praktijk zijn deze metingen dus niet eenvoudig. Daarom dient een grondig onderzoek zich op voor de ontwikkeling van betrouwbare en herhaalbare metingen die aangepast zijn aan de realiteit van de bouwsector, ongeacht de omstandigheden waarin de metingen gebeuren.

Het CoDyNi 2 project wil aldus een antwoord bieden op vragen als:

  • Kunnen de metingen gebeuren onder versoepelde voorwaarden? Is het bijvoorbeeld mogelijk om heel het jaar door metingen te doen in plaats van enkel in de winterperiodes?
  • Kan de meting gebeuren in grote of weinig geïsoleerde gebouwen?
  • Kan het expertiseniveau van de opmeters verlaagd worden? Kan er bijvoorbeeld overwogen worden om de complexe gegevensanalyse gedeeltelijk te automatiseren, zodat ze minder afhankelijk wordt van de gebruiker/opmeters?
  • Hoe deze metingen en analyses aanpassen wanneer er bewoners zijn?

Deze twee benaderingen (meting van het gebouw zonder en met bewoners) maken het voorwerp uit van deze studie, met het oog op hun normalisatie.

Op middellange termijn lijken de valorisatiemogelijkheden voor gebouwmetingen zonder bewoners erg groot: de bouwheer een kwaliteitsgarantie bezorgen, kwaliteitscontrole van het geleverde werk, gebruik van de resultaten als (gedeeltelijk) alternatief voor de EPB-rekenmethodes, …

Resultaten en publicaties

Publicaties:

  1. Het CoDyNi 2-project maakt deel uit van het Annex 71-project van de International Energy Agency, waardoor de resultaten van deze studie zowel nationaal als internationaal kunnen worden gebruikt.
  2. CSTC-Contact 2019/5, p8: De thermische prestaties van de gebouwschil meten? Weldra kan het!
  3. Workshop

In situ meting van de prestaties van de gebouwschil: ontdek de Heat Loss Coefficent".

De workshop had als doelstelling om:

  • De sector vertrouwd te maken met de co-heating technieken waarmee men de intrinsieke prestaties van de gebouwschil kan karakteriseren aan de hand van een in situ meting.
  • De reacties van de sector ten opzichte van deze meting te verzamelen. Deze methodes zullen immers enkel doeltreffend kunnen zijn indien ze volledig beantwoorden aan de verwachtingen van de bouwprofessionelen.

De voornaamste conclusies van de workshop:

  • De prijs (300 tot 1000 euro), de duurtijd (2 tot 15 dagen) en de onzekerheid (5% tot 10%) zijn essentiële punten voor de goedkeuring van de meting. De betrouwbaarheid van de klanten ten aanzien van deze proef zal o.a. verkregen worden aan de hand van een genormaliseerd proefprotocol.
  • Via een voorafgaande meting zal men de oorzaak van overconsumptie of ongemak beter in kaart kunnen brengen. In deze optiek zou het zelfs verstandig zijn om een meting te hebben waarmee tegelijk de prestaties van de gebouwschil en de systemen onderzocht kunnen worden.
  • De deelnemers, in het bijzonder de bouwheren, hebben oprechte belangstelling voor co-heating metingen, evenals voor het gebruik ervan bij renovatie of als alternatieven voor rekenmethodes (hiertoe is het noodzakelijk een manier te vinden om de meting te valoriseren ten opzichte van de berekeningen).
  • Een vrijwillige meting zou een toegevoegde waarde kunnen betekenen voor het werk van de aannemer, en het werk van alle belanghebbenden zelfs kunnen valoriseren.
  • Een ‘controlemeting’ is daarentegen momenteel niet generaliseerbaar. De methode staat nog niet op punt. Bovendien zal het moeilijk zijn om de verantwoordelijken voor een non-conformiteit op te sporen. In dat geval dringt een denkoefening over de juridische aspecten zich op. Bovendien is het van essentieel belang om tussentijdse controles te plannen, om te verzekeren dat het eindresultaat haalbaar is.
  • Verder is het ook cruciaal om feedback te verzamelen. Er zou dus een eerste meetcampagne gepland kunnen worden voor een representatief aantal gebouwen. De resultaten van deze campagne zouden gebruikt kunnen worden om de rekenmethoden te verbeteren en belangrijke aandachtspunten bij de uitvoering te identificeren.

Met de steun van

FOD Economie NBN

In samenwerking met

KU Leuven