Naar hoofdinhoud

Evaluatie van de binnenluchtkwaliteit

Wanneer de bewoners of de gebruikers van een gebouw gezondheidsklachten of ongemakken ondervinden (hoofdpijn, vermoeidheid, duizeligheid, misselijkheid, ademhalingsklachten, irritatie van ogen, neus of keel …) en er een vermoeden bestaat dat deze veroorzaakt worden door een verontreiniging van het binnenmilieu, is het een goed idee om de binnenluchtkwaliteit in het betrokken gebouw aan een nader onderzoek te onderwerpen.

De binnenluchtkwaliteit wordt gekarakteriseerd door een brede waaier aan chemische en biologische polluenten en fysische factoren. Deze factoren kunnen gekwantificeerd worden, waarna men de bekomen resultaten kan vergelijken met de (richt)waarden voor een veilige of aanvaardbare blootstelling uit de wet- en/of regelgeving.

Richtlijnen en normen met betrekking tot de binnenluchtkwaliteit

Binnenmilieubesluit

In Vlaanderen legt het binnenmilieubesluit een aantal richt- en interventiewaarden vast voor enkele biologische, fysische en chemische parameters die van toepassing zijn op de beoordeling van het binnenmilieu in woningen en publiek toegankelijke gebouwen.

Het binnenmilieubesluit beschrijft ook de opdracht en bevoegdheden van de medische milieudeskundigen (mmk’s) van de Vlaamse Logo’s (Lokaal Gezondheidsoverleg) op het gebied van:

  • voorlichting en informatieverstrekking rond het belang van een goede binnenluchtkwaliteit
  • het voeren van een onderzoek naar de potentiële gezondheidsrisico’s.
Overzicht Van De Richt En Interventiewaarden Uit Het Binnenmilieubesluit Van 13 Juli 2018

Regionale wooncodes

In de drie gewesten legt een regionale wooncode (Vlaamse wooncodeWaalse wooncode en Brusselse huisvestingscode) minimale kwaliteitsnormen op aan de hand van elementaire veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitsvereisten voor woningen. Een aantal van die voorschriften hebben betrekking op de binnenluchtkwaliteit. Het gaat voornamelijk om minimale verluchtingsvereisten en eisen met betrekking tot vochtschade en schimmelontwikkeling. Op basis van deze normen kunnen woningcontroleurs van de lokale of regionale overheid een conformiteitsonderzoek in een woning uitvoeren en eventueel de woning ongeschikt of onbewoonbaar verklaren.

Overzicht Minimale Vereisten Regionale Wooncodes

Regionale huurwetten

Als men een woning wil huren of verhuren, moet deze voldoen aan de vereisten uit de huurwet. Sinds de 6e staatshervorming zijn de regionale overheden bevoegd om de regelgeving voor woninghuur op te stellen:

Voor huurovereenkomsten die vóór deze data afgesloten werden, blijft de federale huurwet van kracht die de elementaire vereisten voor huurwoningen overneemt uit het Koninklijk Besluit van 8 juli 1997.

Naast de wooncodes voorzien ook de verschillende regionale huurdecreten een aantal minimale kwaliteitseisen op het vlak van veiligheid, gezondheid en woningkwaliteit, in het bijzonder met betrekking tot de binnenluchtkwaliteit. Op technisch vlak lijken deze normen zeer sterk op elkaar. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn ze zelfs identiek.

Energieprestatieregelgeving (EPB)

De Europese richtlijn 2010/31/EU verplicht alle lidstaten om een lokale regelgeving voor de energieprestaties van gebouwen (EPB) in te voeren die ook vereisten omvat voor de ventilatievoorzieningen en de binnenluchtkwaliteit. In België is elk van de gewesten verantwoordelijk voor de opstelling van een EPB-regelgeving. Deze regelgeving is van toepassing op alle gebouwen (behalve voor uitzonderingen die uitdrukkelijk in de regels opgenomen zijn) voor alle bouw- en verbouwingswerken waarvoor een stedenbouwkundige vergunning nodig is.

De normalisatie en regelgeving met betrekking tot de ventilatievoorzieningen worden in detail toegelicht op de pagina van de Normen-Antenne Energie en binnenklimaat.

De Codex welzijn op het werk.

Federale wetgeving

De luchtkwaliteit in arbeidsplaatsen

De binnenluchtkwaliteit in arbeidsplaatsen valt onder federale bevoegdheid. De Codex over het welzijn op het werk bevat een aantal uitvoeringsbesluiten die het welzijn van de werknemers tijdens de uitvoering van hun werk moeten garanderen. Deze Codex vervangt het vroegere Algemeen reglement voor de arbeidsbescherming (ARAB) en omvat een aantal passages met betrekking tot de binnenluchtkwaliteit in arbeidsplaatsen.

Overzicht Van De Titels Uit De Codex Over Het Welzijn Op Het Werk Met Betrekking Tot De Binnenluchtkwaliteit In Arbeidsplaatsen

Meten van de concentratie aan specifieke polluenten

Om de binnenluchtkwaliteit in een gebouw objectief te beoordelen, kan men het gehalte aan chemische en biologische polluenten en de waarde van fysische omgevingsfactoren in het binnenmilieu gaan meten.

Sommige polluenten (bv. CO2) kunnen direct gemeten worden, zodat een continue monitoring eveneens mogelijk is. Voor andere polluenten (bv. de verschillende vluchtige organische stoffen) dient er een luchtbemonstering en een analyse in het laboratorium te worden uitgevoerd. In het laatste geval kan men alleen discontinue metingen uitvoeren, waarbij de gemiddelde concentratie tijdens de bemonsteringsperiode bepaald kan worden.

Meten van de binnenluchtkwaliteit (analyse ozon en stikstofoxiden).

Aanbevolen meetmethoden

Voor het meten van de binnenluchtkwaliteit bestaat er, in tegenstelling tot voor de buitenluchtkwaliteit, geen Europees wettelijk kwaliteitskader waaraan de meetmethoden moeten voldoen. Het Vlaams Agentschap Zorg & Gezondheid heeft daarom een overzicht opgesteld met de aanbevolen meetmethoden voor de fysische, chemische en biologische factoren waarvoor het Binnenmilieubesluit richt- en interventiewaarden voorschrijft. Alle belangrijke binnenluchtpolluenten komen hierbij aanbod. Voor de meetmethoden wordt er verwezen naar de Europese en internationale proefnormen.

  • Aanbevolen meetmethoden voor chemische factoren
  • Aanbevolen meetmethoden voor fysische factoren
  • Aanbevolen meetmethoden voor elektrische en magnetische veldsterkte (ELF)
  • Aanbevolen meetmethoden voor biologische factoren

Sensoren

De aanbevolen meetmethoden maken veelal gebruik van hoogtechnologische toestellen en/of vereisen een analyse in het laboratorium. Vandaag zijn er echter ook meerdere eenvoudige sensoren, apparaten, en systemen op de markt die het voor iedereen mogelijk maken om aspecten van de luchtkwaliteit te meten. De prijs, de kwaliteit, de mogelijkheden en de beperkingen van deze toestellen zijn erg uiteenlopend. De resultaten van dergelijke toestellen dienen dan ook steeds met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd te worden.

Diensten voor diagnosestelling

Bij een vermoeden van gezondheidsrisico’s ten gevolge van een slechte binnenluchtkwaliteit of wanneer er reeds gezondheidsklachten opgetekend werden, kunnen de eigenaars of beheerders van het gebouw in kwestie zich richten tot een arts of lokale administratie (gemeentebestuur, OCMW, milieu-, gezondheids- of huisvestingsambtenaar, maatschappelijk werker).

Indien de arts of lokale administratie vermoedt dat de woning aanleiding geeft tot gezondheidsklachten, kan deze een beroep doen op de gespecialiseerde diensten van het betrokken gewest om meer informatie in te winnen of een gemotiveerd woningonderzoek aan te vragen.

Het gaat hier met name om:

Bemerk dat er eerst daadwerkelijk sprake moet van zijn een potentieel gezondheidsrisico alvorens er een onderzoek ingesteld kan worden. Individuele burgers of gebouwbeheerders (bv. een werkgever) kunnen zich in de regel niet rechtstreeks tot deze diensten wenden. Zij kunnen eventueel wel een beroep doen op private dienstverleners die actief zijn op het vlak van binnenluchtkwaliteit.