Ga naar de hoofdinhoud Ga naar de onderkant van de pagina
WTCB Home

Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf

21/07/2018

WTCB Home

Bouwdetail binnenmuur-doorvoering

Afdichting van doorvoeringen van brandbare leidingen in brandwerende massieve muren met brandwerende opbouwmanchetten

Referentie: 3036

Publicatiedatum:

3036_DET1_1.svg
Afb. 58 Afdichting van een doorvoering van een brandbare leiding in een brandwerende massieve muur met behulp van een brandwerende opbouwmanchet.
 
1. Massieve muur
2. Brandbare leiding
3. Uitsparing en speling rond de leiding
4. Afdichting rond de leiding
5. Bevestiging van de brandwerende manchetten
6. Brandwerende manchetten
7. Ophangconstructie van de leiding
1. Massieve muur
Het gaat hier om een massieve muur die ofwel in overeenstemming is met de gestandaardiseerde massieve muur, ofwel met een gelijkaardige massieve muur. Andere massieve muren zijn toegelaten, op voorwaarde dat het gebruik ervan toegestaan is door het proefverslag van de brandwerende voorziening die in de muur aangebracht wordt of door een gelijkaardig attest.
 
2. Brandbare leidingen
De karakteristieken van de brandbare leidingen moeten in overeenstemming zijn met het proefverslag. Zo moet in het proefverslag aangegeven worden uit welk materiaal de leidingen opgebouwd zijn (PVC, PE, PP ...) en wat hun minimale en maximale diameter is (gewoonlijk 25 tot 250 mm). Verder moet het proefverslag de nodige informatie bevatten met betrekking tot de minimale en maximale wanddikte van de leiding (gewoonlijk 1 tot 15 mm). Indien de leidingen een aanzienlijke wanddikte vertonen, zal het noodzakelijk zijn een brandwerende manchet met een groter drukopbouwend vermogen te gebruiken.
 
3. Uitsparing en speling
Het verschil tussen de diameter van de uitsparing en de diameter van de leiding moet vermeld worden in het proefverslag. In principe is de speling tussen de uitsparing en de leiding niet groter dan 40 mm. Indien door omstandigheden de leiding van zijn oorspronkelijke plaats zou afwijken, kan de speling variëren tussen 0 en 40 mm. Voor meer informatie hieromtrent dient men het proefverslag en de voorschriften van de fabrikant te raadplegen.
 
4. Afdichting
De afdichting van de ruimte tussen de leiding en de uitsparing in de massieve muur wordt gerealiseerd zoals aangegeven in het proefverslag (afdichten met mortel, dichtpleisteren, opstoppen met rotswol ...). De te voorziene afdichting is afhankelijk van de speling tussen de leiding en de uitsparing. Tenzij het proefverslag andere bepalingen bevat (bv. speling kleiner dan x mm), moet deze ruimte in principe altijd afgedicht worden.
 
5. Bevestiging van de brandwerende voorziening
Tijdens de brand moet de opbouwmanchet op zijn plaats blijven. De bevestigingsmiddelen die gebruikt worden voor de montage van opbouwmanchetten moeten in overeenstemming zijn met het proefverslag. Dit impliceert gewoonlijk dat ze bestand moeten zijn tegen hoge temperaturen en dat ze bij brand niet mogen smelten. Daarom worden ze bij voorkeur uitgevoerd in staal (bv. schroeven, doorgaande draadstangen ...). Kunststof pluggen kunnen enkel toegelaten worden indien ze opgenomen zijn in een classificatierapport en/of proefverslag.
 
6. Plaatsing van de brandwerende voorziening
Een opbouwmanchet moet altijd aan de rechtstreeks verhitte zijde(n) van de massieve muur geplaatst worden. Tenzij het tegendeel bewezen werd, wordt er uitgegaan van de veronderstelling dat de brand kan aangrijpen aan beide zijden van de muur. In principe zou er dus aan de twee zijden van de massieve muur een brandwerende manchet voorzien moeten worden. Indien er slechts één enkele manchet gebruikt wordt, die geplaatst wordt aan de niet rechtstreeks verhitte zijde van de muur, zal deze minder snel opwarmen dan de leiding aan de vuurzijde. Hierdoor zou deze laatste kunnen beginnen smelten voordat de manchet in werking treedt, zodat er een opening ontstaat waarlangs een eventuele branddoorslag kan optreden. Indien één manchet voldoende zou zijn, moet dit door het proefverslag bevestigd worden. Vandaar dat er een eerste proef uitgevoerd wordt waarbij de manchet zich aan de vuurzijde bevindt en een tweede proef waarbij de manchet geïnstalleerd wordt aan de zijde die niet rechtstreeks blootgesteld wordt aan de brand. Voor het toepassingsgebied van deze proeven (leidingdiameter, muurtype, minimale en maximale wanddikte ...) dient men het proefverslag en de voorschriften van de fabrikant te raadplegen.
Tenzij het proefverslag andere bepalingen bevat, wordt de brandwerende manchet niet afgewerkt met een cement- of pleisterlaag.
De brandwerende manchet wordt rond de leiding aangebracht en moet goed aansluiten op de diameter van de leiding (de exacte speling staat vermeld in het proefverslag).
 
7. Ophangconstructie van de leidingen
De leidingen dienen ondersteund en bevestigd te worden volgens de regels van goed vakmanschap. De ophangingen moeten bovendien zo dicht mogelijk bij de massieve muur gelegen zijn (in principe op een maximale afstand van 500 mm - zie proefverslag).
Opmerking: de plaatsingsvoorschriften voor opbouwmanchetten gelden eveneens voor manchetten op rol.
3036_JPG1_1.jpg
Afb. 59 Plaatsing van een opbouwmanchet.

Gerelateerde publicaties

  1. Diensten
  2. Normalisatie
  3. NA Bouwdetails
  4. Databank bouwdetails