Ga naar de hoofdinhoud Ga naar de onderkant van de pagina
WTCB Home

Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf

20/06/2018

WTCB Home

EPB - Centrale verwarmingsketels (met water)

Verschenen : februari 2011

Bij de E of Ew (1)-peilberekening wordt onder andere het energieverbruik voor de verwarming van gebouwen (woon- en utiliteitsgebouwen) bepaald. Behalve het afgiftesysteem, het opslagsysteem, het verdeelsysteem en de regeling (zie Infofiche 48.2), speelt bij de bepaling van het energieverbruik ook het rendement van het warmteopwekkingssysteem een belangrijke rol. Deze Infofiche beschrijft de parameters die een invloed hebben op het rendement van de warmteopwekker (verwarmingsketel) en geeft verder een aantal aanbevelingen voor de ontwerper en de aannemer om dit rendement te verbeteren. Voor decentrale verwarming worden deze aspecten behandeld in de Infofiche 48.5.

(1) Om het document niet onnodig te belasten, spreken we verder eenvoudig over E-peil.

EPB-regelgeving
De rol van de ontwerper en de uitvoerende aannemer
Aanbevelingen
Opmerking

1. EPB-regelgeving

In een verwarmingsketel wordt water, door verbranding van een brandstof, opgewarmd tot een hoge temperatuur. Hierbij treden verliezen op door een onvolledige verbranding van de brandstof, door de warmte die door geleiding verloren gaat via de ketelmantel en door de warmte die via de hete rookgassen ontsnapt langs de schoorsteen. Deze verliezen, die kenmerkend zijn voor elke verwarmingsketel, worden via een test bepaald en uitgedrukt door het deellastrendement van de ketel.

In het kader van de EPB-regelgeving wordt aan het deellastrendement geen specifieke minimale eis gekoppeld. Deze heeft echter wel een belangrijke invloed op het berekende E-peil. Er wordt eveneens gebruikt gemaakt van een meer globaal opwekkingsrendement dat de verhouding geeft tussen de warmtelevering aan het systeem voor warmteverdeling en de energie nodig om deze warmte te genereren.

Het opwekkingsrendement wordt bepaald aan de hand van een aantal invoergegevens. Hierbij wordt er een onderscheid gemaakt tussen niet-condenserende ('standaard' en 'lage-temperatuur') ketels en condenserende ketels (die ontworpen zijn om waterdamp in de rookgassen te condenseren).

1.1. Invoergegevens voor niet-condenserende ketels

De volgende basisgegevens zijn nodig voor de bepaling van het opwekkingsrendement bij een niet-condenserende ketel: Bij aanwezigheid van een waakvlam (enkel voor gasketels) wordt het jaarverbruik van de waakvlam forfaitair ingerekend.

Bovenstaande gegevens volstaan wanneer één enkele ketel of meerdere identieke ketels worden gebruikt. In geval van meer complexe installaties met verschillende keteltypes die samen een gebouw(deel) verwarmen, dient naast de basisgegevens, ook nog het totale nominale vermogen van deze ketels opgegeven te worden. Dit nominale vermogen is een productgegeven dat bij de genormaliseerde vollastproef van een ketel bepaald wordt in een onafhankelijk laboratorium en dat gedeclareerd wordt door de ketelfabrikant.

1.2. Invoergegevens voor condenserende ketels

In de warmtewisselaar van een condenserende ketel worden de rookgassen door het retourwater uit het afgiftesysteem zodanig afgekoeld dat de in de rookgassen aanwezige waterdamp gedeeltelijk condenseert. Bij dit condensatieproces wordt latente warmte uit de rookgassen teruggewonnen en zorgen de lagere rookgastemperaturen bovendien voor minder warmteverlies via de schoorsteen, wat resulteert in een hoger deellastrendement. Er dient echter voldoende aandacht geschonken te worden aan de ontwerp-retourwatertemperatuur uit het afgiftesysteem. Deze moet immers laag genoeg zijn om zoveel mogelijk waterdamp te laten condenseren in de rookgassen.

Daarom zijn er, naast de invoergegevens die voor niet-condenserende ketels van toepassing zijn, voor condenserende ketels nog twee extra gegevens nodig: Het energieverbruik voor hulpapparatuur zoals regelsystemen, ventilatoren en pompen wordt besproken in Infofiche 48.2. Hiervoor moet eveneens vermeld worden of de ketel voorzien is van een geïntegreerde ventilator of van elektronica.

2. De rol van de ontwerper en de uitvoerende aannemer

In Infofiche 48.1 vindt u een algemeen overzicht van de taken van elke partij in het bouwproces, voor zover ze betrekking hebben op de EPB regelgeving. De aannemer is meestal belast met het technische ontwerp van de HVAC-installatie (Heating, Ventilation en Air Conditioning). Hij mag geen beslissingen nemen die in tegenspraak zijn met de EPB-ontwerpeisen, maar kan wel in overleg met het bouwteam alternatieven voorstellen die minstens aan dezelfde eisen voldoen of die een beter opwekkingsrendement hebben.

Hieronder vindt u meer specifieke taken met betrekking tot deze Infofiche.

De taken van de ontwerper bestaan normaal gesproken uit: De taken van de uitvoerende aannemer bestaan normaal gesproken uit:

3. Aanbevelingen

De aannemer mag ook andere oplossingen voorstellen die de kwaliteit en/of de prestaties van het systeem verbeteren. Hierbij dient hij wel onderstaande aanbevelingen in acht te nemen. De volgende aanbevelingen hebben een invloed op het E-peil: Bovendien is het aangeraden om te kiezen voor ketels met een gesloten verbrandingskamer met een veilige werking zonder interactie met ventilatiesystemen. Dit heeft geen invloed op het E-peil.

Opmerking

De Infofiches 'EPB & Bouwberoepen' werden met de grootste zorg opgesteld. Het WTCB kan echter niet aansprakelijk gesteld worden voor eventuele schade die door gebruik van deze informatie zou zijn veroorzaakt. Alleen de Gewesten zijn bevoegd om zich uit te spreken over de interpretatie van de regelgevingen.


Departement 'Akoestiek, Energie en Klimaat', WTCB

  1. Publicaties
  2. Infofiches
  3. EPB - Systemen
  4. Centrale verwarmingsketels (met water)