Skip to main content
WTCB Home

Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf

24/04/2018

WTCB Home
  1. Publicaties
  2. WTCB-Contact
  3. WTCB-Contact nr. 23 (3-2009)
  4. Plaatmaterialen en hun toepassingen

Plaatmaterialen en hun toepassingen (vervangen door de WTCB-Dossiers 2015/2.20)

Er is tegenwoordig een uitgebreid gamma aan plaatmaterialen beschikbaar met de meest uiteenlopende prestaties en toepassingsgebieden. Om de schrijnwerker te helpen bij het maken van de juiste keuze, overlopen we in dit artikel welke plaattypes geschikt zijn voor welke toepassingen.

Samenstelling en opbouw

Elk plaattype heeft een specifieke opbouw en samenstelling, die bepalend zijn voor de fysische en mechanische prestaties ervan. Hierna geven we een bondige beschrijving van de vier meest voorkomende plaattypes :

Mechanische karakteristieken

De prestaties van de platen kunnen sterk verschillen al naargelang van de gebruikte houtsoort, het lijmtype, de lijmhoeveelheid, de eventuele toeslagstoffen en de volumieke massa. Gewoonlijk gaat men ervan uit dat de mechanische sterkte van de platen toeneemt met hun volumieke massa. In deze context onderscheidt men voornamelijk :

Welke plaat voor welke toepassing ?

De CE-markering van plaatmaterialen voor de bouw volgens de norm NBN EN 13986 is verplicht sedert 2006. Deze markering wordt aangebracht op de plaat of op het etiket en verwijst onder meer naar het plaattype en zijn technische klasse. Deze laatste stemt overeen met een plaatklasse die gelinkt wordt aan de plaatprestaties voor een gegeven gebruik. De beoordeling van de plaat gebeurt aan de hand van de desbetreffende norm (zie organigram).

De verschillende plaattypes kunnen niet in om het even welke situatie gebruikt worden. Het organigram, dat gebaseerd is op de beslissingsboom van het CEN TC 112, geeft aan welke technische plaatklassen gebruikt kunnen worden voor een voorziene praktijktoepassing, zodanig dat de schrijnwerker een geschikte keuze kan maken.

Elke rij vertegenwoordigt een welbepaald plaatmateriaal (spaanplaat, multiplex, MDF, OSB), waarbij de mechanische en fysische prestaties toenemen van rechts naar links. De schrijnwerker zal dus steeds een plaattype mogen gebruiken dat zich op dezelfde rij links van de voorziene toepassing bevindt (deze plaat zal immers betere prestaties vertonen dan deze die strikt noodzakelijk zijn).

De kolommen stellen op hun beurt een aantal verschillende plaattypes voor die onder gelijkaardige omstandigheden gebruikt kunnen worden. Een leeg vakje duidt aan dat er voor de betreffende plaatfamilie en de voorziene toepassing geen specifieke technische klasse voorhanden is. In voorkomend geval dient men ofwel te opteren voor een ander plaattype, ofwel binnen dezelfde familie te kiezen voor een plaat met betere prestaties (het vakje dat zich links van het lege vakje bevindt).

De vakjes met een rood kruis geven aan dat de voorziene toepassing vooralsnog niet mogelijk is voor de betreffende plaatfamilie.

Droog, vochtig of buitenmilieu

De technische klasse van de plaat is afhankelijk van het milieu waarin deze gebruikt zal worden. In de norm NBN EN 1995-1-1 worden de volgende milieus onderscheiden : Hoewel bepaalde plaattypes (zie organigram) weldegelijk gebruikt kunnen worden in de klimaatklasse 3, willen we erop wijzen dat de plaatprestaties sterk kunnen verminderen bij afwezigheid van een aangepaste verduurzamingsbehandeling (bv. in geval van een niet-duurzame houtsoort) en/of indien er geen afwerking van het oppervlak en de snijvlakken voorzien werd. De levensduur van de platen is ook sterk afhankelijk van hun blootstelling, van het type en het onderhoud van de oppervlakteafwerking, evenals van de voegen tussen de platen.

Structurele toepassingen

In het organigram wordt een onderscheid gemaakt tussen platen voor structurele en niet-structurele toepassingen :

Gebruiksvoorbeelden

In het organigram zijn eveneens een aantal gebruiksvoorbeelden opgenomen, die verder geïllustreerd worden in onderstaand schema :
Gebruiksvoorbeelden voor de verschillende plaattypes.
Gebruiksvoorbeelden voor de verschillende plaattypes.


(1) Volgens de norm NBN EN 13986 is de klimaatklasse 3 eveneens van toepassing op de risicoklasse voor biologische aantasting 4. Het gaat hier om platen die in contact staan met de grond of met zacht water, en die aldus permanent blootgesteld zijn aan een bevochtiging. Het gebruik van houten platen in deze biologische klasse is minder geschikt en wordt in principe niet aanbevolen.
(2) De term 'zware belastingen' wordt niet nader bepaald. Voor de keuze tussen deze twee plaattypes baseert men zich op een berekening waarin onder meer rekening gehouden wordt met de op te nemen belastingen (gebruikscategorie volgens de NBN EN 1991-1-1-ANB) en de geometrische eigenschappen van de platen (overspanning, dikte, …).
(3) Voor de keuze tussen deze twee plaattypes baseert men zich op een berekening die rekening houdt met de op te nemen belastingen (gebruikscategorie volgens de NBN EN 1991-1-1-ANB) en de geometrische eigenschappen van de platen (overspanning, dikte, ...).
(4) De levensduur zal sterk afhankelijk zijn van de blootstelling van de plaat, van de aangebrachte oppervlakteafwerking en het onderhoud ervan.
(5) De voegen tussen de platen kunnen behoren tot een hogere risicoklasse (volgens de NBN EN 335-3) dan klasse 3 (permanente bevochtiging).

Organigram voor de keuze van een geschikte technische plaatklasse.
Organigram voor de keuze van een geschikte technische plaatklasse.



Volledig artikel


S. Charron, ir., projectleider, laborato­rium 'Ruwbouw- en afwerkingsmaterialen', WTCB
G. Dekens, lic., onderzoeker, laboratorium 'Dak- en gevelelementen', WTCB
Y. Martin, ir., afdelingshoofd, afdeling 'Materialen', WTCB