M1 Dimensies meten en positiebepaling

Wat wordt er gemeten?

Deze meetmethode wordt aangewend om een dimensie (lengte, breedte, hoogte, dikte) van een element of voeg te meten of de positie ervan (ten opzichte van andere elementen of een referentiestelsel) te bepalen (bv. de opleglengte).

Meetmethode

Naargelang het beoogde meetbereik en de precisie, kan men verschillende meetinstrumenten hanteren:

Vouwmeter
Vouwmeter
Rolmeter
Rolmeter
Schuifpasser
Schuifpasser
Digitale laagdiktemeter
Digitale laagdiktemeter

Interpretatie van de resultaten

De meetresultaten worden afgelezen van de instrumenten.

De bepaling van liggingsafwijkingen met betrekking tot andere onderdelen of een referentiestelsel, kan worden berekend uit de bekomen meetwaarden.

Literatuur

NBN ISO 7976-1:1992 – Meetafwijkingen voor gebouwen – Meetwijzen voor gebouwen en bouwwaren – Deel 1: Werkwijzen en instrumenten, blzn. 3-8 (§4), blzn. 37-42 (§8), blzn. 56-65 (§12)

Opmerkingen

Ongeacht het meetinstrument, wordt een dimensiemeting idealiter minstens tweemaal na elkaar uitgevoerd.

Er wordt aanbevolen om meetbanden te ondersteunen om de temperatuursinvloed van het te meten voorwerp te verminderen.

Wanneer de te meten lengte 10 m overschrijdt, dient men gebruik te maken van meetbandspanners om de gewenste verwijzingsspanning te realiseren.

Wanneer men de dimensies van elementen dient te meten die geen scherp omlijnde randen hebben, brengt men idealiter stelstukken aan op het element.

Voor elementen met een ruw oppervlak, wordt een instrument gebruikt met een breed raakvlak.

De dikte wordt gemeten haaks op ten minste een van de oppervlakken van het element.

 

Last update: 27/09/2016