Ventilatie van gebouwen - Belgische en Europese Normen

1. Criteria voor de binnenomgeving

De norm NBN EN 15251 (2007) ‘Binnenmilieu - gerelateerde inputparameters voor ontwerp en beoordeling van energieprestatie van gebouwen voor de kwaliteit van binnenlucht, het thermisch comfort, de verlichting en akoestiek’ bepaalt de binnenomgevingsparameters die van invloed kunnen zijn op de energieprestatie van gebouwen. Hoewel de norm geen ontwerpmethode voorschrijft, bevat ze wel een aantal ontwerpparameters voor gebouwen en verwarmings-, koel-, ventilatie- en verlichtingssystemen. Ze verduidelijkt de manier waarop de verschillende categorieën met binnenomgevingscriteria gebruikt kunnen worden, maar legt zelf geen specifieke criteria op. Verder beschrijft ze enkele methoden waarmee het mogelijk is de verkregen binnenomgeving te beoordelen op lange termijn.

Naast de ventilatiedebieten die bij ontstentenis van een nationale reglementering in acht genomen moeten worden voor het ontwerp van ventilatiesystemen, geeft deze norm ook de aanbevolen ventilatiedebieten aan voor het geval de ruimten niet bezet zijn.

2. Ontwerp van ventilatiesystemen

De norm NBN D 50-001 (1991) ‘Ventilatievoorzieningen in woongebouwen’ bepaalt de eisen inzake luchtverversing in woongebouwen en geeft richtlijnen betreffende de ventilatievoorzieningen. Ze vormt de basis van de Vlaamse, de Brusselse en de Waalse ventilatiereglementering voor woongebouwen en wordt uitvoerig besproken in de Technische Voorlichting nr. 258 van het WTCB alsook in de WTCB-Digests nrs. 5, 6 en 7.

Het technische rapport CEN/TR 14788 (2006) ‘Ventilation for buildings. Design and dimensioning of residential ventilation systems’ formuleert aanbevelingen betreffende de prestaties en het ontwerp van ventilatiesystemen voor toepassing in individuele woningen.

Hoewel dit rapport een aantal interessante gegevens bevat, is de praktische bruikbaarheid ervan beperkt en is het ontoereikend om de norm NBN D 50-001 te vervangen.

De norm NBN EN 15665 (2009) ‘Ventilatie in gebouwen - Bepaling van prestatiecriteria voor het ontwerp van ventilatiesystemen voor woningen’ definieert de evaluatiecriteria voor de prestaties van residentiële ventilatiesystemen. De norm specificeert eveneens de wijze waarop de prestatiecriteria van de ontwerpniveaus bepaald kunnen worden in het kader van de reglementeringen en/of de normen.

De norm NBN EN 16798-3 (2017) ‘Energieprestatie van gebouwen - Ventilatie van gebouwen - Deel 3: voor niet-residentiële gebouwen - Prestatie-eisen voor ventilatie- en luchtbehandelingssystemen’ is van toepassing op het ontwerp en de installatie van mechanische ventilatiesystemen voor niet-residentiële gebouwen die geschikt zijn voor menselijke bezetting. Deze norm heeft vooral betrekking op de definities van de verschillende parameters die relevant zijn voor dergelijke systemen.
De norm definieert:

  • de verschillende luchtsoorten;
  • de verschillende soorten basisventilatiesystemen;
  • de mogelijke soorten luchtdebietregeling;
  • de categorieën in de balancering van debieten;
  • en het specifiek vermogen van ventilatoren.

De norm behandelt eveneens warmterecuperatie, filtratie, luchtlekken en de energieclassificatie van de systemen.

De norm NBN EN 12097 (2007) ‘Luchtverversing van gebouwen. Luchtkanalen. Eisen voor onderdelen van luchtkanalen die onderhoud aan het luchtkanaal mogelijk maken’ bepaalt de eisen met betrekking tot de afmetingen, de vorm en de plaats van de toegangsluiken voor het onderhoud en de reiniging van het luchtleidingennetwerk.

Het WTCB Rapport nr 15 behandelt de berekening van drukverliezen en de dimensionering van luchtdistributienetwerken.

De norm NBN EN 15423 (2008) ‘Ventilatie van gebouwen - Voorzorgsmaatregelen tegen brand voor luchtverdeelsystemen in gebouwen’ geeft aanbevelingen betreffende het nemen van voorzorgsmaatregelen voor luchtverdelingssystemen in gebouwen, ten einde het ontstaan en de verspreiding van brand, rookgassen en andere verbrandingsproducten te voorkomen.

Om de lijst te vervolledigen, kunnen we nog drie andere normen aanhalen, die meer specifiek verband houden met de verwarming, maar eveneens aanwijzingen geven over de ventilatie van ruimten die warmtegeneratoren bevatten :

  • NBN B 61-001 (1986 + addendum 1:1996 – momenteel in herziening) ‘Stookafdelingen en schoorstenen’
  • NBN B 61-002 (2006) ‘Centrale verwarmingsketels met een nominaal vermogen kleiner dan 70 kW. Voorschriften voor hun opstellingsruimte, luchttoevoer en rookafvoer’
  • NBN D 51-003 (2010) (+A1:2014) ‘Binnenleidingen voor aardgas van de verbruikstoestellen - Algemene bepalingen’.

De norm NBN B 61-002 bevat bovendien een aantal voorschriften om ontoelaatbare interacties tussen ventilatiesystemen en centrale-verwarmingsketels met een niet-luchtdicht verbrandingscircuit te vermijden.

3. Akoestiek

Wat de akoestiek betreft, is het nuttig de Belgische norm NBN S 01-401 (1987) ‘Akoestiek. Grenswaarden voor de geluidsniveaus om het gebrek aan comfort in gebouwen te vermijden’ te vermelden. Deze norm bepaalt de maximale geluidsniveau die toegelaten zijn in bepaalde ruimten, afhankelijk van hun bestemming, van het type gebouw en zijn inplantingszone. Hierbij wordt rekening gehouden met geluiden van buitenaf, zoals burengeluiden, en met geluiden van binnenuit, zoals het geluid van de uitrustingen (bv. verwarmingsketel of circulatiepomp). De norm NBN S 01-400-1 (2008) ‘Akoestische criteria voor woongebouwen’ vervangt gedeeltelijk de voornoemde norm voor wat betreft woongebouwen. De norm NBN S 01-400-2 (2012) ‘Akoestische criteria voor schoolgebouwen’ vervangt gedeeltelijk de voornoemde norm voor wat betreft schoolgebouwen.

Rekening houdend met de evolutie van de akoestiek tijdens de jongste 50 jaar beschouwt men de oude norm NBN 263 (1951) ‘Centrale verwarming, luchtverversing en klimaatregeling. Akoestische eisen’ als voorbijgestreefd. Daarom vermijdt men best nog naar dit document te verwijzen.

4. Uitvoering van de installaties

In tegenstelling tot wat haar titel laat uitschijnen, geeft de norm NBN 237 (1954) ‘Centrale verwarming, luchtverversing en klimaatregeling. Gemeenschappelijke eisen voor alle systemen’ geen relevante informatie betreffende ventilatiesystemen in gebouwen. Dit document werd gedeeltelijk vervangen door de Belgische normen van de reeks D 30, die tot doel hebben een leidraad te vormen voor de goede uitvoering van centrale-verwarmingsinstallaties en ventilatie- en luchtbehandelingssystemen. Deze reeks normen is vooral gericht op centrale verwarming, maar in enkele ervan komt ook het thema ventilatie enigszins aan bod :

  • NBN D 30-021 (1989) ‘Centrale verwarming, ventilatie en luchtbehandeling. Gemeenschappelijke eisen voor alle systemen. Automatische regeling’
    Deze norm definieert bepaalde termen, zoals sonde, regelaar, servomotor, … en geeft wat meer informatie over de samenstellende delen. Daarnaast bevat ze de eisen met betrekking tot de regeling
  • NBN D 30-039 (1995) ‘Centrale verwarming, ventilatie en luchtbehandeling. Gemeenschappelijke eisen voor alle systemen. Bijkomende werken’
    Zoals aangegeven in de titel, behandelt deze norm enkele bijkomende werken, zoals doorvoeringen, de uitvoering van sokkels, het inbrengen van de uitrusting in de vertrekken of de bescherming van de installaties. Verder beschrijft ze de verplichtingen van de installateur aan het einde van de werken alsook voor de voorlopige oplevering ervan
  • NBN D 30-041 (1992) ‘Centrale verwarming, ventilatie en luchtbehandeling. Gemeenschappelijke eisen voor alle systemen. Thermische isolatie’
    Deze norm geeft informatie over de algemene eigenschappen van thermische-isolatiematerialen en bedekkingsmaterialen. Ze geeft ook aan hoe men luchtkanalen en luchtbehandelingssystemen kan isoleren. De bijlage bij de norm behandelt tenslotte de optimalisering van de isolatiedikte.

De norm NBN EN 12236 (2002) ‘Verluchting van gebouwen. Ophanging en ondersteuningen voor luchtleidingen. Eisen voor sterkte’ bevat de voorschriften voor de opbouw en de plaatsing van ophangingen voor metalen luchtleidingen in ventilatie- en klimaatregelingssystemen. Ze beschouwt verschillende factoren zoals de belasting van de isolatie, de veiligheidsfactoren, de opgelegde belastingen (reiniging en onderhoud), …, maar houdt geen rekening met belastingen tengevolge van aardbevingen. Ze formuleert evenmin voorschriften betreffende de brandveiligheid.

5. Opleveringsproeven voor de installaties

De norm NBN EN 14134 (2004) ‘Luchtverversing van gebouwen. Prestatiebeproeving en installatiecontrole van luchtverversingssystemen van woningen’ beschrijft de controles en proefmethoden om de gebruiksgeschiktheid van in woningen geïnstalleerde ventilatiesystemen na te gaan. Ze kan gebruikt worden bij de inwerkingstelling van nieuwe ventilatiesystemen of bij de beproeving van de prestaties van bestaande systemen. Deze norm laat toe een keuze te maken tussen eenvoudige proefmethoden (wanneer deze volstaan) en meer doorgedreven maatregelen (indien nodig).

De norm NBN EN 12599 (2012) ‘Ventilatie van gebouwen. Beproevingsprocedures en meetmethoden voor de oplevering van geïnstalleerde ventilatie- en luchtbehandelingssystemen’ handelt over ventilatie- en klimaatregelingssystemen, die bestemd zijn om bepaalde comfortvoorwaarden te verzekeren in diverse gebouwen, behalve woongebouwen. Ze behandelt de controles, de proefmethoden en de meetinstrumenten die nodig zijn om de gebruiksgeschiktheid van de geïnstalleerde systemen bij de oplevering te controleren. De norm maakt het mogelijk een keuze te maken tussen eenvoudige proefmethoden en reikt, indien nodig, ook complexere methoden aan.

Beide voornoemde normen geven echter geen informatie over de procedures voor de regeling, de correcte afstelling of de uitbalancering van het systeem.

In tegenstelling tot wat hun titel laat uitschijnen, geeft de normenreeks NBN D 11 ‘Centrale verwarming, ventilatie en luchtbehandeling. Opleveringsproeven voor installaties’, die gepubliceerd werd tussen 1977 en 1982, geen relevante informatie over ventilatiesystemen in gebouwen.

De norm NBN EN 15726 (2011) ‘Ventilatie van gebouwen - Verdeling van lucht - Metingen in de leefzone van ruimtes met airconditioning en/of ventilatie voor de beoordeling van het thermisch en akoestisch comfort’ geldt voor de meting van bepaalde parameters van thermisch en akoestisch comfort (temperatuur, luchtsnelheid, ...) in een kamer met een luchtverdeelsysteem.

De norm NBN EN 15780 (2011) ‘Ventilatie van gebouwen - Luchtkanalen - Reinheid van ventilatiesystemen’ geldt voor nieuwe of oude ventilatie en airconditioning systemen. Deze norm specificeert de algemene eisen en procedures voor het beoordelen en handhaven van de netheid van ventilatiekanalen.

6. Inspectie

De norm NBN EN 16798-17 (2017) ‘Energieprestatie van gebouwen - Ventilatie van gebouwen  - Deel 17: Richtlijnen voor de inspectie van ventilatie- en airconditioningsystemen’ beschrijft de algemeen aanvaarde methode en de voorschriften met betrekking tot de inspectie van airconditioningsystemen in gebouwen voor de koeling en/of verwarming van lokalen, en/of van ventilatiesystemen betreffende het energieverbruik. De norm is van toepassing op mechanische of natuurlijke ventilatiesystemen in residentiële en niet-residentiële gebouwen.

7. Rekenmethoden

De norm NBN EN 16798-7 (2017) ‘Energieprestatie van gebouwen - Ventilatie van gebouwen - Deel 7: Berekeningsmethoden voor de bepaling van de luchtvolumestroom en de infiltratie in gebouwen’ beschrijft de methodes waarmee men de ventilatieluchtdebieten in gebouwen kan berekenen die toegepast moeten worden voor de evaluatie van energieberekeningen, alsook voor de verwarmings- en koelingsbehoeften. De norm is van toepassing op mechanische en natuurlijke ventilatiesystemen in residentiële en niet-residentiële gebouwen.

8. Symbolen en terminologie

De Belgische normen NBN 232-01 tot 232-13, die gepubliceerd werden tussen 1968 en 1970, bevatten de grafische symbolen voor gebruik in tekeningen, plannen en installatieschema’s voor verwarming in het algemeen (met inbegrip van ventilatie en luchtbehandeling). Daarnaast bestaat de norm NBN D 51-002 (1972) ‘Centrale verwarming, luchtverversing en klimaatregeling. Regelschema’s’, die regels en aanbevelingen geeft die moeten nageleefd worden voor het tekenen van schema’s voor automatische regelsystemen. We moeten echter vaststellen dat de symbolen die in de verschillende documenten voorkomen, niet altijd identiek zijn. Om deze grafische conventies te harmoniseren, heeft het WTCB in 1998 het Rapport nr. 3 ‘Algemene grafische symbolen voor de bouw’ uitgegeven.

De norm NBN EN 12792 (2003) ‘Ventilatie van gebouwen. Symbolen, terminologie en grafische symbolen’ bevat op haar beurt de symbolen en termen die gebruikt worden in de Europese normen die specifiek betrekking hebben op de ventilatie van gebouwen.

 

Update: Augustus 2017