Brandveiligheid voor personen met een beperking

Suggestie HR/1343/10/03 - Liften - Interpretatie van het punt 6.4 van de bijlagen 2, 3 & 4 van het Koninklijk Besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen.

De Gewestelijke stedenbouwkundige reglementeringen leggen op dat de verdiepingen van bepaalde gebouwen toegankelijk moeten zijn voor personen met een beperkte mobiliteit. Dit wordt over het algemeen gerealiseerd door de plaatsing van een lift toegankelijk voor personen met een beperking.

De Basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing hebben onder meer tot doel om de veiligheid van de in het gebouw aanwezige personen te verzekeren, inclusief personen met een beperking. Het gebruik van liften bij brand is evenwel niet toegestaan en kan niet beschouwd worden als een veilige oplossing.

Indien men toch gebruik wenst te maken van een lift voor de evacuatie van personen met een beperking, dan dient die (conform artikel 6.4 e.v.) te beantwoorden aan een aantal bijkomende eisen:

  • Een sas voorzien die toegang verschaft tot de lift
  • Een brandwerende en zelfsluitende sasdeur
  • Een noodstroomgroep
  • Brandweerstand van de elektrische bekabeling

De investeringen zijn vaak niet te verwaarlozen en bouwheren vragen dan ook regelmatig afwijkingen.

Naar aanleiding van de omvang van deze problematiek, werd binnen de Hoge Raad voor preventie tegen brand en ontploffing beslist om dit punt te preciseren aan de hand van onderstaande suggestie:

Het uitgangspunt blijft hetzelfde, wanneer personen met beperkte mobiliteit een gebouw kunnen binnen gaan dient hun veiligheid in geval van brand te worden verzekerd. Bovendien zal een lift voor de evacuatie van personen met beperkte mobiliteit moeten beantwoorden aan de bepalingen van artikel 6.4 e.v. Niettemin kan de veiligheid van personen met een beperking, volgens de reglementering, verzekerd worden door andere middelen.

Deze alternatieve evacuatiemiddelen kunnen geïnstalleerd worden op voorwaarde dat er vooraf een risicoanalyse wordt uitgevoerd en er een gepast evacuatieplan wordt opgesteld.

Onderstaande oplossingen kunnen zorgen voor een veiligheidsniveau dat gelijkwaardig is aan de aanwezigheid van een lift bestemd voor de evacuatie van personen met beperkte mobiliteit:

  1. Evacuatie via een gevelopening of wachtterras: (conform art. 2.2.1 - bijlage 3 basisnormen), waarbij het terras een voldoende grote oppervlakte dient te hebben en toegankelijk moet zijn voor personen met beperkte mobiliteit. Dit is een oplossing die enkel toepasbaar is voor lage en middelhoge gebouwen en voor een gering aantal personen met beperkte mobiliteit (bvb. appartementsgebouw)
  2. Horizontale evacuatie: De personen met beperkte mobiliteit kunnen zonder via het trappenhuis te moeten passeren een aanpalend compartiment bereiken. Het aanpalende compartiment moet een veilige plaats zijn (conform art. 5.8 - bijlage 1 basisnormen) en een verdere evacuatie vanuit deze 'veilige plaats' kan indien nodig gebeuren.
  3. Wachten op hulp in een 'schuilzone': Ook deze oplossing geldt enkel voor lage en middelhoge gebouwen, evenals voor een gering aantal personen met beperkte mobiliteit. Dergelijke 'schuilzones' zijn beschermde wachtzones waar de persoon met een beperking voor korte periodes kan wachten tot er hulp komt opdagen. Het evacuatieplan is een essentieel onderdeel van deze oplossing evenals een bidirectioneel communicatiesysteem. Een 'schuilzone' is immers geen zone waar de persoon met beperkte mobiliteit kan worden achtergelaten tot er hulp komt opdagen, hij dient voordurend op de hoogte te worden gesteld over de evolutie van de situatie en het feit dat zijn aanwezigheid gekend is en dat de nodige acties ondernomen worden voor de verdere evacuatie. De schuilzones dienen de nodige bescherming te bieden tegen brand en mogen de nuttige breedte van de vluchtwegen niet verminderen tot een waarde die lager is dan de nuttige breedte (conform art. 5.6.4 - bijlage 1 Basisnormen). Tenslotte moet de schuilzone duidelijke worden aangegeven en staat ze in rechtstreekse verbinding met een uitgang of toegang tot een trappenhuis.
  4. Evacuatie met behulp van speciale evacuatiestoelen via de trap: Een laatste oplossing ten slotte is de evacuatie met speciale evacuatiestoelen via de trap. Dit systeem legt op dat elke persoon met een handicap begeleid moet worden door een valiede persoon die een opleiding heeft gevolgd inzake het bedienen van het systeem. Deze oplossing vereist, net als de voorgaande, het opstellen van een evacuatieplan en een permanente aanwezigheid van voldoende opgeleid personeel. Ook deze oplossing is enkel toepasselijk voor lage en middelhoge gebouwen en voor een gering aantal personen met beperkte mobiliteit.