Thermische isolatie

Thermische isolatie

De eisen met betrekking tot de thermische prestaties van de bouwdetails die deel uitmaken van de scheidingsconstructies van een gebouw maken het voorwerp uit van de door de gewestelijke overheden opgestelde EPB-regelgeving. In de gewestelijke regelgeving worden deze bouwdetails aangeduid als ‘bouwknopen’.

Wat de thermische prestaties betreft, verwacht men van een bouwknoop enerzijds dat hij toelaat om de warmteverliezen door transmissie (ψ- en χ-factoren) te verminderen, en anderzijds dat het risico op oppervlaktecondensatie en schimmelontwikkeling op deze plaats tot een minimum beperkt wordt (temperatuurfactor f).

De bouwknopen kunnen op verschillende manieren in aanmerking genomen worden in de context van de EPB-regelgeving (opties A, B en C). Bij optie C worden er waarden bij ontstentenis gebruikt, die echter zeer ongunstige resultaten kunnen opleveren voor het globale isolatiepeil (K-peil) van het gebouw. Om deze sanctiemaatregel te ontlopen, kan men ervoor opteren om ‘EPB-aanvaarde’ bouwknopen te ontwerpen en uit te voeren (optie B). Men kan er eveneens voor kiezen om een numerieke berekening uit te voeren (optie A), die toelaat om de ψ- of χ-factoren te bepalen (lineaire en puntwarmtedoorgangscoëfficiënten). Hoewel dergelijke numerieke berekeningen niet verplicht zijn, maken ze het wel mogelijk om betere prestaties in de verf te zetten of aan te tonen dat een detail dat niet aan de basisregels beantwoordt wel degelijk ‘EPB-aanvaard’ kan zijn. Voor de uitvoering van deze numerieke berekeningen kan men gebruikmaken van speciale programma’s die gebaseerd zijn op de rekennormen (waaronder de norm NBN EN ISO 10211).

Basisregel nr. 1: minimale contactdikte tussen de thermische-isolatielagen van twee belendende wanden. Basisregel nr. 2: toevoeging van een isolerend bouwdeel. Basisregel nr. 3: de weg van de minste warmteweerstand moet minstens 1 m lang zijn.

Een tweede hygrothermisch prestatiecriterium voor bouwknopen is hun temperatuurfactor fRsi, die het risico op oppervlaktecondensatie en schimmelontwikkeling op de wanden weerspiegelt. Deze temperatuurfactor schommelt tussen 0 en 1. Een waarde van 1 betekent dat de temperatuur aan het binnenoppervlak gelijk is aan de temperatuur van de binnenlucht. Voor gebouwen met een redelijk droog binnenklimaat wordt er een minimumwaarde van 0,7 vooropgesteld (zie TV 153). Voor gebouwen met een hoge vochtproductie, waarin er zich bijzondere belastingen voordoen en/of met een bijzonder binnenklimaat, kunnen er immers strengere temperatuurfactoren nodig zijn.

Voor meer informatie verwijzen we naar: