Informatie en ondersteuning

Onderzoek, ontwikkeling en innovatie

Bouwdetail - keldervloer-buitenmuur

Ter plaatse gestorte betonnen wand. Opvang en afvoer van het infiltrerende water

Referentie: 2006
Publicatiedatum: 01-07-2014

TV 250 Nummer 1.2
2006_DET1_1_NL.svg
  1. Wand uit ter plaatse gestort gewapend beton
  2. Goot
  3. Industriële dekvloer
  4. Vloerplaat uit ter plaatse gestort gewapend beton
  5. Werkvloer uit mager beton
2006_DET2_1_NL.svg
  1. Wand uit ter plaatse gestort gewapend beton
  2. Spouw
  3. Niet-dragend metselwerk
  4. Membraan tegen opstijgend vocht
  5. Open stootvoeg
  6. Drainerende noppenplaat
  7. Industriële dekvloer
  8. Vloerplaat uit ter plaatse gestort gewapend beton
  9. Werkvloer uit mager beton
2006_DET3_1_NL.svg
  1. Wand uit ter plaatse gestort gewapend beton
  2. Spouw
  3. Niet-dragend metselwerk
  4. Membraan tegen opstijgend vocht
  5. Open stootvoeg
  6. Drainerende noppenplaat
  7. Industriële dekvloer
  8. Vloerplaat uit ter plaatse gestort gewapend beton
  9. Werkvloer uit mager beton
Als er voor kelders uit ter plaatse gestort beton een dichtheidsklasse 0 voorzien wordt volgens de norm NBN EN 1992-3, is een beperkt lekdebiet doorheen de kelderwand toegestaan. Men kan proberen om deze waterinfiltraties te kanaliseren, zodat de hinder van het infiltrerende water beperkt blijft.
 
Het infiltrerende water kan in een goot onderaan de kelderwand opgevangen worden en, afhankelijk van de voorziene infiltratiedebieten en van de mogelijkheid om de goot onder een helling uit te voeren, afgevoerd worden naar een pompput en vervolgens naar de riolering. Tijdens dit proces mogen er in geen geval gronddeeltjes mee afgevoerd worden. Als men een infiltratie van gronddeeltjes vaststelt ter hoogte van bredere scheurtjes die mogelijk een invloed kan hebben op de stabiliteit van aanliggende constructies, dan moeten de scheuren geïnjecteerd worden. De goot kan bv. gevormd worden door in het verse beton een trapeziumvormige plank (150 mm x 25 mm) te voorzien. Omdat het in de praktijk evenwel moeilijk is om de goot nauwkeurig te positioneren, kan ze op enige afstand van de wand geplaatst worden.
 
Als de positie van de kimplaat leidt tot een lagere plaatsing van de bovenwapening aan de rand van de draagvloer, kan men de goot eventueel rechtstreeks in de draagvloer voorzien (zie afbeelding 12). Het aanbrengen van een extra vloerafwerking wordt op deze manier overbodig. De draagvloer zal hierdoor eveneens fungeren als afgewerkte vloer, wat evenwel een aantal consequenties met zich meebrengt met betrekking tot het uitzicht ervan. Tijdens de verschillende bouwfasen zal de draagvloer immers dienst doen als werkvloer en kan hij bijgevolg bevuild of beschadigd worden.
 
Als alternatief voor een goot kan men er in bepaalde gevallen voor opteren om een (vochtbestendige) voorzetwand en een vloerafwerking aan te brengen, waarachter en waaronder het infiltrerende water gedraineerd wordt. In dit geval moet de hoeveelheid ingedrongen water beperkt blijven. De draagvloer moet, rekening houdend met de uitvoeringstoleranties, een hellingsgraad van minimaal 1 % naar de afvoerpunten vertonen (zie afbeelding 13), teneinde een vlotte afwatering te garanderen. Een zwakkere hellingsgraad kan het risico op bevochtiging van de vloerafwerking vergroten. De drainerende (noppen)plaat dient voldoende dik te zijn (de noppen moeten voldoende hoog zijn) zodat geringe waterstagnaties op de vloer niet kunnen resulteren in een bevochtiging van de vloerafwerking.
 
Wanneer de (tussen)muren op de draagvloer steunen, zorgen de open stootvoegen onderaan het metselwerk voor de afvoer van het water in de drainerende plaat. Het vochtig worden van de onderste metselsteen is hierbij evenwel onvermijdelijk.
 
Deze aanpak draagt echter niet bij tot de waterdichtheid van de kelder en mag dus niet beschouwd worden als een volledige waterdichting. Men zal dus nog steeds rekening moeten houden met een mogelijke bevochtiging van de keldervloer en de kelderwand. Voor betonconstructies die aan hogere dichtheidsklassen moeten voldoen, kan een dergelijke opbouw soms ook voorzien worden als extra veiligheid. Dit veronderstelt wel dat de achterliggende structuur reeds in hoge mate waterdicht is. Deze aanpak kan de detectie en de herstelling van mogelijke lekken bovendien bemoeilijken.
2006_DET4_1.svg
Afb. 12 Goot in de draagvloer
2006_DET5_1.svg
Afb. 13 Aansluiting aan een afvoerkolk met dubbele inlaat (afvoer ter hoogte van het het oppervlak van de industriële dekvloer en ter hoogte van de noppenplaat)