Informatie en ondersteuning

Onderzoek, ontwikkeling en innovatie

Bouwdetail - plat dak-buitenschrijnwerk

Aansluiting terras/dorpel voor een betere toegankelijkheid bij renovaties (met beperkte koudebrug). Vloeibare afdichting

Referentie: 1114
Publicatiedatum: 10-08-2016

1114_DET1_1.svg
  1. Dakvloer
  2. Hellingslaag
  3. Thermische onderbreking om de koude brug te vermijden
  4. Dampscherm (zie TV 215, hoofdstuk 6)
  5. Thermische isolatie (waarvan de dikte afgestemd dient te worden op de geldende thermische regelgeving)
  6. dakafdichting (bitumineus of synthetisch)
  7. Oude spouwdrainering (die onder de dorpel wordt kortgesloten)
  8. Beschermings- of draineerlaag
  9. Gewapende dekvloer
  10. Gootelement
  11. Gewapende vloeibare afdichting
  12. Betegeling
Dit detail wordt over het algemeen enkel bij renovaties toegepast. Bij nieuwbouw van overkragende balkons zal doorgaans heel de balkonoppervlakte met vloeibare afdichting afgedicht worden. We verwijzen hiervoor naar de TV 196. Dit detail kan worden toegepast wanneer een nuttige opstandhoogte van 150 mm omwille van toegankelijkheid ter hoogte van de dorpels niet haalbaar is (men eist dan immers een maximaal niveauverschil van 20 mm tussen binnen en buiten).
 
Men dient zich desgevallend terdege bewust te zijn van de risico's voor waterinfiltraties via deuren, schuiframen of deurvensters.
Om deze risico's zoveel als mogelijk te beperken, dient men enerzijds de dimensionering van de waterafvoer van het dak hierop af te stemmen (beperkte waterhoogte toelaten op het dak, zie TV 244, hoofdstuk 3) en zo nodig bijkomende waterafvoeren en spuwers te voorzien. Anderzijds moeten deze waterafvoeren en overlopen alsook de goot voor de toegangsdeur maandelijks op verstoppingen gecontroleerd worden.
 
De helling van een hechtende betegeling dient minstens 1,5 % te bedragen en uitgevoerd te worden van de deuropening weg. Vanaf de opvatting dient de nodige aandacht besteed te worden aan de waterafvoer van de goot zelf. Het kan noodzakelijk zijn om de goot over de volledige gevellengte te laten doorlopen zodat haar regenwaterafvoer zijdelings door de dakopstand kan verlopen.
 
Voor de verenigbaarheid en voor het waterdicht verbinden van de vloeibare afdichting met de baanvormige dakafdichtingen (bitumineus en synthetisch) dient men de nodige inlichtingen te verkrijgen bij de fabrikanten van de vloeibare afdichtingen (zie ook TV 244, hoofdstuk 9). Deze aansluitingen verdienen extra aandacht tijdens het onderhoud van het dak (zie TV 215).
 
Afhankelijk van de opvulling van de ruimte onder de dorpel dient men, om een goede hechting te realiseren, een geschikte primer te gebruiken. De staat en de aard van deze opvulling dient voldoende trekvast (cohesief) te zijn. Kleine en grote oneffenheden dienen uitgevlakt te worden en openingen en spleten dienen opgevuld te worden volgens de richtlijnen van de fabrikanten.
 
Voor de afwerking van de aansluiting van de vloeibare afdichting met de wanden aangrenzend aan de dorpels: zie uitvoeringsdetails fiche 52.4 (metselwerk) en 54.4 (beton).
 
Er dient bijzondere aandacht besteed te worden aan de verbinding van het spouwmembraan naast de dorpel met de afdichting onder de dorpel (nr. 7). Om deze continuïteit te kunnen verwezenlijken, verwijzen we naar Infofiche nr. 20.
 
De vloeibare afdichting op de dorpels mag alleszins niet hoger komen dan het niveau van de spouwdrainering in de muren en dient naast de dorpels met de spouwdrainering onder de dorpels (nr. 7) verbonden te worden (zie 3D-tekening in TV 244, Fiche 41-4).
 
Om deze aansluiting te kunnen realiseren, zal er bijgevolg een opening in het gevelmetselwerk naast de dorpels gemaakt moeten worden.
 
Het bovenvlak van de dorpel moet met een beloopbare afdichting afgewerkt worden. Merk hierbij op dat eventueel toe te voegen slijtvaste materialen (zoals zand- of kwartskorrels) in een bijkomende afwerklaag ingestrooid moeten worden.
 
Wanneer de overlapverbinding tussen de vloeibare afdichting enerzijds en de synthetische of bitumineuze afdichting anderzijds in het dakvlak uitgevoerd wordt, wordt deze laatste bij voorkeur een 50-tal millimeter tegen de opstand aangebracht. De vloeibare afdichting dient voldoende ver op het dakvlak te worden doorgetrokken zodat er een overlapverbinding van minstens 100 mm tussen de vloeibare en het horizontale vlak van de dakafdichting gegarandeerd wordt. Men dient in principe op elke ondergrond een aanhechtingsstrook van minimum 100 mm te hebben.
 
Wanneer de dekvloer onvoldoende vorstbestendig is, is een drainagelaag in de terrasopbouw buiten noodzakelijk. Bij een vorstbestendige dekvloer (samenstelling, zie TV 189, § 5.4) is het aanbrengen van een beschermlaag op de dakafdichting voldoende.
 
Wanneer het opzetten van de baanvormige afdichting een hindernis vormt om de detaillering duurzaam en veilig uit te voeren (bv. moeilijk bereikbaar, brandveiligheid, ...), is het opportuun om deze afdichting op het dakvlak beëindigen.
 
Hierbij is de goede waterdichte verbindbaarheid van de beide materialen belangrijk om een goede overlapverbinding te realiseren.

Gerelateerde publicaties

Technische voorlichtingen

Aansluitingsdetails bij platte daken : algemene principes (vervangt de TV 191) (+ correcties van februari 2015).
TV 244 is een herziening van de TV 191, die gewijd was aan de aansluitingsdetails bij platte daken. In voorliggende TV komen de volgende onderwerpen aan bod : dakgoten, dakwaterafvoeren, nooduitlaten, opstanden, dakranden, bewegingsvoegen, dakdoorbrekingen en sokkels en de onderlinge verbinding van verschillende types afdichtingen.
Auteur: Mahieu (E.)
Prijzen: Enkel on-line beschikbaar
Download in PDF-formaat