Markttoezicht


Algemeen

De lidstaten zijn verplicht tot de tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving. Artikel 5 van het EU-Verdrag eist dat de lidstaten alle gepaste maatregelen nemen om hun verplichting voortvloeiend uit het Verdrag na te komen. Het markttoezicht is een essentieel instrument voor de tenuitvoerlegging van de “nieuwe aanpak”-richtlijnen. Doel van het markttoezicht is ervoor te zorgen dat de bepalingen van de richtlijnen die van toepassing zijn, in de hele Europese Unie worden nageleefd. Het beschermingsniveau verbonden aan de fundamentele voorschriften vereist volgens de BPR blijft verder tot de verantwoordelijkheden van de lidstaten behoren.

De verplichting tot markttoezicht vormt een aanvulling op de bepaling van de “nieuwe aanpak”-richtlijnen die eist dat de lidstaten het vrije verkeer van producten die aan de voorschriften voldoen, toelaten. Deze verplichting stemt ook overeen met het recht van de lidstaten het vrije verkeer van producten die in verregaande mate niet aan de voorschriften voldoen, aan te vechten op basis van de vrijwaringsclausule.

TOP

Overheidsinstanties belast met het markttoezicht

De lidstaten moeten de overheidsinstanties die verantwoordelijk zijn voor het marktoezicht, aanstellen of oprichten. Deze instanties moeten beschikken over de middelen en machten die voor de toezichtactiviteiten vereist zijn, om in de handel gebrachte producten te kunnen monitoren en in geval van non-conformiteit de nodige stappen te kunnen ondernemen om tot conformiteit te verplichten. Wat het personeel betreft, moet de instantie beschikken of toegang hebben tot voldoende passend gekwalificeerde en ervaren werknemers die ook de vereiste professionele integriteit bezitten. Om de kwaliteit van de testgegevens te garanderen, moet de door de instantie gebruikte testfaciliteit voldoen aan de criteria die in de richtlijnen worden vermeld.

Verder moet de instantie haar markttoezicht uitoefenen volgens het evenredigheidsprincipe, wat betekent dat de acties moeten overeenstemmen met het risico of de non-conformiteit, en de invloed op het vrije verkeer van de producten mag niet groter zijn dan nodig om de doelstellingen van het markttoezicht te bereiken.

Markttoezichtinstanties mogen niet worden verward met attesteringsinstellingen. Het markttoezicht valt onder de verantwoordelijkheid van overheidsinstanties. Dit is meer bepaald bedoeld om de onpartijdigheid van de markttoezichtactiviteiten te garanderen. De toezichthoudende overheidsinstantie kan het monitoren van de in de handel gebrachte producten aan een andere onpartijdige instantie uitbesteden op voorwaarde dat ze volledig verantwoordelijk blijft voor de activiteit zelf, in het bijzonder voor de wettelijke acties, en ze alle beslissingen neemt over het hoe, waar en wanneer van de activiteiten. De attesteringsinstellingen moeten van alle markttoezichtactiviteiten worden uitgesloten om een duidelijk onderscheid te maken tussen de conformiteitsbeoordeling (activiteit die plaatsvindt vóór het product in de handel wordt gebracht) en het markttoezicht (activiteit die plaatsvindt nadat het product in de handel is gebracht) en belangenconflicten te vermijden. Indien een attesteringsinstelling en een markttoezichtinstantie onder hetzelfde hogere gezag vallen in een lidstaat, moeten de verantwoordelijkheidslijnen zodanig worden georganiseerd dat de onafhankelijkheid van het markttoezicht t.o.v. de conformiteitsbeoordeling gegarandeerd is.

TOP

Subsidiariteitsprincipe

Elke lidstaat kan zelf beslissen over de infrastructuur van het markttoezicht. Er bestaat bijv. geen beperking inzake het toewijzen van verantwoordelijkheden tussen instanties op functionele of geografische basis zolang het toezicht maar efficiënt is en het hele grondgebied wordt gedekt. Bijgevolg kunnen de wettelijke en administratieve markttoezichtinfrastructuren van lidstaat tot lidstaat verschillen. Dit vereist speciale inspanningen zodat in de hele Europese Unie een gelijkwaardig beschermingsniveau kan worden verzekerd ondanks het feit dat de bevoegdheid voor het markttoezicht tot het grondgebied van elke lidstaat beperkt is.

De “nieuwe aanpak”-richtlijnen omvatten bepaalde eisen waardoor de lidstaten verplicht zijn de Commissie of de andere lidstaten te informeren, maar meestal is er niets voorzien inzake de vertrouwelijkheid of de transparantie van de informatie die tijdens de markttoezichtactiviteiten wordt ingewonnen. Bijgevolg zijn de regels inzake de vertrouwelijkheid gebaseerd op de nationale wettelijke systemen, waardoor ze tussen de lidstaten kunnen variëren. Informatie over lopende activiteiten die betrekking hebben op een individuele economische operator dient over het algemeen echter als vertrouwelijk beschouwd te worden. Indien een product uit de handel wordt genomen in een lidstaat, moet deze laatste de Commissie zo snel mogelijk informeren en de reden voor deze actie vermelden.

TOP

Administratieve samenwerking

Grotere transparantie in de manier waarop de lidstaten het markttoezicht uitoefenen, is van cruciaal belang om het vertrouwen in de CE-markering op te bouwen. Administratieve samenwerking tussen de nationale markttoezichtinstanties zal leiden tot wederzijds inzicht en begrip en tot meer gelijkwaardige procedures.

Voor andere richtlijnen werden er reeds initiatieven in deze richting genomen. In 1999 besloot het Permanent Comité voor de machinerichtlijn (98/37/EC) tot het toepassen van een Mutual Joint Visit Programme, d.w.z. een programma voor wederzijdse gezamenlijke bezoeken, voor de nationale markttoezichtinstanties. In 1998 werd een Europese markttoezichtsgroep opgericht voor pleziervaartuigen. In maart 1996 werd een werkgroep voor administratieve samenwerking m.b.t. EMC, EMC-ADCO genoemd, opgericht. In november 1997 volgde de oprichting van een werkgroep voor administratieve samenwerking op het vlak van LVD (laagspanningsrichtlijn).

PROSAFE (Product Safety Enforcement Forum of Europe) behandelt de algemene productveiligheid en de veiligheid van speelgoed. Deze organisatie bestaat volledig uit ‘enforcement officers’ die verspreid zijn over heel Europa en zich over de veiligheid van de consumentenproducten buigen. Voor de BPR is er geen dergelijke actie ondernomen.

Wat de productveiligheid betreft, is het belangrijkste informatiesysteem voor heel Europa het RAPEX of Rapid Alert Information System, waarmee snel informatie wordt uitgewisseld om snel te kunnen ingrijpen bij producten die ernstige gevaren opleveren. RAPEX is het officiële informatiesysteem m.b.t. gevaarlijke producten van de Europese Unie. Deelname aan dit systeem is verplicht voor alle lidstaten van de EU.

De Europese Commissie wordt grondig geïnformeerd over producten die een risico inhouden en daarom niet in de handel mogen worden gebracht in de lidstaten. De EU-Commissie geeft deze informatie dan door aan alle leden. Een overeenstemmend "TRAPEX"- systeem werd voor het eerst opgezet in mei 1999 voor EU-kandidaatlanden. Met de financiële steun van de Europese Commissie werd ook een Europees Internetgebaseerd markttoezichtsysteem opgezet (http://www.icsms.org).

Met het oog op een eerlijke handel moeten ook voor de BPR mogelijke voorstellen worden bekeken om een wettelijke basis te creëren om tot de gewenste samenwerking inzake de tenuitvoerlegging te komen. Een betere grensoverschrijdende samenwerking inzake de tenuitvoerlegging is bijzonder belangrijk in de context van de EU-uitbreiding en van de noodzaak de nieuwe buitengrenscontroles die eruit zullen voortvloeien, te versterken.

TOP

Een betere implementatie van de nieuwe aanpak

In de resolutie van 10 november 2003 vroeg de Raad van het Europese Parlement de Europese Commissie samen met de lidstaten fundamentele voorschriften te overwegen voor het definiëren van de doelstellingen die door de lidstaten op markttoezichtvlak moeten worden bereikt, en in de “nieuwe aanpak”-wetgeving een kader te voorzien voor de relevante administratieve samenwerking, inclusief de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten. Tevens werd gevraagd de vrijwaringsclausuleprocedure, voorzien in de “nieuwe aanpak”-wetgeving, te verbeteren om de transparantie te vergroten en de verwerkingstijd te verkorten, om ze op die manier efficiënter te maken en ervoor te zorgen dat ze uniform wordt toegepast en dat de in de lidstaten beschikbare expertise wordt benut.

Momenteel werd de vrijwaringsclausule nog niet gebruikt in het kader van de BPR. Toch is administratieve samenwerking tussen markttoezichtinstanties nodig; het is immers duidelijk dat:
  • de meeste lidstaten alleen een reactief markttoezichtbeleid voeren ;
  • de markttoezichtinstanties op verschillende manieren zullen toezien op de naleving van de CE-markering in het kader van de BPR als er geen informatie wordt uitgewisseld.
TOP

Markttoezicht in België

Wat het markttoezicht betreft, wordt de Belgische wetgeving zoveel mogelijk ondersteund door bestaande procedures op federaal en gewestelijk vlak.

Overeenkomstig artikel 4 van de Belgische wet van 25 maart 1996 zijn ambtenaren van de Directie Kwaliteit en Veiligheid en van de Economische inspectie van de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie bevoegd om de volgende overtredingen op te sporen en te melden:
  • het aanbrengen van de CE-markering op producten die niet aan de richtlijn voldoen, op een label dat aan het product bevestigd is, op de verpakking, of op de begeleidende documenten;
  • het in de handel brengen van producten waarop de CE-markering onrechtmatig is aangebracht;
  • het in de handel brengen van producten die op de lijst van minder belangrijke producten staan (art. 4(5) van de BPR) waarvoor er geen verklaring van overeenstemming werd opgesteld door de fabrikant of die niet vergezeld zijn van deze verklaring;
  • het in de handel brengen van producten bedoeld in art. 10 van het Koninklijk besluit van 19 augustus 1998 (art. 6(2) van de BPR), zonder de toestemming van de bevoegde minister;
  • het aanbrengen van andere markeringen op het product en/of op de verpakking ervan dan de CE-markering die met deze laatste kunnen worden verward;
  • het verlenen van een Europese technische goedkeuring zonder hiertoe gemachtigd te zijn;
  • het bepalen van de gebruiksgeschiktheid zonder hiertoe gemachtigd te zijn;
  • het uitreiken van conformiteitscertificaten en het uitvoeren van inspecties en/of tests zonder hiertoe gemachtigd te zijn of terwijl de machtiging is opgeschort;
  • het in de handel brengen of voor verkoop beschikbaar stellen van producten die uit de handel werden genomen overeenkomstig het Koninklijk besluit van 19 augustus 1998, of die niet in de handel mogen worden gebracht.
Ambtenaren, benoemd door de overheden voor het uitwerken van de fundamentele voorschriften voor werken of productspecificaties, worden door de koning aangesteld om deze taken uit te voeren. Ze kunnen deskundigen vragen hen hierbij te helpen.

Indien producten niet aan artikels 2 en 3 van de BPR voldoen, zullen de overheden die dit vaststellen de minister bevoegd voor Economische Zaken hiervan op de hoogte brengen. Deze laatste is bevoegd de producten uit de handel te nemen, het in de handel brengen van deze producten te verbieden en de vrije handel erin te beperken. Indien hij het nodig acht, zal hij de Technische Commissie voor de Bouw informeren. De minister dient de Commissie onmiddellijk op de hoogte te brengen van de genomen maatregelen en moet ook de redenen die aan de grondslag van zijn beslissing liggen, motiveren. Non-conformiteit kan voortvloeien uit:
  • het niet voldoen aan art. 3 van het Koninklijk besluit van 19 augustus 1998 (art. 2 van de BPR);
  • de verkeerde toepassing van de technische specificaties;
  • een fout in de technische specificaties.
Als hij heeft vastgesteld dat de CE-markering onrechtmatig is aangebracht, dient de minister verantwoordelijk voor Economische Zaken het verdere gebruik van de CE-markering te verbieden. Hij moet er dan ook voor zorgen dat onverkochte producten uit de handel worden genomen of dat de CE-markering wordt verwijderd tot er wordt vastgesteld dat het product aan de voorschriften voldoet. Hij moet de andere EU-lidstaten en de Commissie onmiddellijk over de genomen maatregelen informeren. Tevens dient hij alle kwantitatieve en kwalitatieve gegevens te verstrekken die nodig zijn om het product te identificeren.

TOP