Bijzonderheden van de BPR


In de handel brengen en in bedrijf stellen

Lidstaten zijn verplicht de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat producten slechts in de handel gebracht en in bedrijf genomen worden wanneer ze de veiligheid en gezondheid van personen niet in gevaar brengen, of wanneer ze geen bedreiging vormen voor andere algemene belangen die door de betreffende richtlijn worden gedekt, indien ze naar behoren geïnstalleerd en onderhouden worden en ze voor de beoogde doelen worden gebruikt. Dit houdt voor de lidstaten de verplichting in toezicht te houden op de markt.

Voor bouwproducten betekent dit standaardelement van de nieuwe aanpak dat ze slechts in de handel mogen worden gebracht als ze geschikt zijn voor hun beoogde gebruik, d.w.z. wanneer ze zodanige eigenschappen hebben dat de werken waarin ze worden opgenomen, voldoen aan de fundamentele voorschriften m.b.t. mechanische sterkte en stabiliteit, brandveiligheid, hygiëne, gezondheid en milieu, gebruiksveiligheid, geluidshinder, energiebesparing en warmtebehoud.

In het algemeen moet er gedurende een economisch redelijke levensduur aan de fundamentele voorschriften worden voldaan en moeten de krachten die op de werken worden uitgeoefend, van een te voorziene aard zijn. Het in bedrijf stellen wordt niet behandeld door de BPR.

TOP

Fundamentele voorschriften

De fundamentele voorschriften worden uiteengezet in de bijlage bij de richtlijnen en omvatten al wat nodig is om de doelstelling van de richtlijn te bereiken. Producten mogen slechts in de handel gebracht en in bedrijf gesteld worden wanneer ze aan de fundamentele voorschriften voldoen.

Over het algemeen dekken de “nieuwe aanpak”-richtlijnen alle typische gevaren verbonden aan het algemene belang dat de richtlijn beoogt te beschermen. Het voldoen aan de EU-wetgeving vereist dan ook vaak de gelijktijdige toepassing van verscheidene “nieuwe aanpak”-richtlijnen en mogelijk ook van andere EU-wetten. Verder is het mogelijk dat bepaalde elementen buiten het bereik van de geldende EU-wetgeving vallen. Dit laat de lidstaten toe nationale wetten op te stellen overeenkomstig artikels 28 en 30 van het Verdrag.

In tegenstelling tot andere “nieuwe aanpak”-richtlijnen die fundamentele voorschriften vastleggen, van toepassing op deze producten binnen hun bereik, hebben de fundamentele voorschriften zoals in de BPR gedefinieerd niet meteen betrekking op bouwproducten maar op het uiteindelijke resultaat van de uitvoering, d.w.z. op de werken als geheel.

TOP

Vrij verkeer

Lidstaten kunnen aannemen dat producten die de CE-markering dragen, voldoen aan alle bepalingen van de toepasselijke richtlijnen die het aanbrengen van voornoemde markering voorzien. Bijgevolg mogen lidstaten het in de handel brengen en in bedrijf stellen van producten met CE-markering niet verbieden, beperken of belemmeren tenzij de bepalingen m.b.t. de CE-markering incorrect werden toegepast.

In het kader van de BPR betekent dit dat de lidstaten kunnen aannemen dat de producten geschikt zijn voor hun beoogde gebruik als ze de werken waarin ze zijn verwerkt, in staat stellen aan de fundamentele voorschriften van de richtlijn te voldoen wanneer deze producten de CE-markering dragen die aangeeft dat ze voldoen aan alle bepalingen van deze richtlijn, inclusief de comformiteitsbeoordelingprocedures.

TOP

Vermoeden van conformiteit

Producten die voldoen aan de nationale normen die de omzetting van geharmoniseerde normen vormen, waarvan de referenties in het Officiële Publicatieblad van de Europese Unie zijn gepubliceerd, worden geacht aan de overeenkomstige fundamentele voorschriften te voldoen. Indien de fabrikant een dergelijke norm niet of slechts gedeeltelijk heeft toegepast, moet hij de genomen maatregelen evenals hun adequaatheid om aan de fundamentele voorschriften te voldoen, documenteren.

Wat dit fundamentele element betreft, wijkt de BPR af van de andere “nieuwe aanpak”-richtlijnen. Om de fundamentele voorschriften te specificeren die op bouwwerken van toepassing zijn en om een correlatie met de gebruiksgeschiktheid van bouwproducten te bepalen, voorziet de BPR het opstellen van basisdocumenten. Deze documenten beogen verbanden te leggen tussen de fundamentele voorschriften (met klassen of niveaus aangegeven voor elk voorschrift) en de mandaten voor schrijvers van technische specificaties (CEN en EOTA), om de producten te kenmerken en de correcte toepassing van de richtlijn te vergemakkelijken.

In het kader van de BPR zijn de technische specificaties:
  • de geharmoniseerde Europese normen, aangenomen door CEN (of CENELEC), gebaseerd op mandaten verleend door de Europese Commissie;
  • Europese technische goedkeuringen (ETA’s) verleend voor producten waarvoor er geen geharmoniseerde of erkende nationale normen bestaan, of wanneer de Commissie van oordeel is dat er (nog) geen norm kan worden opgesteld (bijvoorbeeld voor innovatieve producten), of voor producten die aanzienlijk afwijken van de geharmoniseerde normen.
Men zou kunnen stellen dat de ETA-weg overeenstemt met de normale “nieuwe aanpak”-richtlijnen voor producten die niet aan geharmoniseerde normen voldoen.

TOP

Conformiteitsbeoordeling (verklaring van overeenstemming)

Voor hij een product binnen de EU in de handel brengt, moet de fabrikant zijn product onderwerpen aan de conformiteitsbeoordelingprocedures die in de toepasselijke richtlijn voorzien zijn, voor hij de CE-markering aanbrengt. Derden-conformiteitsbeoordelingen worden uitgevoerd door attesteringsinstanties die door de lidstaten worden aangewezen en geselecteerd uit de instanties die aan de in de richtlijn gespecificeerde vereisten voldoen en op hun grondgebied gevestigd zijn.

Bijlage III van de BPR betreffende de verklaring van overeenstemming brengt de conformiteitsbeoordelingmethodes, de systemen van verklaring van overeenstemming en de instanties die bij de verklaring van overeenstemming betrokken zijn, met elkaar in verband. Deze systemen verschillen van de modules die in andere “nieuwe aanpak”-richtlijnen worden gebruikt.

TOP

CE-markering

Producten die voldoen aan alle bepalingen van de toepasselijke richtlijn(en) die het aanbrengen van de CE-markering voorzien, moeten de CE-markering dragen. Zo geeft deze markering in het bijzonder aan dat de producten aan de fundamentele voorschriften van alle toepasselijke richtlijnen voldoen en dat ze werden onderworpen aan een conformiteitsbeoordelingprocedure zoals in de richtlijn voorzien. Verder zijn de lidstaten verplicht de nodige maatregelen te nemen om de CE-markering te beschermen.

In het kader van de BPR betekent de CE-markering:
  • dat de producten voldoen aan de betreffende nationale normen die de omzetting van de geharmoniseerde normen vormen, waarvan de referenties in het Officiële Publicatieblad van de Europese Unie (OPEU) zijn gepubliceerd; of
  • dat de producten voldoen aan een Europese technische goedkeuring, verleend volgens de procedures beschreven in hoofdstuk III van de BPR, en aan de gemeenschappelijke procedureregels uiteengezet in de in 1994 aangenomen Beschikking van de Commissie; of
  • dat de producten voldoen aan nationale technische specificaties die, volgens de procedure voorzien in artikel 4(3) van de BPR, gebruik maken van het vermoeden van conformiteit met de fundamentele voorschriften voor werken voor zover er geen geharmoniseerde normen bestaan. De lidstaten moeten de referentie van deze nationale technische specificaties publiceren. De Europese Commissie publiceert ze eveneens in het Officiële Publicatieblad van de Europese Unie (deze derde optie werd nog niet toegepast).
TOP

Omzetting en overgangsregelingen

De lidstaten dienen de bepalingen van de richtlijnen in hun nationale wetgeving op te nemen. Ze moeten de Commissie van de genomen maatregelen op de hoogte brengen.

De lidstaten moeten het in de handel brengen van producten, overeenkomstig de op datum van toepassing van de betreffende richtlijn binnen hun grondgebied geldende verordeningen, toelaten tot de datum voorzien door de richtlijn. Bepaalde beperkingen in acht genomen, moet eveneens worden toegelaten dat dergelijke producten na deze datum in bedrijf worden genomen.

De BPR voorziet geen toepassingsdatum. Volgens de BPR is het de beschikbaarheid van de geharmoniseerde normen, of de ETA-leidraden, die de toepassing van de BPR voor een product of productfamilie in werking stelt.

TOP

Andere relevante richtlijnen die geen CE-markering vereisen

Naast de “nieuwe aanpak”-richtlijnen zijn er andere richtlijnen die een belangrijke rol spelen in het systeem van de Europese productwetgeving. In dit document wordt naar deze richtlijnen verwezen als horizontale richtlijnen omdat ze niet voor specifieke productgroepen gelden maar voor producten in het algemeen.

De richtlijn inzake algemene productveiligheid (2001/95/EG)

De richtlijn inzake algemene productveiligheid (92/59/EEG) werd aangenomen in 1992. Ze is van toepassing sinds juni 1994 en is in alle EU-lidstaten in de nationale wetgeving opgenomen. Onlangs hebben het Europese Parlement en de Raad een nieuwe richtlijn (2001/95/EG) inzake hetzelfde onderwerp aangenomen, waardoor de vorige sinds 15 januari 2004 is vervangen.

De richtlijn inzake algemene productveiligheid beoogt ervoor te zorgen dat in de handel gebrachte consumentenproducten geen gevaar inhouden onder normale gebruiksvoorwaarden. Ze eist dat fabrikanten alleen veilige producten in de handel brengen en dat ze gevaren melden. Ze verplicht de lidstaten eveneens toezicht te houden op de producten die op de markt verkrijgbaar zijn en de Commissie te informeren over de acties die worden ondernomen op basis van een vrijwaringsclausule procedure of op basis van de informatieprocedure voor ernstige en onmiddellijke gevaren.

De richtlijn inzake algemene productveiligheid dekt nieuwe, gebruikte en herstelde producten bestemd voor consumenten of producten die door consumenten zouden kunnen worden gebruikt en die via commerciële activiteiten worden geleverd. Artikel 2 van de richtlijn beperkt de toepasbaarheid van de veiligheidseisen van de richtlijn tot de producten waarvoor er geen veiligheidsvoorschriften bestaan in de EU-wetgeving (d.w.z. andere richtlijnen).

Omdat de Bouwproductenrichtlijn veiligheidsvoorschriften voorziet voor de bouwproducten, wordt er aangenomen dat de richtlijn inzake algemene productveiligheid niet van toepassing is op bouwproducten wat de fundamentele voorschriften voor de bescherming van de veiligheid en gezondheid van de gebruikers van werken betreft. De bescherming van de veiligheid en gezondheid van de werknemers valt buiten het bereik van de BPR. Markttoezichtsaspecten uit de richtlijn zijn echter tevens van toepassing op bouwproducten.

TOP

De productaansprakelijkheidsrichtlijn (85/374/EEC)

Doel van de productaansprakelijkheidsrichtlijn (85/374/EEG) is de aanpassing van de wetten van de lidstaten betreffende de aansprakelijkheid voor producten, om te zorgen voor een hoog niveau van bescherming van de consument tegen schade aan gezondheid of goederen door een product met gebreken, en het verkleinen van de verschillen tussen de nationale aansprakelijkheidswetten, die de mededinging uit balans brengen en het vrije verkeer van goederen beperken.

De productaansprakelijkheidsrichtlijn is van toepassing op alle producten die door “nieuwe aanpak”-richtlijnen worden gedekt en bijgevolg ook op de BPR. Ze verplicht de fabrikanten veilige producten te vervaardigen om de kosten verbonden aan de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, te vermijden. De “nieuwe aanpak”-richtlijnen en de productaansprakelijkheidsrichtlijn zijn dan ook aanvullende elementen in het creëren van een adequaat beschermingsniveau.

De fundamentele regel van de productaansprakelijkheidsrichtlijn is dat de fabrikant aansprakelijk is voor schade aan personen of goederen die door een gebrek van zijn product is veroorzaakt.

Fabrikanten van een afgewerkt product of van een onderdeel van een afgewerkt product, fabrikanten van grondstoffen, personen die zichzelf als fabrikant voorstellen (bijvoorbeeld door een handelsmerk aan te brengen) en invoerders die producten van derden-landen op de interne markt brengen, worden beschouwd als fabrikanten overeenkomstig de productaansprakelijkheidsrichtlijn. Indien de fabrikant niet kan worden geïdentificeerd, is elke leverancier van het product aansprakelijk, tenzij hij de persoon die schade heeft geleden binnen een redelijke tijd de identiteit van de fabrikant meldt of de identiteit van de persoon die hem het product heeft geleverd. Zijn verscheidene personen aansprakelijk voor dezelfde schade, dan zijn ze gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk.

De productaansprakelijkheidsrichtlijn eist niet dat de lidstaten enige andere aansprakelijkheidswetgeving intrekken. In dit opzicht wordt het stelsel van de richtlijn aan de bestaande nationale aansprakelijkheidsregels toegevoegd. Het slachtoffer dient zelf te bepalen op welke grond hij een rechtsvordering instelt.

TOP

De informatierichtlijn (98/34/EC)

Nieuwe handelsbelemmeringen die voortvloeien uit het aannemen van uiteenlopende nationale technische normen en verordeningen, kunnen worden voorkomen d.m.v. een procedure die door Richtlijn 98/34/EG1 wordt voorzien. De lidstaten zijn verplicht de Commissie en de andere lidstaten op de hoogte te brengen van ontwerpen voor technische verordeningen en normen. Tijdens de status-quo-periode die op deze kennisgeving volgt, worden de ontwerpen niet meteen aangenomen om de Commissie en de andere lidstaten de kans te geven te reageren. Volgen er geen reacties binnen de status-quo-periode, dan kunnen de ontwerpverordeningen en –normen worden aangenomen. Meestal bedraagt de status-quo-periode drie maanden; indien er reeds aan een richtlijn wordt gewerkt, bedraagt ze echter twaalf maanden. Richtlijn 98/34/EG geeft de Commissie eveneens de mogelijkheid de Europese normalisatie-instellingen - na raadpleging van de lidstaten – te vragen Europese normen uit te werken.

De TRIS-website (http://europa.eu.int/comm/enterprise/tris/) werd opgezet om alle geïnteresseerden de kans te geven informatie over de 98/34-procedure te raadplegen en op te vragen.

TOP

Richtlijnen inzake overheidsopdrachten

Overheidsopdrachten zijn onderworpen aan de EU- en aan internationale regels. Deze regels verplichten de aankopers van de overheidssector tot de naleving van transparante open procedures, waardoor billijke mededingingsvoorwaarden ontstaan voor de geïnteresseerde leveranciers. Het openstellen van overheidsopdrachten voor mededinging maakt een doeltreffende toewijzing van overheidsgelden mogelijk door de best mogelijke resultaten te verzekeren op het vlak van kwaliteit en kosten, terwijl bedrijven de voordelen van de eengemaakte markt optimaal kunnen benutten.

Voor de bouwsector zijn de volgende drie richtlijnen bijzonder belangrijk:
  • Richtlijn 92/50/EEG – Coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor diensten;
  • Richtlijn 93/36/EEG – Coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen;
  • Richtlijn 93/37/EEG – Coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken.
Via deze richtlijnen worden alle overheidsentiteiten gevraagd aanbestedingen uit te schrijven waarop bedrijven uit heel Europa kunnen inschrijven als het geraamde bedrag van de opdracht een in de richtlijnen gespecificeerd drempelbedrag overschrijdt. De richtlijnen schrijven ook de procedures voor het publiceren van de aanbestedingen en de beslissingen met betrekking tot de opdrachten voor.

Bij het beschrijven van de dienst, de levering of het werk, dient de aanbestedende entiteit gebruik te maken van de Europese normen of van de Europese technische goedkeuringen. Wanneer:
  • deze niet beschikbaar zijn, of
  • ze geen bepalingen bevatten voor het vaststellen van de conformiteit,of
  • het gebruik van deze de contracterende overheid zou verplichten tot:
    • het aankopen van producten of materialen die incompatibel zijn met de reeds in gebruik zijnde apparatuur; of
    • het aangaan van onevenredige kosten; of
    • het zich op de hals halen van onevenredige technische moeilijkheden,

kunnen andere technische documenten worden gebruikt.
Deze vereiste van de richtlijnen inzake overheidsopdrachten benadrukt het belang van Europese normen en Europese technische goedkeuringen die opgesteld zijn overeenkomstig de BPR.

In 2000 vaardigde de Europese Commissie een voorstel uit voor een richtlijn inzake de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen, diensten en werken, die het bovenstaande combineerde. Dit voorstel leidde tot de publicatie van richtlijn 2004/18/EG van het Europese Parlement en van de Raad van 31 maart 2004 inzake de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidopdrachten voor werken, leveringen en diensten. Er wordt van de EU-lidstaten verwacht dat ze de wetten, verordeningen en administratieve bepalingen nodig om aan deze richtlijn te voldoen, uiterlijk op 31 januari 2006 van kracht maken.

TOP


 

Noot 1: Gewijzigd door Richtlijn 98/48/EG van het Europese Parlement en van de Raad van 20 juli 1998.