Wetgeving van de EU


Geschiedenis van de Europese Unie

In 1950 legde de toenmalige Franse minister van buitenlandse zaken, de heer Schuman, zijn voorstel voor de oprichting van een georganiseerd Europa voor. Volgens hem was dit onontbeerlijk om vreedzame relaties te handhaven. Dit voorstel, bekend als de "Schuman-verklaring”, wordt gezien als het begin van wat nu de Europese Unie is.

De Europese Unie ontsproot uit de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) die in 1951 werd opgericht door de zes stichtende landen: België, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Nederland en West-Duitsland. Deze zes leden richtten de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM) op. Doel van de EEG was het oprichten van een douane-unie gebaseerd op "vier vrijheden": vrij verkeer van goederen, diensten, kapitaal en personen. EURATOM beoogde de niet-militaire kernmiddelen van de staten te bundelen.

De EEG was veruit de belangrijkste van de drie gemeenschappen en werd opgericht door het Verdrag van Rome (1957). Rond die tijd (1960-1961) wou de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA), een alternatieve organisatie, een vrijhandelszone (geen douane-unie) oprichten waarvan ook Oostenrijk, Denemarken, Finland, IJsland, Ierland, Liechtenstein, Noorwegen, Portugal, Zweden, Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk deel zouden uitmaken.

Denemarken, Groot-Brittannië en Ierland vervoegden de EEG in 1973. In 1981 kwam ook Griekenland erbij en in 1986 traden Portugal en Spanje toe. De overeenkomst m.b.t. de Europese Economische Ruimte (EER) werd in 1992 ondertekend door de toenmalige 12 EU-lidstaten en de EVA-landen Oostenrijk, Finland, IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Zweden. Hoewel Zwitserland eveneens deel uitmaakt van de EVA-groep, besloot dit land de EER niet te vervoegen.

Het EU-Verdrag uit 1992, ook bekend als het “Verdrag van Maastricht”, zette de fundamentele principes uiteen voor de oprichting van een eengemaakt Europa op economisch en monetair vlak. Het Verdrag van Maastricht resulteerde eveneens in het herdopen van de EEG in de “Europese Gemeenschap” (EG). Na de ratificering van het Verdrag in 1993 vond de benaming “Europese Unie” (EU) ingang.

In 1995 verlieten Oostenrijk, Finland en Zweden de EVA om lid te worden van de EEG. In hetzelfde jaar ondertekende Liechtenstein de EER-overeenkomst. Het Verdrag van Amsterdam (1997) leidde tot belangrijke wijzigingen aan het EU-Verdrag dat in Maastricht was ondertekend.

Nadat ze met succes van zes tot vijftien leden was uitgegroeid, werd de Europese Unie geconfronteerd met de grootste uitbreiding ooit in termen van omvang en diversiteit. Op 1 mei 2004 kwamen er tien landen bij: Cyprus, de Tsjechische Republiek, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, de Slowaakse Republiek, en Slovenië. Bulgarije en Roemenië hopen er tegen 2007 bij te horen, terwijl Turkije1 en Kroatië kandidaat-lidstaten zijn waarvoor nog geen toetredingsdatum is vastgelegd.

Een groot deel van de bestaande Europese technische verordeningen gelden eveneens voor Noorwegen, IJsland en Liechtenstein. Samen met de lidstaten van de EU ondertekenden deze drie lidstaten van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) een verdrag om de Europese Economische Ruimte (EER) te vormen, de handelsbarrières tussen de landen te verwijderen en het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal in Europa te bevorderen. Bijgevolg geldt de Bouwproductenrichtlijn van de EU voor de 25 lidstaten van de Europese Unie en voor Noorwegen, IJsland en Liechtenstein. Zwitserland2 , dat eveneens EVA-lid is, maakt geen deel uit van de EER en wordt dan ook als een “derde-land” beschouwd.

TOP
 

De eengemaakte markt

Artikel 2 van het EEG-Verdrag legt de taak op de harmonieuze ontwikkeling van economische activiteiten, voortdurende en evenwichtige uitbreiding, grotere stabiliteit, een snelle stijging van de levensstandaard en nauwere relaties tussen de lidstaten te bevorderen. Dit diende te gebeuren door het openstellen van de grenzen om het vrije verkeer van personen, goederen en diensten te vergemakkelijken en door de solidariteit te bevorderen d.m.v. gemeenschappelijke beleidslijnen en financiële instrumenten.

De uitbreiding van de technische normen maakte de afscheiding van markten in het begin van de jaren 1980 echter alleen maar erger. Bovendien namen sommige lidstaten die bijzonder zwaar werden getroffen door de recessie die op de oliecrisis van 1973 en 1980 volgde, maatregelen om hun markten tegen de alsmaar groeiende internationale concurrentie te beschermen. In 1985 zette de Commissie een dramatische stap. Ze publiceerde een Witboek waarin duidelijk werd gesteld dat er al te veel vertragingen waren geweest, dat er nog steeds te veel belemmeringen het creëren van de groeizone die een markt van meer dan 380 miljoen consumenten zou kunnen vertegenwoordigen, in de weg stonden.

Dit Witboek zette de twaalf lidstaten ertoe aan in februari 1986 de Europese Akte te ondertekenen. Deze bevatte een blauwdruk en een tijdschema voor het aannemen van de maatregelen die vereist waren om één enkele (of interne) markt te creëren en alle handelsbelemmeringen weg te werken. Voorbeelden van nationale maatregelen die een vrije handel belemmeren, zijn: douanerechten, belastingen met gelijkwaardige uitwerking, kwantitatieve handelsbeperkingen en maatregelen die een gelijkwaardige uitwerking hebben, nationale monopolies, overheidshulp en belastingdiscriminatie. Het vrije verkeer van goederen is geformuleerd in artikel 28 van het Verdrag van Rome en stelt dat kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen met gelijkwaardige uitwerking verboden zijn tussen de lidstaten. Artikel 29 zegt dat kwantitatieve uitvoerbeperkingen en alle maatregelen met gelijkwaardige uitwerking verboden zijn tussen de lidstaten, die alle kwantitatieve uitvoerbeperkingen en alle maatregelen met gelijkwaardige uitwerking moeten afschaffen.

Maar artikel 30 laat uitzonderingen op de regel van de kwantitatieve handelsbeperkingen toe, o.a. op basis van de openbare veiligheid en de bescherming van de gezondheid en het leven van personen, dieren en planten. De meeste nationale technische verordeningen zijn gebaseerd op de factoren ‘openbare gezondheid’ en ‘veiligheid’ en de lidstaten hebben lange tijd gebruik gemaakt van de uitzonderingsregel die door artikel 30 werd voorzien om hun nationale voorschriften te handhaven. Bijgevolg werden fabrikanten en invoerders geconfronteerd met verschillende technische voorschriften in de verschillende lidstaten. Hierdoor moest een product soms enkele malen worden gewijzigd voor het in de hele Europese markt kon worden verkocht. Het is dan ook duidelijk dat deze verschillende nationale technische voorschriften handelsbelemmeringen vormen en dat ze in strijd zijn met de doelstellingen van de Europese Unie.

TOP
 

Wederzijdse erkenning

In 1979 stelde het Europese Hof van Justitie dat een product (in dit geval een Franse zwartebessenlikeur) dat wettig wordt verkocht in één van de lidstaten, in een andere lidstaat niet kan worden verboden (Cassis de Dijon-uitspraak). Deze uitspraak keert de bewijslast om door te stellen dat een lidstaat die een dergelijk product van zijn markt wil weren, moet aantonen waarom conformiteit met de voorschriften van een andere lidstaat zijn burgers niet afdoende zou beschermen. Zo werd het principe van de wederzijdse erkenning van wetten vastgelegd en werden de mogelijkheden de uitzonderingen van artikel 30 te gebruiken, beperkt.

Verder stelde het Hof ook dat alleen bij ontstentenis van gemeenschapsregels voor een bepaald gebied overheidsacties en maatregelen om oneerlijke praktijken te onderdrukken, toegelaten zijn op basis van de uitzonderingen die in artikel 30 van het EG-Verdrag worden vermeld. Zijn er echter gemeenschapsregels, dan kunnen de lidstaten niet langer vasthouden aan nationale maatregelen die handelsbeperkingen creëren of ertoe leiden zoals bedoeld in artikel 30. Met andere woorden, als er gemeenschapsverordeningen, -richtlijnen of -beschikkingen bestaan die technische voorschriften voor bepaalde producten opleggen, hebben deze voorrang op de nationale regel en zal deze laatste niet langer wettelijk zijn, omdat hij tot handelsbeperkingen leidt.

De taak een EEG-wetgeving uit te werken om de diverse nationale wetten en verordeningen te vervangen, werd eveneens aangenomen als een amendement bij het Verdrag van Rome.

Sinds 1985 leidde de toepassing van het principe van wederzijdse erkenning ertoe dat tal van richtlijnen inzake het vrije verkeer van goederen werden beperkt tot het vastleggen van generische "fundamentele voorschriften" en conformiteitsbeoordelingprocedures, waarbij de definitie van de details van de technische oplossingen werd overgelaten aan de diverse sectoren, om ze daarna in niet-verplichte geharmoniseerde normen op te nemen.

Als er geen EU-richtlijnen bestaan voor het betreffende product, en voor de BPR voor zover er geen geharmoniseerde technische specificaties van toepassing zijn, betekent de toepassing van het principe van wederzijdse erkenning dat de lidstaat van bestemming zijn markt niet kan sluiten voor een product dat wettelijk wordt vervaardigd en/of verkocht in een andere lidstaat of in Turkije, of dat wettelijk wordt vervaardigd in een EVA-land dat contractuele partij is m.b.t. de EER-overeenkomst, op voorwaarde dat dit product een gelijkwaardig niveau van bescherming biedt voor de diverse legitieme belangen. De lidstaat van bestemming heeft het recht de gelijkwaardigheid van het door het product geboden beschermingsniveau te controleren, vergeleken met het niveau dat door de eigen nationale regels wordt geboden. De recente interpretatieve mededeling van de Commissie m.b.t. de wederzijdse erkenning (2003/C 265/02) stelt praktische middelen voor om de gelijkwaardigheid van het beschermingsniveau te onderzoeken.

TOP
 

Instrumenten van de Europese wetgeving

De wetten uitgevaardigd door de instellingen van de Europese Unie in uitoefening van hun door de Verdragen toegekende machten, worden de secundaire wetgeving genoemd. De secundaire wetgeving bestaat uit de wettelijke akten opgesomd en gedefinieerd in artikel 249 van het EU-Verdrag, d.w.z. verordeningen, richtlijnen, beschikkingen, aanbevelingen en opinies.

Verordeningen
zijn wettelijke instrumenten die algemeen van toepassing zijn. Ze zijn eerder van toepassing op abstracte dan op individuele situaties. Alle bepalingen van de verordeningen zijn bindend. Dit betekent dat een lidstaat niet gemachtigd is verordeningen slechts gedeeltelijk toe te passen of alleen die bepalingen toe te passen die door de betreffende lidstaat worden goedgekeurd. Verordeningen zijn ook meteen van toepassing. Dit betekent dat verordeningen niet door de respectieve lidstaten in nationale wetten moeten worden omgezet om van kracht te zijn.

Richtlijnen
zijn wettelijke instrumenten die de dubbele doelstelling – zorgen voor de nodige uniformiteit binnen de Europese wetgeving en de diversiteit van nationale tradities en structuren respecteren - verzoenen. Wat de te halen resultaten betreft, zijn de richtlijnen bindend voor de lidstaten. De respectieve nationale overheden kunnen echter zelf beslissen hoe de in de richtlijn vastgelegde EU-doelstelling voor een gespecificeerde datum in hun nationale wettelijke systemen moet worden opgenomen. Een richtlijn krijgt slechts kracht van wet en uitwerking wanneer de datum voor de implementatie van de richtlijn verstreken is.

Een beschikking is een individueel besluit dat voor een specifieke persoon of voor specifieke personen geldt. Beschikkingen zijn slechts bindend voor de personen waarop ze betrekking hebben, zonder dat ze in nationale wetten moeten worden geïmplementeerd.

Aanbevelingen3
en opinies zijn niet-bindende instrumenten van de EU-wetgeving. Het zijn slechts overredingsmiddelen.

TOP
 

De nieuwe aanpak

Tot 1985 beoogde het beleid de verwijdering van de belemmeringen gevormd door de nationale technische verordeningen, door te trachten de technische productiespecificaties te harmoniseren, eerder dan door prestatieniveaus vast te leggen. Deze aanpak van de harmonisatie werkte vrij traag en wel om twee redenen:
  • de wetgeving werd bijzonder technisch aangezien ze beoogde aan de individuele eisen van elke productcategorie te voldoen;
  • het aannemen van technische harmoniseringrichtlijnen was gebaseerd op unanimiteit in de Raad.
OP 7 mei 1985 nam de Raad een resolutie aan inzake een “Nieuwe aanpak” van de technische harmonisering en de technische normen, waardoor een nieuw kader voor de harmonisering van nationale verordeningen voor industriële producten werd gecreëerd. De nieuwe aanpak beoogde de voltooiing van de interne markt te vergemakkelijken en een flexibele en technologieneutrale wetgeving te ontwikkelen door van gedetailleerde productspecifieke technische eisen over te stappen op het bepalen van de fundamentele voorschriften voor soorten producten, wat innovatie en concurrentievermogen in de hand moest werken.

In 1989 werd deze aanpak aangevuld door de resolutie van de Raad inzake een algemene aanpak van de conformiteitsbeoordeling, gevolgd door twee andere beschikkingen van de Raad waarin meer gedetailleerde specificaties betreffende de test- en certificatieprocedures werden beschreven en leidraden werden gegeven voor het gebruik van de CE-markering, bedoeld om in de harmonisatierichtlijnen gebruikt te worden.

De voornaamste elementen van de nieuwe aanpak werden gedefinieerd in de resolutie van de Raad inzake een nieuwe aanpak m.b.t. de technische harmonisatie en normalisatie.
  • De definitie van verplichte fundamentele voorschriften met het oog op een doorgedreven bescherming van zaken van algemeen belang, zoals veiligheid en gezondheid. Fundamentele voorschriften moeten worden verwoord in termen die uniform door de lidstaten ten uitvoer gelegd kunnen worden. Verder moeten ze de instellingen belast met de conformiteitsbeoordeling de mogelijkheid bieden de conformiteit van producten te beoordelen aan de hand van fundamentele voorschriften en de normalisatie-instellingen in staat stellen normen te ontwikkelen die er geheel of gedeeltelijk voor zorgen dat aan deze fundamentele voorschriften wordt voldaan;
  • Fabrikanten zijn vrij zelf de geschikte technische oplossing te kiezen die aan de fundamentele voorschriften voldoet. Producten die voldoen aan geharmoniseerde normen, waarnaar wordt verwezen in het Officiële Publicatieblad van de Europese Unie, worden geacht aan de overeenkomstige fundamentele voorschriften te voldoen;
  • De definitie van passende conformiteitsbeoordelingprocedures, o.a. rekening houdend met het soort risico dat aan de producten verbonden is. Indien nodig vereisen deze procedures de tussenkomst van derden-instanties bevoegd om de conformiteit te beoordelen, attesteringsinstanties of aangemelde instellingen genoemd;
  • De invoering van de CE-markering, die aangeeft dat de fabrikant heeft gecontroleerd of het product aan alle betreffende harmonisatiebepalingen voldoet en of het aan de toepasbare conformiteitsbeoordelingprocedures onderworpen werd;
  • De verplichting van de lidstaten alle vereiste tenuitvoerleggingsmaatregelen te nemen, inclusief markttoezicht, om ervoor te zorgen dat niet-conforme producten uit de handel worden genomen.
De Bouwproductenrichtlijn (BPR) kan worden beschouwd als een speciale richtlijn volgens de nieuwe aanpak, omdat ze afwijkt wat bepaalde van de voornoemde fundamentele aspecten betreft.

Op 10 november 2003 nam de Raad van het Europese Parlement een resolutie inzake de communicatie van de Europese Commissie m.b.t. de verbetering van de implementatie van de “nieuwe aanpak”-richtlijnen. De relevante passages zijn in deze website opgenomen omdat ze de richting aangeven waarin de BPR in de toekomst kan evolueren.

De “nieuwe aanpak”-website (http://www.newapproach.org) werd opgezet om de zichtbaarheid van de normalisatie volgens de nieuwe aanpak in Europa te vergroten en informatie over het normalisatieproces in het kader van de nieuwe aanpak te verstrekken.

TOP
 

Externe aspecten van de interne markt

Protocollen bij de Europa-overeenkomsten inzake conformiteitsbeoordeling en aanvaarding van industriële producten

De Europa-overeenkomsten vormen de basisakkoorden die de bilaterale relaties tussen de Europese Unie en haar lidstaten en elk kandidaatland regelen. Volgens de bepalingen van de Europa-overeenkomsten dienen EU-kandidaatlanden hun wetgeving aan die van de EU aan te passen. Wat de industriële normen en de conformiteitsbeoordeling betreft, beogen de Europa-overeenkomsten de volledige conformiteit van de kandidaatlanden met de technische verordeningen van de EU en de Europese normalisatie- en conformiteitsbeoordelingsprocedures te bekomen. Ze voorzien eveneens het sluiten van overeenkomsten inzake wederzijdse erkenning op deze vlakken.

Daarom onderhandelt de EU momenteel over aanvullende protocollen bij de Europa-overeenkomsten inzake conformiteitsbeoordeling en aanvaarding van industriële producten (PEOA’s) met de kandidaatlanden (Bulgarije, Kroatië, Roemenië en Turkije).

PEOA’s creëren nog voor de toetreding een ruimere interne markt voor producten uit bepaalde industriële sectoren. Voor de betrokken landen zijn ze dan ook bijzonder belangrijk op politiek en economisch vlak. De PEOA’s erkennen dat er vooruitgang is geboekt in het aannemen en implementeren van de relevante EG-wetgeving inzake industriële producten en in het creëren van de vereiste administratieve infrastructuur. Ze zijn eveneens belangrijk voor de EU omdat ze de voordelen van de interne markt uitbreiden d.m.v. een sectoriële aanpak, op basis van de door de kandidaatlanden geïdentificeerde sectoren.

TOP
 

Partnerschappen voor de toetreding

Partnerschappen voor de toetreding vormen het sleutelelement van de versterkte pré-toetredingsstrategie van de Europese Unie, samen met pré-toetredingshulp (het Phare-programma, landbouwsteun, structurele steun) en deelname aan de communautaire programma’s. Ze zijn gebaseerd op Verordening nr. 622/98 van de Raad inzake de verlening van steun aan de kandidaat-lidstaten in het kader van de pré-toetredingsstrategie, en in het bijzonder op het vormen van partnerschappen voor de toetreding.

Er werden partnerschappen voor de toetreding opgezet voor de kandidaat-landen Bulgarije, Roemenië en Turkije. Ze zijn gespecificeerd in beschikkingen van de Raad m.b.t. de principes, prioriteiten, tussendoelstellingen en voorwaarden vervat in het partnerschap voor de toetreding. De meest recente partnerschappen voor de toetreding van Bulgarije, Roemenië en Turkije dateren uit 2003.

Deze partnerschappen bevatten precieze verbintenissen vanwege de kandidaatlanden, in het bijzonder m.b.t. democratie, macro-economische stabilisering, industriële herstructurering, kernveiligheid en de aanvaarding van het ‘acquis’; de nadruk wordt gelegd op de prioriteitsgebieden geïdentificeerd in elk van de meningen van de Commissie m.b.t. de EU-lidmaatschapsaanvragen van de kandidaatlanden

De partnerschappen voor de toetreding dekken het vrije verkeer van goederen als prioriteit op korte termijn en eisen dat kandidaatlanden het nodige doen om:
  • technische en administratieve handelsbelemmeringen weg te werken;
  • het aanpassen aan en het toepassen van de Europese normen te versnellen;
  • voor het vrije verkeer van goederen te zorgen, overeenkomstig de interne-marktwetgeving;
  • de certificatie, de conformiteitsbeoordeling en de CE-markering te implementeren overeenkomstig de richtlijnen volgens de nieuwe en algemene aanpak;.
  • de bestaande markttoezicht- en conformiteitsbeoordelingstructuren te versterken d.m.v. de vereiste apparatuur en training, en een compatibele administratieve infrastructuur te creëren.
  • te zorgen voor de implementatie van de nieuwe wetgeving inzake overheidsopdrachten;
  • alle werk verbonden aan de wederzijdse erkenning en het aanvaarden van het acquis wat de niet-geharmoniseerde gebieden betreft (artikels 28, 29 en 30 van het EG-Verdrag en verbonden wetgevende instrumenten) uit te voeren.
Voor sommige landen heeft het partnerschap voor de toetreding reeds geleid tot de omzetting van de Bouwproductenrichtlijn in de nationale wetgeving; in 2001 gebeurde dit voor Bulgarije (onder revisie) en in 2004 voor Turkije. De andere kandidaatlanden werken nog aan de omzettingen.

Ook met andere landen werden Europese partnerschappen overeengekomen op basis van Verordening nr. 533/2004 van de Raad. Er bestaat een dergelijk partnerschap voor Bosnië en Herzegovina, en voor Albanië en Kroatië zijn er ontwerpen opgesteld.

Op 29 oktober 2001 werd een Stabilisatie- en Associatieovereenkomst (SAO) ondertekend met Kroatië. Sinds 1 maart 2002 is een interimovereenkomst betreffende handels- en aanverwante aangelegenheden van kracht. De nieuwe SAO die op 1 januari 2005 inging, is de eerste omvattende overeenkomst tussen de EU en Kroatië en dekt gebieden zoals de vier vrijheden, met de oprichting van een vrijhandelszone tegen 2007 en het aanpassen van de Kroatische wetgeving aan het communautaire acquis, inclusief precieze regels inzake mededinging, intellectuele-eigendomsrechten en overheidsopdrachten.

TOP
 

Overeenkomsten tot wederzijdse erkenning

In haar relaties met derden-landen streeft de Europese Unie ernaar de internationale handel te bevorderen. Voor gereguleerde producten gebeurt dit door het sluiten van overeenkomsten tot wederzijdse erkenning (OWE’s) op basis van artikel 133 van het Verdrag.

Overeenkomsten tot wederzijdse erkenning worden gesloten tussen de EU en de regering van derden-landen met een vergelijkbaar niveau van technische ontwikkeling en een compatibele aanpak wat de conformiteitsbeoordeling betreft.

Deze overeenkomsten steunen op de wederzijdse aanvaarding van testverslagen, certificaten en conformiteitsmerken uitgegeven door de conformiteitsbeoordelingsinstanties van een van de partijen van de overeenkomst, overeenkomstig de wetgeving van de andere partij.

OWE’s zijn sectoriële overeenkomsten; voor de sector van de bouwproducten zijn er nog geen gesloten.

TOP
 

 

Noot 1: In 1995 richtten de EU en Turkije een douane-unie op. Sinds 1999 is Turkije de 7e grootste uitvoerbestemming van de EU en de 13e grootste uitvoerder naar de EU.
Noot 2: Sinds 1972 bestaat er een vrijhandelsovereenkomst tussen Zwitserland en de Europese Economische Gemeenschap. Daarnaast bestaat er ook een overeenkomst tussen de EU en Zwitserland voor zeven sectoren (vrij verkeer van personen, handel in landbouwproducten, overheidsopdrachten, conformiteitsbeoordelingen, luchtvervoer, weg- en spoorwegvervoer, Zwitserse deelname aan het 5e kaderprogramma voor onderzoek) dat begin 2002 in alle EU-lidstaten werd geratificeerd. De zeven overeenkomsten werden van kracht op 1 juni 2002.
Noot 3: Bijv. de aanbeveling van de Raad van 22 december 1986 m.b.t. de brandveiligheid in bestaande hotels (86/666/EEG) en de aanbeveling m.b.t. het gebruik van de Eurocodes