Basisdocumenten


Algemeen

In artikels 3 en 12 van de BPR wordt uiteengezet dat de basisdocumenten concrete vorm geven aan de fundamentele voorschriften waarnaar in bijlage I van de richtlijn wordt verwezen.

In 1995 werden de basisdocumenten, overeenkomstig artikel 12(3) van de BPR en na een gunstig advies van het Permanent Comité voor de Bouw, in het Officiële Publicatieblad van de Europese Unie gepubliceerd.

De voornaamste doelstelling van de basisdocumenten of interpretatieve documenten (ID’s) is het tot stand brengen van het verband tussen de fundamentele voorschriften en de mandaten die de Commissie aan CEN (en CENELEC) verleent om geharmoniseerde normen uit te werken en aan EOTA om leidraden voor de Europese technische goedkeuringen op te stellen. Hiertoe werd rekening gehouden met de volgende aspecten bij het opstellen van de basisdocumenten:
  • harmonisatie van de terminologie en van de technische basisconcepten of de identificatie van de behoefte aan een dergelijke harmonisatie;
  • indicatie van klassen of niveaus voor elk fundamenteel voorschrift, waar nodig en mogelijk is;
  • indicatie van de methodes voor de correlatie tussen klassen of niveaus en de technische specificaties;
  • gebruik als een referentie voor het opstellen van geharmoniseerde normen en leidraden voor de Europese technische goedkeuringen.
Binnen het kader van de implementatie van de BPR vormen de basisdocumenten eveneens een referentie voor de beoordeling van een bouwproduct in de twee volgende gevallen:
  • artikel 4(4) van de richtlijn, beoordeling van de gebruiksgeschiktheid door een aangemeld laboratorium, indien een fabrikant de bestaande technische specificaties niet of slechts gedeeltelijk heeft toegepast. EG-leidraad I legt het gebruik van dit artikel uit;
  • artikel 9(2) van de richtlijn, beoordeling van de gebruiksgeschiktheid vermeld in een Europese technische goedkeuring, uitgevoerd door goedkeuringsinstanties die samenwerken binnen EOTA wanneer er geen leidraden voor de Europese technische goedkeuringen bestaan of wanneer deze nog niet bestaan (de zogenaamde “Common Understanding of Assessment Procedure” of CUAP).
De basisdocumenten kunnen in de loop van de tijd evolueren en het is mogelijk dat ze verder ontwikkeld zullen worden. Maar omdat de meeste mandaten aan CEN en EOTA reeds zijn verleend, zijn de basisdocumenten minder belangrijk geworden.

Een lidstaat kan de herziening van een of meerdere basisdocumenten vragen om voorgestelde bijkomende regelgevende voorschriften m.b.t. de prestaties van bouwwerken binnen het bereik van de fundamentele voorschriften onder te brengen. Dergelijke aanvragen dienen prioritair behandeld te worden door de Commissie en door het Permanent Comité voor de Bouw, zonder afbreuk te doen aan het proces van de formele notificatie volgens richtlijn 98/34.

TOP

Prestatieklassen

In bepaling 1.2 van elk basisdocument wordt een onderscheid gemaakt tussen de prestatieklassen van producten die gerechtvaardigd zijn om redenen overeenkomstig artikel 3(2) van de BPR (d.w.z. wegens verschillende klimaatvoorwaarden, verschillende beschermingsniveaus,...) en de “klassen” die door de schrijvers van specificaties kunnen worden gebruikt om het de fabrikanten en aankopers makkelijker te maken om de productprestaties in verband te brengen met het beoogde gebruik of om een product op basis van zijn kenmerken te definiëren.

Overeenkomstig artikel 3(2) zijn klassen bindend voor de lidstaten. Ze kunnen slechts op bindende wijze naar deze klassen verwijzen in wetten en verordeningen.

Momenteel zijn er verplichte klassen voorgeschreven in EG-beschikkingen betreffende:
  • de reactie bij brand, via de EG-beschikking van 8 februari 2000 ter uitvoering van richtlijn 89/106/EEG van de Raad, betreffende de indeling van bouwproducten in klassen van materiaalgedrag bij brand (2000/147/EG);
  • de weerstand bij brand, via de EG-beschikking van 3 mei 2000 ter uitvoering van richtlijn 89/106/EEG van de Raad, betreffende de indeling van bouwproducten in klassen van materiaalgedrag bij brand (2000/367/EG);
  • het gedrag bij brand vanaf de buitenzijde, via de EG-beschikking van 21 augustus 2001 ter uitvoering van richtlijn 89/106/EEG van de Raad, betreffende de indeling van het gedrag van daken en dakbedekkingen bij een brand vanaf de buitenzijde (2001/671/EG).
De andere klassen, geschiktheidsklassen, kunnen door de schrijvers van technische specificaties worden ingevoerd en kunnen worden gebruikt in het kader van overeenkomsten tussen fabrikanten en aankopers, voor aanbestedingen, voor het formuleren van productprestaties op labels of verpakkingen, en, in het kader van de BPR, eveneens als informatie bij de CE-markering; zie EG-leidraad E.

TOP

Levensduur

Bepaling 5.1 van elk basisdocument stelt dat de lidstaten moeten beslissen of ze het nodig achten maatregelen te nemen m.b.t. de levensduur die als redelijk kan worden beschouwd voor elk type werken.

Om eigenaars van gebouwen, ontwerpers en aannemers de mogelijkheid te bieden de juiste producten te kiezen voor de verwachte of vereiste levensduur van de werken, verzoekt bepaling 5.2 van de basisdocumenten dat schrijvers van specificaties de bedoelde levensduur in de specificaties vermelden. Deze bedoelde levensduur mag geenszins worden gezien als een waarborg voor de duurzaamheid van het product.

“Levensduur” wordt in de basisdocumenten gedefinieerd als de tijdsperiode waarin de prestaties van de werken worden gehandhaafd op een niveau dat compatibel is met het voldoen aan de fundamentele voorschriften.

De BPR of de basisdocumenten bevatten geen algemene regels voor de schrijvers van specificaties m.b.t. de keuze van de bedoelde levensduur die mag worden aangenomen in de specificaties. EOTA heeft echter een passende leidraad uitgewerkt die voor de Europese technische goedkeuringen kan worden toegepast.

TOP