De Bouwproductenrichtlijn


Doel en bereik

De Bouwproductenrichtlijn 89/106/EEG van 21 december 1988, gewijzigd door richtlijn 93/68/EEG van 22 juli 1993 en Verordening nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 29 september 2003, beoogt het elimineren van de technische handelsbelemmeringen voor bouwproducten. Dit doel wordt bereikt door de lidstaten te vragen alle nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat alleen producten die geschikt zijn voor het beoogde gebruik, in de handel worden gebracht.

Anderzijds moeten producten die in de ene staat als geschikt voor hun beoogde gebruik worden beschouwd, eveneens in de andere lidstaten gebruikt mogen worden. Het belangrijkste bereik van de richtlijn is het opheffen van ongerechtvaardigde technische belemmeringen voor het vrije verkeer van bouwproducten.

Geschikt voor het beoogde gebruik betekent dat de producten zodanige eigenschappen bezitten dat de bouwwerken waarin ze moeten worden verwerkt, gemonteerd, toegepast of geïnstalleerd, kunnen voldoen aan de fundamentele voorschriften waarvan sprake in artikel 3 van de BPR voor zover deze werken onderworpen zijn aan verordeningen waarin deze voorschriften zijn opgenomen; voorwaarde is uiteraard dat de bouwwerken degelijk ontworpen en uitgevoerd zijn.

In het kader van de BPR betekent “bouwproduct” elk product dat wordt vervaardigd om blijvend deel uit te maken van bouwwerken, waaronder zowel gebouwen als kunstwerken begrepen zijn. Bouwproducten omvatten eveneens installaties en onderdelen van verwarmings-, klimaatregelings-, ventilatie- en sanitaire installaties, elektrische installaties en voorzieningen voor de opslag van milieuschadelijke stoffen, evenals geprefabriceerde bouwwerken die als zodanig in de handel worden gebracht, bijvoorbeeld geprefabriceerde huizen, garages en silo’s.

Daarnaast heeft de Commissie een Leidraad C (richtdocument) uitgegeven, waarin de behandeling van bouwpakketten en -systemen onder de BPR wordt behandeld. Een bouwproduct is een “pakket“ wanneer het bestaat uit een stel van minstens twee afzonderlijke componenten die moeten worden samengevoegd om blijvend in de werken geïnstalleerd te worden. Daar wordt het dan een “gemonteerd systeem”. Een pakket is een bouwproduct, een gemonteerd systeem is dat niet.

Van bouwproducten die aan een geharmoniseerde Europese specificatie overeenkomstig de BPR voldoen en die de CE-markering dragen, wordt aangenomen dat ze geschikt zijn voor het beoogde gebruik.

TOP

Verplichtingen en rechten van de lidstaten

Volgens artikel 6.1 van de Bouwproductenrichtlijn, mogen lidstaten het vrije verkeer en het gebruik van bouwproducten niet belemmeren indien deze aan de voorschriften van de BPR voldoen.

Anderzijds dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat de gebouwen en kunstwerken op hun grondgebied zodanig worden ontworpen en uitgevoerd dat ze de veiligheid van personen, huisdieren en goederen niet in gevaar brengen en dat ze ook aan de andere fundamentele voorschriften voldoen in het belang van het algemene welzijn. Ze kunnen verschillende beschermingsniveaus bieden of verschillende klimaatvoorwaarden creëren. Verordeningen voor werken om aan deze veiligheidsvoorschriften te voldoen (bouwregelgeving), vallen nog steeds onder de nationale bevoegdheid van de lidstaten.

Bij het implementeren van de BPR in de nationale wetgeving dient met deze aspecten rekening gehouden te worden. De nationale wetgeving die de BPR implementeert, moet het vrije verkeer en het in de handel brengen van bouwproducten met CE-markering verzekeren. De nationale wetgeving moet er tevens voor zorgen dat deze producten voor het beoogde doel niet worden belemmerd door regels of voorwaarden opgelegd door overheids- en gelijksoortige instanties. Dit kan betekenen dat bestaande nationale verordeningen betreffende het gebruik van bouwproducten, bijvoorbeeld ontwerp- of installatiebepalingen, moeten worden gewijzigd om het gebruik van producten met CE-markering toe te laten, rekening houdend met de productkenmerkniveaus of -klassen. Om de lidstaten de mogelijkheid te bieden verder te werken met beschermingsniveaus gerechtvaardigd volgens de EU-wetgeving, voorziet de BPR de invoering van klassen van productprestaties of –kenmerken in de geharmoniseerde Europese specificaties.

De lidstaten zijn verplicht ervoor te zorgen dat alleen producten die geschikt zijn voor het beoogde gebruik in de handel worden gebracht en dat producten die onder het bereik van de BPR vallen maar niet aan de voorschriften van de BPR voldoen, uit de handel worden genomen.

Bij het specificeren van mandaten voor CEN en/of EOTA, specificeren de Europese Commissie en de lidstaten de productkenmerken die door de specificaties moeten worden gedekt. D.w.z. de kenmerken die in hun landen voor het betreffende product of de betreffende producten onder regelgeving worden gebracht. Door de harmonisatie is het echter mogelijk dat de prestatiekenmerken (klassen, niveaus, aangegeven waarden,...) in de resulterende Europese technische productspecificaties niet dezelfde zijn als gespecificeerd in de verordeningen van de lidstaten. Naast het voornoemde moeten de lidstaten er dan ook voor zorgen dat hun regelgevingen aan de geharmoniseerde technische productspecificaties zijn aangepast.

TOP

De fundamentele voorschriften en de basisdocumenten

Terwijl de fundamentele voorschriften in andere “nieuwe aanpak”-richtlijnen gericht zijn op de producten zelf, verbindt de BPR de fundamentele voorschriften met de werken. Om werken te bekomen die aan de geldende fundamentele voorschriften voldoen, moeten de producten geschikt zijn voor het beoogde gebruik.

De fundamentele voorschriften voor de werken zijn opgenomen in bijlage I van de BPR. Het gaat om de volgende basiseisen:
  • mechanische sterkte en stabiliteit;
  • brandveiligheid;
  • hygiëne, gezondheid en milieu;
  • gebruiksveiligheid;
  • geluidshinder;
  • energiebesparing en warmtebehoud.
Aan al deze voorschriften en eisen moet, afhankelijk van een normaal onderhoud van de werken, gedurende een economisch redelijke levensduur worden voldaan; dit betekent dat de duurzaamheid van de prestatiekenmerken een allereerste voorwaarde is.

Van deze fundamentele voorschriften en eisen voor de werken, worden dan de kenmerken afgeleid die vereist zijn opdat producten geschikt zouden zijn voor hun beoogde gebruik. De basisdocumenten (artikel 12 van de BPR) leggen het verband tussen de fundamentele voorschriften en eisen en de mandaten die tot de technische specificaties voor producten leiden. De basisdocumenten:
  • geven concrete vorm aan de fundamentele voorschriften en eisen en beschrijven ze nauwkeurig, bijv. door klassen en niveaus op te geven;
  • geven de correlatie tussen de voorschriften voor werken en de productkenmerken aan;
  • bepalen de productkenmerken en hun eventuele klassen waarmee rekening moet worden gehouden in de productspecificaties.
In 1995 publiceerde de Commissie de basisdocumenten in het Officiële Publicatieblad van de Europese Unie.

De veiligheid van de werknemers die de werken uitvoeren, wordt niet door de BPR gedekt. Deze kwestie wordt behandeld door andere richtlijnen of nationale verordeningen.

TOP

Europese technische specificaties

Overeenkomstig de BPR zijn de Europese Technische Specificaties enerzijds Europese productnormen, aangenomen door CEN volgens een mandaat van de Commissie (geharmoniseerde normen), en anderzijds Europese technische goedkeuringen uitgegeven door een lid van EOTA1.

Geharmoniseerde normen worden uitgegeven door CEN/CENELEC. De Commissie beslist of er voor een product een norm of een Europese technische goedkeuring moet worden uitgegeven; hierbij wordt rekening gehouden met de voorwaarden vermeld in artikel 8 van de BPR.

De lidstaten kunnen aannemen dat bouwproducten geschikt zijn voor het beoogde gebruik als ze voldoen aan de voorschriften van de betreffende geharmoniseerde Europese normen of aan een Europese technische goedkeuring.

TOP

Speciale procedures voor bepaalde producten met lagere veiligheidsrelevantie

Artikel 4(4) van de BPR stelt dat producten met een lagere relevantie voor de veiligheid en gezondheid hun gebruiksgeschiktheid kunnen bewijzen door initiële typeonderzoeken uitgevoerd door een aangemelde instelling in plaats van door te voldoen aan een Europese norm of aan een Europese technische goedkeuring. Deze “lagere veiligheidsrelevantie“ wordt aangegeven door het systeem van verklaring van overeenstemming, waartoe door de Commissie werd besloten. In dit geval is er geen productcertificatie of certificatie van de productiecontrole in de fabriek vereist. Deze procedure kan worden toegepast wanneer een fabrikant een bestaande Europese technische specificatie niet of slechts gedeeltelijk heeft toegepast.

Artikel 4(5) betreft de bouwproducten die een minder belangrijke rol spelen op het vlak van veiligheid en gezondheid. Indien deze producten aan de erkende technologieregels voldoen, kan de fabrikant ze, overeenkomstig de BPR, zonder speciale procedure in de handel brengen mits hij een verklaring van overeenstemming opstelt. In overleg met het Permanent Comité voor de Bouw zou de Commissie een lijst van deze producten moeten opstellen. De producten opgesomd door de Commissie overeenkomstig artikel 4(5), mogen niet met de CE-markering in de handel worden gebracht. Voorlopig bestaat er nog geen lijst overeenkomstig artikel 4(5).

TOP

Verklaring van overeenstemming

De belangrijkste allereerste voorwaarde voor het aanbrengen van de CE-markering op een bouwproduct is de verklaring van overeenstemming van het product door de fabrikant. De procedure voor het opstellen van de verklaring van overeenstemming bestaat uit verschillende elementen, die kunnen worden uitgevoerd door de fabrikant, op zijn verantwoordelijkheid, of met de medewerking van een aangemelde, test-, inspectie- of certificatie-instelling.

Het systeem dat voor een product moet worden toegepast, wordt door de Commissie gespecificeerd na overleg met het Permanent Comité voor de Bouw en na een gekwalificeerde meerderheidsstemming:

De beschikking, waarin het systeem wordt vastgelegd, dient rekening te houden met (BPR artikel 13(4)):
  • het belang van de rol van het product m.b.t. de fundamentele voorschriften, in het bijzonder degene die de veiligheid en gezondheid betreffen;
  • de aard van het product;
  • de invloed van de variabiliteit van de productkenmerken op de bruikbaarheid;
  • de vatbaarheid van de productfabricage voor defecten.
De beschikkingen worden gepubliceerd in het Officiële Publicatieblad van de Europese Unie. Ze zijn bindend voor alle fabrikanten. Het Officiële Publicatiblad wordt in alle officiële talen van de Unie gepubliceerd.

TOP

Implementatie van de BPR in de nationale wetgeving

De Bouwproductenrichtlijn is gericht op de lidstaten. Ze is bindend voor de lidstaten en diende in de nationale wetgeving of verordeningen omgezet te worden binnen de 30 maanden na de notificatie ervan, d.w.z. uiterlijk op 27 juni 1991.

De lidstaten kunnen zelf de vorm van de implementatie bepalen zolang het doel van de richtlijn wordt bereikt. De meeste lidstaten implementeerden de BPR door deze in een nieuw verwoorde nationale wet om te zetten (bijvoorbeeld België, Duitsland, Portugal en het VK); Denemarken implementeerde de BPR in zijn originele vorm, woord voor woord.

De bepalingen van de nationale wetten of verordeningen die de BPR implementeren, worden aan de Commissie medegedeeld. De Commissie gaat dan na of de implementatie aan de BPR voldoet. Zo stelde ze vast dat Finland, Ierland, Zweden en het VK de BPR in nationale wetten hadden omgezet maar de richtlijn anders hadden geïnterpreteerd door de CE-markering van bouwproducten niet verplicht te stellen. Hoewel de Commissie hierop reageerde via het Permanente Comité voor de Bouw, blijven deze nationale bepalingen voorlopig onveranderd, waardoor een verdeelde Europese Unie ontstaat.

Bij het implementeren moeten de EU-lidstaten niet alleen het vrije verkeer en het in de handel brengen van bouwproducten met CE-markering verzekeren én ervoor zorgen dat het gebruik van de producten voor het beoogde gebruik niet wordt belemmerd, maar moeten ze eveneens verordeningen opstellen voor het voorzien van de instrumenten die door de BPR worden geëist.

Het gaat bijv. om:
  • het oprichten van instellingen die bevoegd zijn Europese technische goedkeuringen uit te geven;
  • het voordragen van goedkeuringsinstituten aan de Commissie en de andere lidstaten;
  • het oprichten van instellingen voor het testen, inspecteren en certificeren in het kader van de verklaring van overeenstemming (aangemelde instellingen);
  • het opzetten van een systeem voor het erkennen en aanmelden van test-, inspectie- en certificatie-instellingen;
  • het opzetten van een systeem voor het uitvoeren van controles op bepaalde intervallen, om ervoor te zorgen dat de aangemelde test-, inspectie- en certificatie-instellingen nog steeds aan de voorschriften van bijlage IV van de BPR voldoen;
  • het publiceren van leidraden voor de Europese technische goedkeuringen, en
  • het opzetten van een systeem dat ervoor zorgt dat de CE-markering correct wordt gebruikt (markttoezicht).
TOP

Vrijwaringsclausules

De BPR voorziet twee soorten vrijwaringsclausules:
  • Artikel 5(1) van de richtlijn;
  • Artikel 21, d.w.z. uit de handel nemen van producten door de instellingen belast met het markttoezicht.

Artikel 5.1 van de BPR

Indien een lidstaat of de Commissie van mening is dat geharmoniseerde normen, Europese technische goedkeuringen of de EG-mandaten van CEN of EOTA niet aan de bepalingen van artikels 2 en 3 van de BPR voldoen, kan de lidstaat of de Commissie het Permanent Comité voor de Bouw hiervan op de hoogte brengen, waarna dit laatste dringend zijn mening dient te geven.

Rekening houdend met deze mening en na raadpleging van het comité 98/34 (d.w.z. het comité inzake technische normen en verordeningen) dient de Commissie de lidstaten te melden of de norm of technische goedkeuring moet worden geschrapt van de lijst van geharmoniseerde technische specificaties die in het Officiële Publicatieblad van de Europese Unie wordt gepubliceerd.

Momenteel heeft één lidstaat artikel 5(1) éénmaal gebruikt. Daarom heeft het PCB een aantal aanbevelingen uitgewerkt om de geharmoniseerde technische specificaties te verbeteren. Het Comité 98/34 besloot de vermelding niet te schrappen uit de in het OPEU gepubliceerde lijst.

TOP
 

Uit de handel nemen van producten door de overheidsinstanties belast met het markttoezicht

De lidstaten zijn verplicht alle nodige maatregelen te nemen om het in de handel brengen van producten met CE-markering te verbieden of te beperken of om deze producten uit de handel te nemen, als ze de veiligheid en gezondheid van personen of andere publieke belangen gedekt door de toepasselijke richtlijn in gevaar brengen wanneer de producten voor hun beoogde gebruik worden gebruikt.

De lidstaten moeten de Commissie informeren wanneer ze een dergelijke maatregel nemen. Wanneer de Commissie de nationale maatregel gerechtvaardigd acht, informeert ze alle lidstaten die gepaste acties moeten ondernemen op basis van hun algemene verplichting de EU-wetgeving ten uitvoer te leggen.

De vrijwaringsclausule beoogt de Commissie toe te laten de rechtvaardiging van nationale maatregelen die het vrije verkeer van producten met CE-markering (producten waarvan wordt aangenomen dat ze aan de voorschriften voldoen) beperken, te analyseren. Ten tweede vormt ze een middel om alle nationale overheidsinstanties die met het markttoezicht belast zijn, over gevaarlijke producten te informeren en de nodige beperkingen tot alle lidstaten uit te breiden om een gelijkwaardig beschermingsniveau in de hele EU te verzekeren.

Opdat de vrijwaringsclausule van toepassing zou zijn, moet de niet-conformiteit, een systematisch gebrek in het ontwerp van een hele reeks vervaardigde producten, hoe beperkt de reeks ook is, worden vastgesteld. Voor een geïsoleerd gebrek, beperkt tot het grondgebied van de lidstaat die de niet-conformiteit heeft ontdekt, hoeft de vrijwaringsclausule niet ingeroepen te worden, aangezien er geen actie ondernomen moet worden op EU-niveau.

TOP

Belgische omzetting

De BPR is in de nationale wetgeving omgezet door de wet van 25 maart 1996 (gepubliceerd in het Belgische staatsblad van 21 mei 1996) en het Koninklijk besluit van 19 augustus 1998 betreffende de producten bestemd voor de bouw (gepubliceerd in het Belgische staatsblad van 11 september 1998). Ze voorzien een aantal kenmerken die specifiek zijn voor België.

Koninklijk besluit, artikels 5 en 13:
De minister verantwoordelijk voor Infrastructuur, kondigt in het Belgisch staatsblad de referenties van de Belgische technische specificaties aan die worden geacht aan de fundamentele voorschriften van de BPR en van de leidraden voor de Europese technische goedkeuringen te voldoen.

Koninklijk besluit, artikels 10 en 11:
De bestaande Belgische technische typevoorschriften, inclusief de begeleidende procedures voor de verklaring van overeenstemming in voorbereiding van de Europese procedures, blijven van toepassing of zullen van toepassing zijn. Verwijzingen naar NBN’s en naar (nationale) technische goedkeuringen (ATG) zijn voorzien, samen met alternatieve mogelijkheden voor de erkenning van gelijkwaardige verklaringen van overeenstemming indien dit nodig is omwille van de aard van de kwestie. In andere omstandigheden wordt de Benor- of ATG-markering gezien als een mogelijke manier om de overeenstemming aan te tonen. Een waarschijnlijke maar niet de enige manier om deze in te voeren, zijn de basisnormen zoals bepaald in art. 3 van de wet.

Koninklijk besluit, artikel 14:
De minister verantwoordelijk voor Infrastructuur stelt instanties aan die bevoegd zijn om Europese technische goedkeuringen uit te geven.

Koninklijk besluit, artikels 21, 22 en 23:
De minister verantwoordelijk voor Infrastructuur erkent en volgt de certificatie- en inspectie-instellingen en de testlaboratoria op voor de taken die in het kader van de technische goedkeuringen, conformiteitscertificaten, inspecties en tests moeten worden uitgevoerd. Volgens de Belgische wet van 20 juli 1990 is accreditatie verplicht, eventueel op termijn, voor instanties die aangemelde instanties willen worden.

Koninklijk besluit, artikel 25:
Het Koninklijk besluit voorziet dat de minister verantwoordelijk voor Economische Zaken bevoegd is voor alle maatregelen inzake het in de handel brengen en het uit de handel nemen en het markttoezicht.

Koninklijk besluit, artikel 32:
De Technische Commissie voor de Bouw wordt beschouwd als het forum waarin de nationale implementatiekwesties kunnen worden besproken. De commissie bestond al voor het Koninklijk Besluit werd uitgevaardigd en was reeds verantwoordelijk voor de nationale aangelegenheden in verband met de technische bouwkwaliteit (Ministerieel Besluit van 6 september 1991).

Koninklijk besluit, artikels 34 en 36:
Uitsluiting van standaardspecificaties (STS) van het bereik van de richtlijn, omdat de Europese Commissie op het ogenblik van omzetting van de BPR meende dat de standaardspecificaties voor overheidsopdrachten niet tot de administratieve bepalingen m.b.t. de bouwproducten van de lidstaten behoorden.

TOP

 

Noot 1: Theorisch wordt een derde type specificatie in de BPR vermeld, dat eveneens onder de term "technische specificaties" valt, namelijk een nationale norm erkend op EU-niveau. Het is onwaarschijnlijk dat dit derde type specificatie ooit zal worden gebruikt.