Versie

A.3. Voorbeelden

A.3.1. EPB-aanvaarde aansluiting met een spouwmuur

Afbeelding A.5. geeft een schematische weergave van een EPB-aanvaarde aansluiting met een spouwmuur.

Afb. A.5. Grafische voorstelling (principeschema) van een voorbeeld van een EPB-aanvaarde aansluiting met een spouwmuur.

De continuïteit van de thermische-isolatielagen wordt verzekerd door het tussenvoegen van een isolerend bouwdeel.

De hoogte van het isolerende bouwdeel moet zodanig zijn dat :
  • R > R1/2 of
  • R > R2/2 of
  • R > 2.
Conventioneel mag men hiervoor de volledige hoogte van het isolerende bouwdeel beschouwen. We willen er echter wel op wijzen dat dit isolerende bouwdeel over de volledige dakomtrek (d.w.z. ook op de hoogste punten) een contactoppervlakte dcontact dient te vertonen die gelijk is aan de helft van de isolatiedikte.

A.3.2. EPB-aanvaarde dakopstanden

Afb. A.6. Grafische voorstelling (principeschema) van een voorbeeld van een geïsoleerde EPB-aanvaarde dakopstand.
Afb. A.7. Grafische voorstelling (principeschema) van een voorbeeld van een EPB-aanvaarde dakopstand uit geïsoleerd metselwerk.

Afb. A.8. Grafische voorstelling (principeschema) van een voorbeeld van een EPB-aanvaarde dakopstand die voldoet aan basisregel 3.
Om als EPB-aanvaarde bouwknoop beschouwd te worden, zou de dakopstand aan één van de volgende drie voorwaarden moeten voldoen :
  • ofwel dient de thermische isolatie continu over de dakopstand door te lopen (zie afbeelding A.6.). In dit geval wordt de continuïteit van de thermische-isolatielagen verzekerd door de thermische isolatie van de dakopstand (verticaal en horizontaal). Vermits deze thermische isolatie aanzien wordt als de tussenvoeging van een isolerend deel, dient ze tegelijkertijd te voldoen aan de λ-waarde-eis, de R-waarde-eis en de contactlengte-eis. De λ-waarde-eis en de contactlengte-eis vormen in principe geen probleem. De dikte van de thermische isolatie tegen de dakopstand zou echter steeds zodanig moeten zijn dat :
    • R > Rdakisolatie/2 of
    • R > Rspouwmuurisolatie/2 of
    • R > 2.
    Wanneer het volumeaandeel van de houten kepers op de opstand minder dan 10 % bedraagt, wordt dit toegelaten als een EPB-aanvaarde bouwknoop
  • ofwel dient men gebruik te maken van een bijkomend isolerend deel (zie afbeelding A.7.). In dit geval wordt dezelfde redenering gevolgd als voor het voorgaande punt
  • ofwel dient men ervoor te zorgen dat de dakopstand verticaal thermisch geïsoleerd is en bovendien zodanig hoog is dat het kortste traject tussen de binnen- en de buitenomgeving dat nergens een isolatielaag of isolerend deel snijdt, groter is dan 1 m (zie afbeelding A.8.).

A.3.3. EPB-aanvaarde dakopstanden met differentiële bewegingen

Ten gevolge van het verplichte L-ijzer langs de randen is een lineaire bouwknoop in dit geval niet te vermijden en zal men bijgevolg steeds moeten overgaan tot de berekening van de ψ-waarde of het hanteren van de forfaitaire waarde.

Afb. A.9. Grafische voorstelling (principeschema) van voorbeelden van EPB-aanvaarde dakopstanden met differentiële bewegingen.

Voor de afbeeldingen A.9A, B en C werd er een indicatieve ψ-waarde van respectievelijk 0,048, 0,07 en 0,096 W/mK berekend (wat groter is dan de ψe,lim van 0 W/mK, maar kleiner is dan de respectievelijke forfaitaire waarde van 0,9 of 1,05 voor een buiten- en een binnenhoek).

Door het voorzien van een bijkomende thermische isolatie bovenop de dakopstand onder de muurkap (zie afbeelding A.9C) kan in ons voorbeeld de ψ-waarde verlaagd worden van 0,096 tot 0,081 W/mK.

A.3.4. EPB-aanvaarde dakopstanden bij een geprefabriceerde lichtkoepel

Voorbeeld van een EPB-aanvaarde dakopstand
met koepels en lichtstraten.
Afb. A.10. Voorbeeld van een EPB-aanvaarde dakopstand met koepels en lichtstraten.

Wanneer er een isolerend bouwdeel voorzien wordt (zie § 5.5.4.), dient dit te voldoen aan de drie voornoemde eisen (λ-waarde, R-waarde, contactlengte). De redenering is identiek aan deze uit § A.3.1., met dit verschil dat voor de R-waarde-eis geldt dat : R ≥ Rdakisolatie/2 of R ≥ 1,5 (zie opmerking uit het kadertje onder A.2.).

Als alternatief zou men de koepel op een drukvast isolatiemateriaal kunnen plaatsen of opteren voor een hogere thermisch isolerende koepelopstand (zie § 5.5.4.).

A.3.5. EPB-aanvaarde dakopstanden bij hanggoten

Aangezien de houten kepers ter bevestiging van de hanggoot (nr. 1 uit afbeelding A.11.) zich buiten de thermische snede bevinden, vormt deze opstand geen lineaire bouwknoop waardoor hij noch aan de λ-waarde-eis, noch aan de R-waarde-eis, noch aan de contactlengte-eis dient te voldoen.

Wanneer de houtfractie in de opstand (nr. 2 uit afbeelding A.11.) minder dan 10 % bedraagt, wordt deze hanggoot toegelaten als een EPB-aanvaarde bouwknoop. Zoniet zal men moeten overgaan tot de berekening van de ψ-waarde van dit detail of zal men de forfaitaire waarde moeten hanteren.

  1. Houten kepers ter bevestiging van de hanggoot
  2. Houtfractie in de opstand
Afb. A.11. Grafische voorstelling (principeschema) van een voorbeeld van een EPB-aanvaarde dakopstand met hanggoten.

A.3.6. EPB-aanvaarde dakopstand bij dorpels

De overgang tussen de dakisolatie (R1) en de thermische isolatie in de spouwmuur (R3) dient als een lineaire bouwknoop beschouwd te worden (zie afbeelding A.12.). Deze overgang werd EPB-aanvaardbaar gemaakt door het tussenplaatsen van een isolerend bouwdeel : de thermische snede R2. Deze dient aan dezelfde eisen te voldoen als in § A.3.1..

De overgang tussen de spouwisolatie en het buitenschrijnwerk dient eveneens als een lineaire bouwknoop aanzien te worden.

Aangezien de thermische isolatie van het verliesoppervlak (R3) onderbroken wordt door een materiaal met een geringere warmteweerstand (R4) zal deze gelijktijdig moeten voldoen aan de λ-waarde-eis, de R-waarde-eis en de contactlengte-eis. Gelet op het feit dat er in dit geval normaalgesproken steeds voldaan is aan de λ-waarde-eis en de contactlengte- eis, zal men enkel nog moeten overgaan tot de controle van de R-waarde-eis (R4 ≥ R3/2 of 1,5). Aan deze eis kan voldaan worden door een isolatiemateriaal toe te passen dat minstens half zo dik is als de spouwisolatie. Wanneer de λ-waarde van het isolatiemateriaal achter de dorpel kleiner is, kan een geringere dikte gebruikt worden.

In dit geval dient men er echter steeds op toe te zien dat de continuïteit van de isolatielagen verzekerd wordt door een minimale contactlengte met het buitenschrijnwerk te respecteren. De dikte van het isolatiemateriaal moet met andere woorden minstens gelijk zijn aan de helft van de breedte van het schrijnwerkprofiel d5 (schrijnwerk zonder thermische snede) of zodanig groot zijn dat minstens de volledige breedte van de thermische snede overlapt wordt.

Afb. A.12. Grafische voorstelling (principeschema) van een voorbeeld van een EPB-aanvaarde dakopstand met toegangsdeuren en dorpels.