Versie

A.2. EPB-aanvaarde bouwknopen

Een bouwknoop is EPB-aanvaard wanneer hij aan minstens één van de volgende voorwaarden voldoet (zie afbeelding A.1.) :
  • ofwel dient hij te beantwoorden aan de van toepassing zijnde grenswaarde : ψe ≤ ψe,lim
  • ofwel dient hij te beantwoorden aan één van de basisregels voor een koudebrugarm detail.

A.2.1. Manieren om te voldoen aan de grenswaarde ψe,lim

Men dient erop toe te zien dat de ψe-waarden kleiner zijn dan de ψe,lim-waarden. De ψe-waarden kunnen ofwel berekend worden, ofwel ontleend worden aan een databank (voor zover de geometrie van de bouwknoop en de λ-waarden van de beschouwde materialen identiek zijn aan deze uit de databank).

Voor platte daken dient men in principe enkel de volgende ψe,lim-waarden te beschouwen :
  • buitenhoek ter hoogte van een dakopstand (zie hiervoor de afbeeldingen uit hoofdstuk 6) : ψe,lim = 0 W/mK
  • binnenhoek ter hoogte van een doorlopende opgaande gevel (zie hiervoor de afbeeldingen 37 en 38) : ψe,lim = 0,15 W/mK
  • aansluiting met een venster of een deur (zie hiervoor afbeelding 40) : ψe,lim = 0,1 W/mK.

A.2.2. Manieren om te voldoen aan de basisregels

Om beschouwd te mogen worden als een koudebrugarm detail, moet de bouwknoop aan één van de volgende drie basisregels voldoen :
  • ofwel wordt de continuïteit van de isolatielagen verzekerd door een minimale contactlengte
  • ofwel wordt de continuïteit van de isolatielagen verzekerd door de tussenvoeging van bijkomende isolerende delen (zie § A.2.2.1. tot § A.2.2.3.)
  • ofwel zorgt men ervoor dat de weg van de minste warmteweerstand zo groot mogelijk is. Het kortste traject tussen de binnen- en buitenomgeving (of tussen de binnenomgeving en een aangrenzende onverwarmde ruimte) dat nergens een isolatielaag of een isolerend deel snijdt, dient groter te zijn dan 1 m (zie afbeelding A.8.).
De dakdetails bij platte daken zullen in de regel aan de tweede basisregel moeten voldoen. Dit wil zeggen dat de toegevoegde isolerende delen tegelijkertijd zullen moeten beantwoorden aan de λ-waardeeis, de R-waarde-eis en de contactlengte-eis (zie afbeelding A.2.).

A.2.2.1. λ-Waarde-eis

Tabel A.1 geeft enkele voorbeelden van materialen die volgens bijlage A van het transmissiereferentiedocument als isolerende delen gebruikt kunnen worden.

Mechanische bevestigingen met een warmtegeleidbaarheid van meer dan 0,2 W/mK die de koude zijde van een isolerend deel rechtstreeks verbinden met de warme zijde ervan, zijn enkel toegestaan indien de som van de secties van deze bevestigingen niet groter is dan 1 cm² per strekkende meter lineaire bouwknoop.

Afb. A.1. Grafische voorstelling (principeschema) van voorwaarden waaraan een bouwknoop moet voldoen om EPB-aanvaard te worden.


Afb. A.2. Grafische voorstelling (principeschema) van voorwaarden waaraan de toegevoegde isolerende delen moeten voldoen.


Plaatselijke onderbrekingen van het isolerende deel door een ander materiaal met een warmtegeleidbaarheid van maximum 0,2 W/mK zijn enkel toegestaan indien het volume-aandeel van het andere materiaal ten opzichte van het totale volume van het isolerende deel niet meer bedraagt dan 10 % (bv. de houten kepers in de afbeeldingen 79, tot 81).

A.2.2.2. R-Waarde-eis

Naarmate de kwaliteit van de isolatielagen toeneemt (vastgelegd in de warmteweerstanden R1 en R2), zal ook de warmteweerstand R van het isolerende deel groter moeten zijn : R ≥ de kleinste waarde van R1/2 en R2/2 en 2 (zie afbeelding A.3.).

Afb. A.3 Grafische voorstelling van de R-waarde-eis.
Tabel A.1. Materialen die men volgens bijlage A van het transmissiereferentiedocument als isolerende delen kan gebruiken.
Materiaal λ-waarde
Betonstenen van geëxpandeerde klei (ρ ≤ 600 kg/m³) 0,19 tot 0,13 W/mK
Cellenbetonblokken (ρ ≤ 700 kg/m³) 0,2 tot 0,09 W/mK
Hout (hard-, loof- of naaldhout) 0,18 tot 0,13 W/mK



Opmerkingen
De dikte van het isolerende deel moet loodrecht op de thermische-snedelijn (d.i. de blauwe stippellijn op de volgende afbeeldingen) gemeten worden. Indien de thermische-snedelijn het isolerende deel in twee richtingen doorkruist, dan zijn er twee R-waarden voor hetzelfde isolerende deel van toepassing, die allebei aan de voorwaarden moeten voldoen.

Een isolatielaag kan uit meerdere bouwlagen bestaan, voor zover deze zonder tussenliggende luchtlaag onafgebroken op elkaar aangesloten zijn en elk van de betrokken bouwlagen een λ-waarde van maximum 0,2 W/mK heeft.

Isolerende bouwdelen die zich naast elkaar bevinden volgens de richting van de thermische-snedelijn, worden elk afzonderlijk beoordeeld ten opzichte van de globale aangrenzende isolatielagen (veelal gaat het hier om de dak- en spouwisolatie).

Bij de toevoeging van een isolerend bouwdeel tussen een thermische-isolatielaag en het schrijnwerk wordt de R-waarde van het belendende schrijnwerk niet in rekening gebracht (bv. ter hoogte van een dakkoepel). Men bekomt dan per uitzondering dat : R ≥ de kleinste waarde tussen Risolatielaag/2 en 1,5.


Afb. A.4. Grafische voorstelling van de contactlengte-eis.

A.2.2.3. Contactlengte-eis

Een isolerend deel dient minstens de helft van de dikte van de aangrenzende isolatielaag (dx) of van zijn eigen dikte (disol) te overlappen : dcontact ≥ 0,5 min(disol, dx) (zie afbeelding A.4.).