Publicatiedatum : februari 2012

9.3. Aansluitingstabellen en aandachtspunten

De tabellen 6 tot en met 13 (hieronder en op de volgende bladzijden) werden opgesteld op basis van de ervaringen van diverse fabrikanten en geven een overzicht van de verbindbaarheid van de verschillende types afdichtingen.

Indien men zich wil vergewissen van de actualiteit van deze gegevens, raden we echter wel steeds aan om de betreffende fabrikanten te raadplegen.

Hierna volgt een overzicht van de in de tabellen gebruikte symbolen :
  • V : beide materialen zijn waterdicht verbindbaar
  • NV : beide materialen zijn niet waterdicht verbindbaar
  • (V) : beide materialen zijn verbindbaar, doch hun combinatie is niet gebruikelijk
  • V(F) : beide materialen zijn verbindbaar, maar het verdient de aanbeveling om de fabrikant te contacteren
  • S : een bijkomende studie is vereist
  • NVT : niet van toepassing.
Tabel 6 Aansluitingen van bitumineuze afdichtingen.
Materiaal waarop het bitumen aangesloten wordt Verbindingstechniek
Tegen een opstand (§ 9.2.1) Rechtstreekse overlapverbinding (§ 9.2.2) Met behulp van een strook uit een derde materiaal (§ 9.2.3)
Vlamlassen (§ 9.2.2.1) Lassen met warme lucht (§ 9.2.2.1) Verkleven met pasta (§ 9.2.2.2) Afdichtingsmembraan als verbindingsstrook (§ 9.2.3.1) Vloeibare afdichting als verbindingsstrook (§ 9.2.3.2)
Over de overlapverbinding In de overlapverbinding
Bitumineuze afdichting (V) V (1)(2) (V) (1) V (1) NVT V (3) V (4)
EPDM-afdichting V NV (5) NV (5) NV (5) NVT V (7) V(F)
EPDM/SBSafdichting V V (1)(2)(6) V (1) V (1)(6) V V V
PVC-afdichting V NV (5)(8) V(F) (9) NVT V(F)
TPE-afdichting V NV (5) NVT NVT S
Vloeibare afdichting V NV NVT NVT V
(1)Oudere bitumineuze afdichtingen dienen eerst gereinigd te worden. De eventuele losse leischilfers of fijne granulaten moeten met een staalborstel verwijderd worden. De hechtende leischilfers dienen in het oppervlak gedrukt te worden na de opwarming ervan. Om het stof te fixeren, kan het oppervlak nadien met een bitumenvernis ingestreken worden. Bij bitumineuze materialen (met uitzondering van SBS-gemodificeerd bitumen en bitumengecacheerde elastomeren) wordt een overlapverbinding met warme lucht slechts weinig toegepast omdat de lastijd in voorkomend geval – gelet op de lagere warmte-energie – langer is dan bij het vlamlassen.
(2)Het smeltpunt van APP-bitumen ligt hoger dan dat van SBS-bitumen. Om beide soorten bitumen met elkaar te verbinden door vlamlassen, zal men de vlam dan ook voornamelijk op het APP-membraan moeten richten. Het is eveneens mogelijk om conform afbeelding 126B een APP/SBS-combibaan in de overlapverbinding te voorzien.
(3)Het aanbrengen van een verbindingsstrook in de overlapverbinding heeft enkel nut bij de verbinding van een APP-afdichting met een SBSafdichting waarbij de verbindingsstrook opgebouwd is uit een APP/SBS-combibaan.
(4)Niet gebruikelijk, behalve bij het inklemmen met behulp van een vloeibare verbindingsstrook (zie afbeelding 127B of C) als variante op (3).
(5)Bitumenbanen mogen niet op kunststofafdichtingen en vloeibare afdichtingen gevlamlast worden. Bij een dergelijke opwarming wordt de structuur van deze afdichtingen immers vernietigd. Lassen met warme lucht levert dan weer te lage temperaturen op om een goede hechting tussen beide materialen te realiseren. Men zal dan ook zijn toevlucht moeten nemen tot een overlapverbinding met behulp van een strook uit een derde materiaal (zie § 9.2.3).
(6)Vlamlassen is alleen mogelijk op de SBS-zijde. Het aanbrengen van contactlijm of pasta mag enkel gebeuren op de EPDM-zijde.
(7)Met behulp van een EPDM/SBS-combibaan.
(8)Bitumen is niet verenigbaar met PVC met monomere weekmakers (PVC(M)). In voorkomend geval kunnen er immers weekmakers vanuit het PVC naar het bitumen beginnen te migreren. Voor hun onderlinge verbinding zal er dan ook een strook uit een derde materiaal toegepast moeten worden, zoals een strook uit EVA, die met beide materialen compatibel en verbindbaar is (zie afbeelding 126B). PVC met polymere weekmakers (PVC(P)) is tijdelijk verenigbaar met bitumen. Op lange termijn kan er echter ook hier een migratie van weekmakers optreden.
(9)Met behulp van een EVA-verbindingsstrook (afbeelding 126A).

De tabellen 7 (elastomere afdichtingen) en 8 (plastomere afdichtingen) werden opgesteld voor de meest voorkomende afdichtingen uit de betreffende materiaalgroepen (respectievelijk EPDM en PVC). Voor de overige afdichtingen verdient het de aanbeveling om de betrokken fabrikanten te raadplegen.

Verder werd er rekening gehouden met het feit dat bepaalde afdichtingen weliswaar (tijdelijk) verbindbaar zijn, maar dat hun verenigbaarheid op lange termijn niet gewaarborgd is. Zo is een afdichting uit PVC bijvoorbeeld weldegelijk verbindbaar met een vloeibare afdichting op basis van PUR (PUMA), maar schuilt het probleem in het feit dat er op termijn weekmakers vanuit het PVC naar de vloeibare afdichting kunnen beginnen te migreren (zie tabel 13).

Tabel 7 Aansluitingen van elastomeren (EPDM).
Materiaal waarop het EPDM aangesloten wordt Verbindingstechniek
Tegen een opstand (§ 9.2.1) Rechtstreekse overlapverbinding (§ 9.2.2) Met behulp van een strook uit een derde materiaal (§ 9.2.3)
Vlamlassen (§ 9.2.2.1) Lassen met warme lucht (§ 9.2.2.1) Verkleven met contactlijm of tape (§ 9.2.2.2) Afdichtingsmembraan als verbindingsstrook (§ 9.2.3.1) Vloeibare afdichting als verbindingsstrook (§ 9.2.3.2)
Over de overlapverbinding In de overlapverbinding
Bitumineuze afdichting V V (1) (V) (1) NV V (1) V (1) V(F) (2)
EPDM-afdichting (V) NVT V (3)(4)(5) V (3)(4) NVT V (1) V(F) (2)
PVC-afdichting V NVT NVT NV NVT NVT V(F) (2)
TPE-afdichting V NVT NVT NV NVT NVT S
Vloeibare afdichting V NVT NVT NV NVT V (1) V(F) (2)
(1) Enkel mogelijk met een EPDM/SBS-combibaan. Bovendien bevat vers bitumen oliën die bepaalde EPDM-afdichtingen kunnen aantasten.
(2) In geval van gewapende EPDM-membranen moet de overlap met de gewapende vloeibare afdichting ingeklemd worden (zie afbeeldingen 127B of C). In geval van ongewapende EPDM-membranen moet de overlapverbinding van de te verbinden membranen verankerd worden en moet de vloeibare verbindingsstrook over deze overlapverbinding aangebracht worden (zie afbeelding 127A). EPDM/SBS-combibanen zijn langs de bovenzijde voorzien van een TPE-laagje dat de goede hechting met de meeste vloeibare afdichtingen waarborgt.
(3) Bij de onderlinge verbinding van elastomere membranen dient men strikt de in de ATG’s aanbevolen overlappingstechnieken te volgen. De producten of systemen kunnen doorgaans niet onderling uitgewisseld worden. De samenstelling van de EPDM-membranen verschilt immers van fabrikant tot fabrikant, waardoor het veelal niet mogelijk is om (contact)lijmen en tapes van een andere fabrikant te gebruiken. Ook de richtlijnen voor de realisatie van de overlapverbindingen kunnen verschillen. Zo zullen de thermisch lasbare overlappen van een welbepaald membraan niet zonder meer toegepast kunnen worden op een willekeurig ander EPDM-membraan.
(4) Een rechtstreekse overlapverbinding tussen ongewapende en gewapende EPDM-membranen is enkel mogelijk bij een thermische en dynamische stabilisatie van de baan in de aansluitzone (zie § 9.5).
(5) Enkel mogelijk bij EPDM-afdichtingen met lasbare overlappen of lasbare tape van dezelfde fabrikant.

Tabel 8 Aansluitingen van plastomeren (PVC).
Materiaal waarop het PVC aangesloten wordt Verbindingstechniek
Tegen een opstand (§ 9.2.1) Rechtstreekse overlapverbinding (§ 9.2.2) Met behulp van een strook uit een derde materiaal (§ 9.2.3)
Vlamlassen (§ 9.2.2.1) Lassen met warme lucht (§ 9.2.2.1) Verkleven met contactlijm, pasta of tape (§ 9.2.2.2) Afdichtingsmembraan als verbindingsstrook (§ 9.2.3.1) Vloeibare afdichting als verbindingsstrook (§ 9.2.3.2)
Over de overlapverbinding In de overlapverbinding
Bitumineuze afdichting V NVT NV (1) NVT V(F) (2) NVT V(F)
EPDM-afdichting V NVT NV NVT NVT NVT V(F)
PVC-afdichting (V) NVT V (3)(4)(5) NVT NVT NVT V(F)
TPE-afdichting V NVT NV NVT NVT NVT S
Vloeibare afdichting V NVT NV NVT NVT V(F) (2) V(F) (2)
(1) PVC met monomere weekmakers is niet verenigbaar met bitumen of PUR (noch als isolatiemateriaal, noch als vloeibare afdichting), aangezien de weekmakers uit het PVC kunnen beginnen te migreren. Voor hun onderlinge verbinding zal dan ook een strook uit een derde materiaal vereist zijn (zie § 9.2.3). PVC met polymere weekmakers is tijdelijk verenigbaar met bitumen. Op lange termijn is er echter ook hier een migratie van de weekmakers uit het PVC te vrezen.
(2) Gebruik van een EVA-verbindingsstrook (zie afbeelding 126A).
(3) De lasbaarheid van de bovenzijde van bestaande PVC-afdichtingen kan beginnen af te nemen ten gevolge van een verdamping van de weekmakers aan het oppervlak. In het geval van een thermische verlassing moet de lasbaarheid bijgevolg nagegaan worden.
(4) Het lassen van een PVC-membraan met monomere weekmakers op een PVC-membraan met polymere weekmakers wordt eerder afgeraden. Zo dient men er enerzijds rekening mee te houden dat het lasvenster bij PVC met polymere weekmakers kleiner is. Anderzijds zullen de monomere weekmakers zich in de contactzone tussen beide banen beginnen te verdelen waardoor het PVC met monomere weekmakers sneller bros wordt en een grotere nakrimp zal vertonen (risico op scheurvorming juist na de overlap).
(5) Bij het thermisch lassen van een gewapend PVC-membraan met een ongewapend PVC-membraan dient de ongewapende baan dikker te zijn dan de gewapende om de differentiële thermische uitzetting tussen beide materialen te beperken : de ongewapende baan zal bij opwarming immers meer uitzetten dan de gewapende.

Tabel 9 Aansluitingen van thermoplastische elastomeren (TPE).
Materiaal waarop de TPE aangesloten worden Verbindingstechniek
Tegen een opstand (§ 9.2.1) Rechtstreekse overlapverbinding (§ 9.2.2) Met behulp van een strook uit een derde materiaal (§ 9.2.3)
Vlamlassen (§ 9.2.2.1) Lassen met warme lucht (§ 9.2.2.1) Verkleven met contactlijm, pasta of tape (§ 9.2.2.2) Afdichtingsmembraan als verbindingsstrook (§ 9.2.3.1) Vloeibare afdichting als verbindingsstrook (§ 9.2.3.2)
Over de overlapverbinding In de overlapverbinding
Bitumineuze afdichting V NVT NVT NVT NVT NVT S (4)
EPDM-afdichting V NVT NVT NVT NVT NVT S (4)
PVC-afdichting V NVT NVT NVT NVT NVT S (4)
TPE-afdichting (V) NVT V (1)(2)(3) NVT NVT NVT (V) (4)
Vloeibare afdichting V NVT NVT NVT NVT NVT S (4)
(1) Vermits TPE-afdichtingen een grote uitzettingscoëfficiënt hebben, dient men steeds toe te zien op de thermische en dynamische stabilisatie van de baan in de aansluitzone (zie § 9.5).
(2) Onmiddellijk na de plaatsing (al na enkele dagen) kan er zich een oxidelaagje beginnen te vormen op het oppervlak van de afdichting dat eerst weggeschuurd dient te worden.
(3) Er zal veelal een primer noodzakelijk zijn. De aanbevelingen van de betrokken fabrikanten dienen hieromtrent ingewonnen te worden.
(4) Een bijkomende studie is sowieso noodzakelijk. In geval van een vloeibare verbindingsstrook zal men deze in principe enkel kunnen aanbrengen over de overlapverbinding (zie afbeelding 127A). De thermische stabiliteit van een TPE-afdichting is immers onvoldoende om deze met de vloeibare afdichting te kunnen inklemmen.

Tabel 10 Onderlinge aansluiting van vloeibare afdichtingen.
Vloeibare afdichting (onderlaag) Vloeibare afdichting (toplaag)
PU Polyurea PU/bitumenhybride Flexibel onverzadigd polyester PMMA PU/PMMAhybride (PUMA) MS-polymeer
PU V V V V(F) V(F) V(F) V
Polyurea V V S V(F) V(F) S V
PU/bitumenhybride S S V S V S V
Flexibel onverzadigd polyester V(F) V(F) NV V V V V
PMMA V(F) V(F) NV V V V V(F)
PU/PMMAhybride (PUMA) V(F) S S S S V V(F)
Watergebaseerde polymeren V(F) V(F) S NV S V(F) V(F)
Polymeergemodificeerd bitumen S S S S S S V
Veerkrachtig onverzadigd polyester V(F) V(F) S V V V V(F)
Warm polymeergemodificeerd bitumen S S S NV NV NV S
Bitumenemulsies S S S NV NV NV S
MS-polymeer V(F) S V(F) S S S V

Tabel 11 Aansluitingen van vloeibare afdichtingen op bitumineuze dakbanen (*).
Bitumineuze dakbanen Vloeibare afdichtingen
PU Polyurea PU/bitumenhybride Flexibel onverzadigd polyester PMMA PU/PMMAhybride (PUMA) MS-polymeer
Geoxideerd bitumen V(F) V(F) S V V V V
APP-gemodificeerd bitumen V(F) V(F) V(F) V(F) V(F) V(F) V
SBS-gemodificeerd bitumen V(F) V(F) V V V V V
Gemineraliseerde APPdakbanen V V V V V V V
Gemineraliseerde SBSdakbanen V V V V V V V
(*)De hechting van vloeibare afdichtingen op bitumenbanen met leislag, naakte SBS-afdichtingen en PVC-afdichtingen is doorgaans zeer gemakkelijk te realiseren zonder het gebruik van primers. Bij naakt APP-bitumen, EPDM- en TPE-afdichtingen zijn er doorgaans specifieke primers noodzakelijk om te komen tot een goede hechting. Men dient hieromtrent steeds de nodige inlichtingen in te winnen bij de betrokken fabrikanten.

Tabel 12 Aansluitingen van vloeibare afdichtingen op kunststoffolies (1) (2).
Kunststoffolies Vloeibare afdichtingen
PU Polyurea PU/bitumenhybride Flexibel onverzadigd polyester PMMA PU/PMMAhybride (PUMA) MS-polymeer
Plastomeren PVC V(F) V(F) NV V V V V(F)
CPE S S S V V(F) V(F) S
PIB S S S V V V S
ECB S S S NV S S S
EVA S S S V V V S
PVD S S S S S S S
Thermische elastomeren TPO S S S S S S NV
TPV S S S S S S NV
Elastomeren EPDM V(F) V(F) V(F) V(F) V(F) V(F) V(F)
CR S S S S S S S
IIR S S S NV NV NV S
CSM S S S V(F) V(F) S S
NBR S S S S S S S
(1) De hechting van vloeibare afdichtingen op bitumenbanen met leislag, naakte SBS-afdichtingen en PVC-afdichtingen is doorgaans zeer gemakkelijk te realiseren zonder het gebruik van primers. Bij naakt APP-bitumen, EPDM- en TPE-afdichtingen zijn er doorgaans specifieke primers noodzakelijk om te komen tot een goede hechting. Men dient hieromtrent steeds de nodige inlichtingen in te winnen bij de betrokken fabrikanten.
(2) Bij monomere PVC-afdichtingen dient men voldoende aandacht te schenken aan een goede reiniging. Door de migratie van de weekmakers kan er immers stof en vuil in de poriën van de PVC-afdichting terechtkomen.

Tabel 13 Aansluitingen van vloeibare afdichtingen op verschillende ondergronden.
Ondergronden (1) Vloeibare afdichtingen
PU Polyurea PU/bitumenhybride Flexibel onverzadigd polyester PMMA PU/PMMAhybride (PUMA) MS-polymeer
Uit de betonfamilie Vezelcement V(F) V(F) V V(F) V(F) V(F) V
Beton (cementgebaseerd) V(F) V(F) V V(F) V(F) V(F) V
Cellenbeton V(F) V(F) V V(F) V(F) NV V
Metalen Naakte/niet-gecoate metalen (2) V(F) V V V V V V(F)
Gecoate metalen S S S S S S S
Gelakte staalplaten (3) S S S S S S S
Kunststoffen PVC (hard/vormdelen) V(F) V(F) V(F) V(F) V(F) V V
Polyethyleen NV NV V(F) S S NV NV
Polypropyleen NV NV V(F) S S NV NV
Polycarbonaat V(F) V(F) V(F) V V V V(F)
Polyacrylaat V(F) V(F) V(F) V V V V(F)
Polyester V(F) V(F) V(F) V V V V(F)
Thermische isolatie naakt PU (gespoten) V V(F) S V(F) V(F) V V
PU V V(F) V(F) V(F) V(F) V V
PIR V V(F) V(F) V(F) V(F) NV V
EPS S V(F) NV NV NV NV V
XPS S V(F) NV NV NV NV V
Cellenglas V(F) V(F) V(F) V(F) V(F) NV V
MW V(F) V(F) V(F) V(F) V(F) S V
EPB V(F) V(F) V(F) V(F) V(F) S V
Kurk V(F) V(F) V(F) V(F) V(F) V V
Isolerende lichtgewichtmortel S V(F) V(F) NV S V(F) S
gecacheerd Bitumen V(F) V(F) V(F) V(F) V(F) V(F) V
Aluminium V(F) V(F) V(F) V(F) V(F) V(F) V
Andere S S S S S S S
Steenachtigen Baksteen V(F) V(F) V(F) V(F) V(F) V V
Natuursteen V(F) V(F) NV V(F) V(F) V V(F)
Tegels V(F) V(F) S V(F) V(F) V V
Houtfamilie Massief hout V V(F) V V(F) V(F) V V
Plaatmateriaal (niet-gecoat) V V(F) V V(F) V(F) V V
Glas V(F) V(F) V(F) V(F) V(F) V V
Oude ondergronden Oude afdichtingen Zie tabellen 11 en 12
Oude verven/ coatings S S S S S S S
Voegkitten (elastisch) Polysulfide V(F) NV S NV NV V(F) V
Polyurethaan V V V(F) NV V(F) V(F) V
Acrylaat V(F) V V(F) V(F) V(F) V(F) V
Siliconen NV V NV NV NV NV NV
MS-polymeer V(F) S V(F) S S V(F) V
Bitumen S V(F) V(F) V(F) V(F) V(F) V
Butyl S V(F) S V(F) S S S
Natriumsilicaat S S S S S S S
(1) Deze lijst van ondergronden is niet beperkend. Indien de vloeibare afdichting moet aangesloten worden op een niet-vermelde ondergrond, dient men de fabrikant van het betreffende product te contacteren.
(2) Staal, ijzer, aluminium, zink, messing, koper, lood, …
(3) PVC, siliconenpolyester, PVF2, PVDF, epoxy, …