Versie

8.4. Verticale dakdoorbrekingen

Deze paragraaf heeft betrekking op de doorbrekingen voor waterafvoer, verluchting, elektrische kabels, … Voor meer informatie over schouwen verwijzen we naar § 8.5..

8.4.1. Dakdoorbrekingen met een kleine diameter (< 80 mm)

Doorbrekingen met een kleine diameter (< 80 mm) dienen – behalve bij vloeibare afdichtingen – afgedicht te worden met een hulpstuk met een plakplaat. Deze plakplaat dient – conform de regels voor de aansluitingen met verticale waterafvoeren (§ 3.6.2.1.) – waterdicht met de afdichting aangesloten te worden en verenigbaar te zijn met het afdichtingsmateriaal. Het gebruik van specifieke geprefabriceerde hulpstukken geniet de voorkeur.

Dakdoorbrekingen met een kleine diameter worden meestal gebruikt voor de verluchting van sanitaire installaties. Het gebruik van ventilatiepijpjes ter verluchting van de dakopbouw is daarentegen zinloos, aangezien hun drogingscapaciteit verwaarloosbaar is (zie TV 215 [W3], hoofdstuk 2).

Afbeelding 108 illustreert het algemene principe voor de uitvoering van de aansluiting met een sanitaire verluchting.

  1. Kit
  2. Dakdoorbreking met een kleine diameter (bv. verluchting van een sanitaire installatie)
  3. Afdichting
  4. Thermische isolatie (waarvan de dikte afgestemd dient te worden op de geldende thermische regelgeving)
  5. Dampscherm (zie TV 215 [W3], hoofdstuk 6)
  6. Draagvloer
  7. Mantelbuis
  8. Ter plaatse vervaardigd hulpstuk met plakplaat
Afb. 108 Dakdoorbreking voor een sanitaire verluchting met een diameter van minder dan 80 mm.

Men dient rekening te houden met het feit dat de warme binnenlucht tijdens koudere perioden tegen de binnenzijde van het ventilatiekapje kan condenseren. Om de hiermee gepaard gaande vochtproblemen te vermijden, dient men ofwel te opteren voor geprefabriceerde systemen die het condensatiewater wegleiden (deze oplossing geniet de voorkeur), ofwel voor de afdichting bovenaan van de eventuele opening tussen het hulpstuk en de verluchtingsbuis met behulp van een kit of een rubberen O-ring (zie afbeelding 108). Dit impliceert dat het ventilatiekapje demonteerbaar dient te zijn.

8.4.2. Dakdoorbrekingen met een grote diameter (≥ 80 mm)

Voor dakdoorbrekingen met een grote diameter kan men net zoals in § 8.4.1. gebruik maken van aangepaste, geprefabriceerde hulpstukken met een plakplaat die over de dakdoorbreking worden aangebracht.

Afbeelding 109 geeft de uitvoering weer van de aansluiting met een doorlopende standleiding. De bovenrand van het hulpstuk wordt afgeschermd door een metalen kraag die rond de doorbreking geklemd wordt en bovenaan afgekit. Het gebruik van een klemring om de koker rechtstreeks met de doorvoer te verbinden, is in deze context afgeraden, aangezien de regendichtheid in voorkomend geval slechts moeilijk gewaarborgd kan worden. De hiertoe noodzakelijke kitvoeg is namelijk onderhevig aan aanzienlijke schuifspanningen, wat gepaard gaat met een groot scheur- en onthechtingsrisico.

  1. Dakdoorbreking met een grote diameter (bv. standleiding van een regenwaterafvoer)
  2. Thermische isolatie (waarvan de dikte afgestemd dient te worden op de geldende thermische regelgeving)
  3. Dampscherm (zie TV 215 [W3], hoofdstuk 6)
  4. Draagvloer
  5. Afdichting
  6. Koker met een plakplaat
  7. Kraag
  8. Kit
  9. Mantelbuis
Afb. 109 Dakdoorbreking voor een doorlopende standleiding met een grote diameter (≥ 80 mm).

Voor dampkap- en droogkastafvoeren dient men dan weer de nodige voorzieningen te treffen om het condenseren van de afvoerlucht te vermijden. Hiertoe zal het noodzakelijk zijn om de doorvoer thermisch te isoleren en het condensatiewater af te leiden (zie uitvoeringsdetails op www.wtcb.be).

Bitumineuze afdichtingen kunnen niet rechtstreeks rondom de doorbreking afgewerkt worden. Ze dienen steeds aangesloten te worden op een plakplaat (zoals voorgesteld in afbeelding 109).

Elastische afdichtingen (bv. elastomeren en plastomeren) en vloeibare afdichtingen kunnen in geval van een renovatie eventueel ook zonder plakplaat aangesloten worden (zie hiervoor de uitvoeringsdetails voor elastomeren en plastomeren 108.2, 108.3 en 108.4 in de databank op www.wtcb.be). Deze oplossing impliceert dat de herstellings- en onderhoudswerkzaamheden aan de dakdoorbreking veel ingrijpender en fel bemoeilijkt worden.

De hiervoor besproken detailleringen zijn enkel nuttig bij alleenstaande doorbrekingen, die zich op een minimale afstand van 0,5 m van een opgaande muur bevinden.

De hierna behandelde doorbrekingen bevinden zich steeds tegen of in de onmiddellijke nabijheid (< 0,5 m) van een opgaande muur. Deze situatie is illustratief voor de waterafvoer van boven elkaar liggende balkons. De standleiding van de regenwaterafvoer bevindt zich in voorkomend geval immers vaak slechts op enkele centimeters van de gevel (afbeelding 110).

In deze gevallen moet het hulpstuk voor de afdichting op de bouwplaats vervaardigd worden. Het gaat hier doorgaans om een buisstuk uit lood (voor bitumineuze of elastomere afdichtingen) of uit PVC (voor plastomere afdichtingen), dat voorzien is van een plakplaat. Dit hulpstuk zorgt voor de waterdichtheid van de detaillering en waarborgt de aansluiting van de afdichting. De bovenrand van het hulpstuk wordt afgeschermd door middel van een metalen kraag die rond de dakdoorbreking geklemd wordt en bovenaan afgekit.

  1. Afschotlaag of thermische isolatie
  2. Afdichting
  3. Kraag
  4. Plakplaat
  5. Kit of rubberring
  6. Dakrandafwerking (zie hoofdstuk 5)
  7. Standleiding van de regenwaterafvoer
  8. Dakwaterafvoer
  9. Draagvloer
a ≥ 100 of 150 mm b > 20 mm
Afb. 110 Waterafvoer die bestaat uit een dakwaterafvoer en een doorlopende buis per verdieping (bv. bij balkons).


  1. Afschotlaag of thermische isolatie
  2. Afdichting
  3. Plakplaat
  4. Standleiding van de regenwaterafvoer
  5. Afwerking van de dakopstand (zie hoofdstuk 5)
  6. Dakwaterafvoer
  7. Draagvloer
a ≥ 100 of 150 mm b > 20 mm
Afb. 111 Waterafvoer die bestaat uit een dakwaterafvoer en een doorlopende buis per verdieping (bv. bij balkons) : alternatieve uitvoering.


  1. Afschotlaag of thermische isolatie
  2. Afdichting
  3. Plakplaat
  4. Grindvang
  5. Afwerking van de dakopstand (zie hoofdstuk 5)
  6. Standleiding van de regenwaterafvoer
  7. Dakwaterafvoer
  8. Draagvloer
a ≥ 100 of 150 mm b > 20 mm c ≥ 40 mm
Afb. 112 Aansluiting van de doorlopende standleiding op de dakwaterafvoer.


Afbeelding 111 stelt een alternatieve uitvoering voor. De doorlopende waterafvoer (nr. 4) wordt in voorkomend geval onderbroken en het hulpstuk maakt deel uit van het waterafvoersysteem. Deze oplossing kan praktisch moeilijker uitvoerbaar zijn omdat men erop moet toezien dat de diameters van de verschillende buizen op elkaar aangesloten kunnen worden.

In afbeelding 112 wordt de doorlopende standleiding aangesloten op de dakwaterafvoer. Deze oplossing vereist de plaatsing van een grindvang om het risico op verstoppingen door bladeren of andere elementen tegen te gaan. Een regelmatig onderhoud van deze afvoeren is dan ook geen overbodige luxe.

De grootte van de opening c is afhankelijk van de hoeveelheid af te voeren water. Een minimale afstand van 40 mm is echter in elk geval wenselijk.

Als de afvoerbuis te dicht tegen de gevel ligt – wat in de praktijk doorgaans het geval zal zijn –, dient men deze onderaan van de gevel weg te leiden.

8.4.3. Dakdoorbrekingen voor elektrische kabels

Voor de doorvoering van stroomkabels en dergelijke zijn er specifieke hulpstukken in de handel verkrijgbaar waar de kabel doorgetrokken kan worden (afbeelding 113). In voorkomend geval zal men de plakplaat moeten bevestigen op de ondergrond en vervolgens moeten overgaan tot de aansluiting van de afdichting. Wanneer er zware belastingen op de plakplaat kunnen aangrijpen (bv. bij het doortrekken van een grote bundel kabels), kan de bevestiging doorheen de isolatie onvoldoende zijn en zal men een drukvast isolerend kader moeten voorzien.

Bij bitumineuze en elastomere afdichtingen bestaan het vormstuk en de plakplaat doorgaans uit metaal. Bij plastomere afdichtingen wordt er gewoonlijk gebruik gemaakt van hard PVC.

Om te vermijden dat er inwendige condensatie of onderkoelingscondensatie in dit hulpstuk zou ontstaan, dient men de openingen na het doorvoeren van de kabels respectievelijk langs binnen en langs buiten luchtdicht af te werken.

  1. Luchtdichte afsluiting met gespoten PUR-schuim
  2. Door te voeren kabel
  3. Buis uit metaal of kunststof met een plakplaat
  4. Mechanische bevestiging
  5. Dakafdichting
  6. Dampscherm (zie TV 215 [W3], hoofdstuk 6)
  7. Draagvloer
  8. Thermische isolatie (waarvan de dikte afgestemd dient te worden op de geldende thermische regelgeving)
  9. Mantelbuis
Afb. 113 Dakdoorbreking voor elektrische kabels : afwerking met een gebogen buis uit metaal of kunststof en een plakplaat.