Publicatiedatum : februari 2012

8.2. Algemene principes

Dakdoorbrekingen dienen zo veel mogelijk vermeden te worden. Wanneer ze onvermijdelijk zijn, dient men ervoor te zorgen dat hun aansluitingen met de dakafdichting minstens 150 mm hoger liggen dan het dakvlak en zich eveneens op een hoger niveau bevinden dan de spuwers. Dit kan onder meer bewerkstelligd worden door sokkels te voorzien.

Bij de inplanting van deze voorzieningen dient men voldoende rekening te houden met de dakisolatie en het verloop en de dikte van het afschotbeton, teneinde waterstagnaties in de omgeving van de doorbrekingen te beperken.

De onderlinge tussenafstand tussen de dakdoorbrekingen of sokkels enerzijds en tussen deze elementen en de dakranden anderzijds zou minstens 0,5 m en bij voorkeur 1 m moeten bedragen. Deze afstand is noodzakelijk om de afdichtingswerken naar behoren te kunnen uitvoeren, tenzij er uiteraard gebruik gemaakt wordt van ter plaatse vervaardigde hulpstukken (zie afbeeldingen 110 en 111) of van vloeibare afdichtingen. In voorkomend geval moet de plaats van deze voorzieningen van bij het ontwerp voorzien worden.

Om koudebruggen en dakdoorbrekingen te vermijden, worden de sokkels bij voorkeur op de afdichting en de isolatie geplaatst. De drukvastheid van de isolatie dient dan ook op de belasting van de sokkels afgestemd te worden. Indien de belasting op de sokkels aanzienlijk is, of indien de isolatie een ontoereikende drukvastheid vertoont, moeten de sokkels daarentegen rechtstreeks op de draagconstructie rusten en hier zo nodig op bevestigd worden (zie § 8.6.).

In Bijlage 1 vindt men een overzicht van alle maatregelen die getroffen dienen te worden om koudebruggen te vermijden.

In de praktijk stelt men vaak vast dat de verticale doorboringen doorheen de dakvloer (die onder meer vereist zijn voor de verluchtingspijpen) ruimer gemaakt worden dan strikt noodzakelijk is. Wanneer deze openingen na het plaatsen van de doorvoeringen niet lucht- en dampdicht afgedicht worden, kan men – voornamelijk bij gebouwen met een streng binnenklimaat – geconfronteerd worden met inwendige condensatie ter hoogte van deze afvoeren. Het is bijgevolg aanbevolen om de thermische isolatie ter plaatse van dergelijke doorbrekingen te compartimenteren (zie afbeelding 18). Verder dient men rekening te houden met het feit dat de windbelasting ter hoogte van de doorvoeringen in voorkomend geval veel groter kan zijn dan op de rest van het dakvlak.

Vanaf een dampschermklasse E2 (of bij grote windbelastingen) dient deze opening bijgevolg dampdicht (en luchtdicht) afgewerkt te worden. Bij gebouwen waaraan zeer hoge luchtdichtheidseisen gesteld worden, zal dit sowieso noodzakelijk zijn.