Versie

7.5. Bewegingsvoegen tegen opgaande muren

Bij bewegingsvoegen tegen opgaande muren dient men een losse opstand te voorzien, die de onderlinge beweging van de draagvloer en de opgaande muur in alle richtingen mogelijk moet maken. Deze opstand zou steeds uit metaal (afbeelding 95) of uit een steenachtig materiaal (afbeelding 96) moeten bestaan.

  1. Gevelbekleding
  2. Thermische isolatie van de gevel (waarvan de dikte afgestemd dient te worden op de geldende thermische regelgeving)
  3. Steunprofiel
  4. Bewegingszone van de afdichting
  5. Thermische isolatie (waarvan de dikte afgestemd dient te worden op de geldende thermische regelgeving)
  6. Afdichting
  7. Dampscherm (zie TV 215 [W3], hoofdstuk 6)
  8. Geprofileerde staalplaten
  9. Metalen opstand, bevestigd op twee golven of over een breedte van 200 mm (ruwbouw)
  10. Doorlopend steunprofiel
  11. Draagstructuur
  12. Opgaande muur van een belendend gebouw
  13. Soepel isolatiemateriaal
Afb. 95 Bewegingsvoeg tussen een draagvloer uit metalen plooiplaten en een opgaande muur met een gevelbekleding.


  1. Lijmmortel
  2. Thermische isolatie (waarvan de dikte afgestemd dient te worden op de geldende thermische regelgeving)
  3. Buitenbepleistering
  4. Bewegingsmogelijkheid van de afdichting
  5. Voegbodem
  6. Soepele voeg
  7. Steunprofiel
  8. Soepel isolatiemateriaal
  9. Thermisch isolerende of geïsoleerde opstand
  10. Afdichting
  11. Betonnen draagvloer in helling
  12. Dampscherm (zie TV 215 [W3], hoofdstuk 6)
  13. Dragende muur van het beschouwde gebouw
  14. Bewegingsmogelijkheid uit een soepel isolatiemateriaal
  15. Wand van een aangrenzend gebouw
Afb. 96 Bewegingsvoeg tussen een betonnen draagvloer en een opgaande muur met een buitenbepleisteringssysteem.

Afb. 97 Voorbeeld van een bewegingsvoeg met onvoldoende bewegingsmogelijkheid.
De metalen plooiplaten van de draagvloer moeten doorlopend ondersteund of opgehangen worden, om te vermijden dat er (overmatige) bewegingen zouden ontstaan. De overgang tussen de draagvloer en de opgaande muur moet uitgevoerd worden zoals een bewegingsvoeg met een afzonderlijke opstand (afbeelding 95).

In principe zou de afdichting tegen de losse opstand uit hetzelfde materiaal moeten bestaan als de eigenlijke dakafdichting. De opstand zou bovendien minstens 150 mm boven het afgewerkte dakvlak moeten uitsteken. Voor de voegafdichting kan eventueel een ander elastischer materiaal gebruikt worden, voor zover dit verbindbaar is met de dakafdichting.

Bij lichte draagconstructies zoals geprofileerde staalplaten zullen er ter hoogte van de randen onvermijdelijk discontinuïteiten in het dampscherm ontstaan. Voor meer informatie hieromtrent verwijzen we naar § 5.5.7..

De losse metalen opstand, zoals voorgesteld in afbeelding 95, kan vanzelfsprekend ook in het schema uit afbeelding 96 toegepast worden.

Indien zowel de voegafdichting, de dakafdichting als de opstand uit één stuk bestaan (zoals voorgesteld in afbeelding 97), is er een ontoereikende bewegingsmogelijkheid. Bovendien gaat de correcte uitvoering ervan met een aantal moeilijkheden gepaard en is het risico op schade tijdens de onderhoudswerken reëel.