Versie

7.3. Bewegingsvoegen met een opstand in het midden van het dakvlak

Tijdens de eerste uitvoeringsfase wordt de gewone dakafdichting tot tegen de voegopening aangebracht. Tijdens de tweede uitvoeringsfase wordt de bewegingsvoeg afgedicht met behulp van een afzonderlijke afdichtingsstrook.

Indien de dakafdichting uit een elastisch materiaal bestaat, dient de afdichting van de voeg met hetzelfde materiaal te gebeuren. Bij de andere dakafdichtingstypes zal men doorgaans gebruik maken van een ander, elastischer materiaal dat ermee verenigbaar is.

In principe wordt het (bij voorkeur ongewapende) afdichtingsmateriaal over een bepaalde breedte los over de voeg gelegd teneinde de te verwachten bewegingen op te vangen. De breedte van deze losliggende zone is afhankelijk van de elasticiteit van de voegafdichting en van de grootte van de verwachte bewegingen. Indien het risico op schade reëel is, kan men de voegafdichting bijkomend afwerken met een bescherming (bv. een metalen of steenachtige afdekkap, zie afbeeldingen 89 en 90) of door een stijvere bitumineuze afdichting aan te brengen (zie hiervoor de praktische uitvoeringsdetails voor bitumineuze afdichtingen 88.1 en 94.1 in de databank).

  1. Bewegingszone van de afdichting
  2. Afdichting
  3. Thermische isolatie (waarvan de dikte afgestemd dient te worden op de geldende thermische regelgeving)
  1. Hellingslaag
  2. Dampscherm (zie TV 215 [W3], hoofdstuk 6)
  3. Draagvloer
  4. Soepele voegisolatie
  5. Thermisch isolerend metselwerk
Afb. 88 Voegafdichting met een soepel afdichtingsmateriaal.