Publicatiedatum : februari 2012

7.2. Algemene principes voor de afdichting van bewegingsvoegen

Aangezien de constructie zowel in horizontale (bv. thermische bewegingen, krimp, …) als in verticale richting (bv. differentiële zettingen, doorbuiging, …) onderhevig kan zijn aan aanzienlijke bewegingen, dient men reeds vanaf het ontwerp rekening te houden met hun invloed op de afdichting en moeten de volgende principes in acht genomen worden :
  • alle ruwbouwvoegen moeten overgenomen worden in de afwerkingen (dus ook in de isolatie en de dakafdichting). Naast deze voegen dient men geen bijkomende uitzetvoegen in de afdichting te voorzien

  • de bewegingsvoegen zouden indien mogelijk op het hoogste niveau van het dak ingeplant moeten worden, om zeker te stellen dat het water van deze voegen zou weglopen. Bovendien zouden ze bij voorkeur met een opstand geplaatst moeten worden (afbeelding 85, nr. 2)

  • bij daktuinen [W1] zouden de bewegingsvoegen zich boven het niveau van de grond van de tuin moeten bevinden (hoewel dit esthetisch minder aantrekkelijk is)

  • bij parkeerdaken is het niet altijd mogelijk om een opstand te voorzien, aangezien deze laatste het verkeer zou kunnen belemmeren

  • indien de bewegingsvoegen zich niet op het hoogste peil bevinden, moet de waterafvoer goed bestudeerd worden. Zo is het aanbevolen om de waterafvoer zo ver mogelijk van de uitzetvoegen te verwijderen (zie § 7.4.)

  • het eventuele dampscherm moet doorlopen over de bewegingsvoeg (zie ook afbeelding 89) en dient bijgevolg voldoende elastisch te zijn of over voldoende uitzettingmogelijkheden te beschikken om de te verwachten bewegingen te kunnen opnemen. Het is dan ook aanbevolen om het dampscherm (net zoals de afdichting) op deze plaats te voorzien van een bijkomende uitzetvoeg

  • bij opstanden moet bijzondere aandacht besteed worden aan de windbestendigheid. Dit kan onder meer gebeuren door de voegen luchtdicht af te sluiten. Deze luchtdichtheid is tevens van belang om inwendige-condensatieproblemen te vermijden en indien er hoge eisen gesteld worden aan de luchtdichtheid van de gebouwschil.
Ter hoogte van de uitzetvoegen kan er plaatselijk rimpel- en plooivorming in de afdichting ontstaan. Dit fenomeen is onvermijdelijk, maar levert bij de huidige afdichtingsmaterialen normaalgesproken geen functionaliteitsproblemen op. De hinder is louter van esthetische aard en dient onzes inziens dan ook aanvaard te worden.

De traditionele uitvoering met behulp van een rond, soepel snoer bovenop de bewegingsvoeg wordt in de volgende principetekeningen niet weerhouden. Hoewel deze oplossing weldegelijk voldoening kan bieden in het dakvlak, is de praktische uitvoering ervan ter hoogte van richtingsveranderingen en kruisingen, alsook bij de aansluiting met dakrandprofielen niet evident.

Ondanks het feit dat de uitvoering ervan zeker mogelijk is, werd de ballast in de tekeningen uit dit hoofdstuk ter vereenvoudiging systematisch achterwege gelaten. Indien er toch een ballast voorzien wordt, moet de nuttige hoogte van de opstand (minstens 150 mm) gemeten worden vanaf de bovenkant van de ballast (zie § 5.2.).