Publicatiedatum : februari 2012

6.4.1. Profielen die rechtstreeks met de afdichting verbonden zijn

6.4.1.1. Traditionele metalen kralen (Zn of Cu)

Metalen kralen worden hoofdzakelijk bij bitumineuze afdichtingen aangewend en komen voornamelijk voor bij bestaande daken. Bij nieuwbouw worden ze nog maar zelden gebruikt.

De plooistukken, die meestal uit zink of koper bestaan en een lengte van 1 m vertonen, worden overlappend uitgevoerd (≥ 50 mm) en in de hoeken gesoldeerd.

A. Kralen zonder klang B. Kralen met klang
Afb. 64 Voorbeelden van metalen kralen.

De overlapping volgt de eventuele dakrandhelling. Dit betekent dat men de plaatsing op het laagste punt begint. De bevestiging gebeurt op 100 mm van de uiteinden van de kralen en in het midden ervan, hetzij door rechtstreeks vernagelen of vastschroeven, hetzij door middel van klangen (afbeelding 64).

De kraal wordt op de afdichting gekleefd en vervolgens vernageld of geschroefd, waarna er over de ganse lengte een extra strook afdichting aangebracht wordt.

Er kan ook een strook bitumen met een dikte van 3 mm onder de kraal voorzien worden, waarop men vervolgens de dakafdichting verlast (tot op de kraal). Bij een eerlaagse bitumineuze afdichting kan de kraal tussen de onder- en toplaag aangebracht worden.

De kraal dient zodanig hoog te zijn dat de dakrandafwerking (afdichting en spouwafdekking) over een afstand van minstens 25 mm bedekt wordt.

Deze kralen worden meestal ter plaatse door een zinkbewerker gerealiseerd. Er zijn echter ook een aantal voorgevormde uitvoeringen in de handel beschikbaar. Het gebruik van klangen is noodzakelijk om het opwaaien van de kraal te vermijden wanneer deze over de dakrand naar beneden geplooid wordt.

6.4.1.2. Dakrandprofielen

6.4.1.2.1. Profielen uit geëxtrudeerd aluminium

De dakrandprofielen worden in de spouwafdekking bevestigd door middel van schroeven. Dit gebeurt op een afstand van 100 mm van de uiteinden, op een onderlinge tussenafstand van maximum 400 mm en in het midden van de staart.

Deze profielen worden naast elkaar geplaatst in stukken van maximum 3 m, waartussen men een voegopening van minstens 3 mm voorziet. De profielen zijn uitgerust met voorgeboorde ovale gaten om een zekere beweging ter hoogte van de bevestigingen toe te laten. Daarnaast beschikken ze over een klein opstandje om de bevochtiging van de gevel te beperken. De druipneus bevindt zich op minstens 10 mm van het geveloppervlak. Het profiel dient de opstand minstens 25 mm te bedekken.

Bij bitumineuze membranen en elastomere afdichtingen wordt het dakrandprofiel tussen twee afdichtingslagen aangebracht.

Bij bitumineuze membranen kan dit ofwel gebeuren door een strook bitumen (met een dikte van 3 mm) onder het dakrandprofiel te voorzien waarop vervolgens de dakafdichting gelast wordt (tot op het profiel) ofwel door eerst de dakafdichting aan te brengen (die aanvullend mechanisch bevestigd wordt door het dakrandprofiel) en vervolgens een strook op het profiel te bevestigen. Bij een meerlaagse bitumineuze afdichting kan het dakrandprofiel eveneens tussen de onder- en toplaag aangebracht worden.

Bij elastomere afdichtingen wordt het dakrandprofiel steeds op de dakafdichting geplaatst (met een aanvullende mechanische bevestiging van de opstand). Vervolgens wordt er over het dakrandprofiel een bijkomende randstrook aangebracht, waarna men de opening tussen de afdichting en de dakrand dient af te kitten.

Bij plastomere afdichtingen wordt er vaak gebruik gemaakt van kunststofgelamineerde profielen (zie § 6.4.1.2.3). De aansluiting tussen de dakafdichting en het profiel wordt op dezelfde wijze uitgevoerd als de overlapverbinding tussen de afdichtingsbanen. Bij gebruik van 'traditionele' dakrandprofielen zal men hierin een bijkomende metaalfolieplaat bevestigen waarop vervolgens een plastomere randstrook gelast wordt. Voor meer informatie hieromtrent verwijzen we naar de desbetreffende specifieke uitvoeringsdetails in de databank op www.wtcb.be.

Geval A Geval B Geval C
a ≥ 40 mm, bij bevestiging op hout
a ≥ 60 mm, bij bevestiging op andere materialen
Afb. 65 Voorbeelden van dakrandprofielen uit aluminium.


Afb. 66 Verbindingsstukken tussen de randprofielen.
Verder dient men de nodige maatregelen te treffen om de vervuiling (lopers) van het geveloppervlak ter hoogte van de voegopeningen te vermijden. Hiertoe dient men er enerzijds op toe te zien dat de afstand van de druiprand van het profiel tot het gevelvlak voldoende groot is en anderzijds dat er aangepaste verbindingsstukken gebruikt worden (afbeelding 66).

Daarnaast dient men ter hoogte van de profielvoegen de nodige maatregelen te treffen om scheurvorming in de afdichting te vermijden. Hiertoe dient men de afdichting op deze plaats van toereikende bewegingsmogelijkheden te voorzien.

Bij bitumineuze en plastomere afdichtingen dient men gebruik te maken van plaatselijke glijstroken (uit naakt glasvlies of polyester) om te vermijden dat er scheurvorming in de dakafdichting zou ontstaan ten gevolge van de thermische werking van de profielen. Bovendien wordt er zodoende een kleine verhoging tussen de profielen gerealiseerd, die de vervuiling (streepvorming) van de gevels kan beperken.

Afb. 67 Aanbrengen van een glijstrook bij een bitumineuze afdichting.

Bij plastomere afdichtingen wordt er een bijkomende losse strook van ongeveer 50 mm over de randprofielen aangebracht. De afdichtingsstrook van minimum 150 mm breed mag op deze plaats in geen geval verlast worden.

  1. Dakbaan
  2. Dakrandprofiel
  3. Losse strook
  4. Afdichtingsstrook
  5. Niet-gelaste zone
Afb. 68 Aanbrengen van een bijkomende losse strook bij een plastomere afdichting.

Elastomere afdichtingen worden losliggend geplaatst over een zone van 25 mm aan weerszijden van de profielvoegen. Het dakrandprofiel dient in voorkomend geval een schuin opstandje te bezitten (zie gevallen B en C uit afbeelding 65).

Ten gevolge van de klimatologische omstandigheden kan de verlijming van de afdichting op een dergelijk profiel soms verre van ideaal zijn. Door toedoen van de helling van het schuine opkantje kan het water minder gemakkelijk achter de afdichting aflopen.

Het gebruik van geprefabriceerde hoekstukken is te verkiezen boven het gebruik van zelfgemaakte elementen. De vleugels van deze hoekprofielen zouden bovendien voldoende lang (min. 300 mm) moeten zijn om hun stabiele en rechte plaatsing te waarborgen.

6.4.1.2.2. Kunststofprofielen

Deze randprofielen bestaan uit stukken van maximum 3 m en worden naast elkaar aangebracht met een voegopening van minimum 3 mm. Ze worden rechtstreeks geschroefd waarbij men de in § 6.4.1.2.1. vermelde afstanden dient te respecteren.

Aangezien de uitzetting ervan minder groot is dan bij aluminiumprofielen, worden de bevestigingen bij kunststofprofielen doorgaans niet voorgeboord. De door de open voeg veroorzaakte afloopstrepen op de gevel kunnen beperkt worden door gebruik te maken van gepaste verbindingsstukken en door een aantal voorzieningen te treffen bij het aanbrengen van de dakafdichting (zie hiervoor § 6.4.1.2.1.).

Kunststofprofielen bestaan meestal uit glasvezelversterkte polyester. Het gebruik van hard PVC is af te raden omwille van zijn hoge uitzettingscoëfficiënt, zijn temperatuurgevoeligheid en zijn onverenigbaarheid met koude kleefstof.

a ≥ 40 mm, bij bevestiging op hout
a ≥ 60 mm, bij bevestiging op andere materialen

Afb. 69 Voorbeelden van dakrandprofielen uit kunststof.

6.4.1.2.3. Metaalfolieplaten

Afb. 70 Voorbeelden van dakrandprofielen uit metaalfolieplaat.
Bij plastomere dakafdichtingen kunnen er dakrandprofielen uit metaalfolieplaten (zie afbeelding 70) toegepast worden die voorzien zijn van een kunststoflaag waarop de dakafdichting op dezelfde manier gelast kan worden als de overlapverbinding tussen de verschillende dakbanen.

De dakrandprofielen zijn doorgaans samengesteld uit een staalplaat van 0,6 mm dik, waarop aan één zijde een kunststoflaag van 0,8 mm dik gelamineerd werd. De andere zijde is in de regel voorzien van een corrosiewerende coating. Desgewenst kan men ook gebruik maken van speciale staaldiktes en staalkwaliteiten.

Dergelijke metaalfolieplaten zijn gewoonlijk verkrijgbaar in verschillende kleuren, waardoor ze aangepast kunnen worden aan de kleur van de dakafdichting. Naargelang van de fabrikant zijn ze beschikbaar in de vorm van platen van 1, 2 of 3 m lang of in de vorm van coils tot 30 m lang, die verwerkt kunnen worden tot profielen met de meest uiteenlopende vormen en afmetingen.