Versie

5.5.7. Aansluiting met opstanden met differentiële bewegingen

Afb. 57 Rimpelvorming op een dak.
Bij lichte draagconstructies (zoals daken uit geprofileerde staalplaten) dient men rekening te houden met het feit dat er differentiële vervormingen mogelijk zijn tussen de draagvloer en de muren (bv. doorbuiging en hygrothermische werking van de dakvloer en de opstand), die aanleiding kunnen geven tot rimpelvorming in de dakafdichting (zie afbeelding 57).

Indien het afdichtingsmembraan elastisch genoeg is, zal dit fenomeen de functionaliteit ervan normaalgesproken niet in het gedrang brengen. Bij andere types afdichtingen, zoals bitumineuze membranen, dient men evenwel in het achterhoofd te houden dat voornoemde differentiële vervormingen in bepaalde omstandigheden aan de grondslag kunnen liggen van hun beschadiging.

Om de vrije vervorming van de constructie niet in het gedrang te brengen, dient men elke starre verbinding tussen de dakvloer en de muur te vermijden.

De geprofileerde staalplaten mogen niet op het steunprofiel bevestigd worden (zie afbeelding 58, nr. 8). Ze worden daarentegen opgelegd om hun onafhankelijke beweging ten opzichte van de muur te waarborgen. Het steunprofiel heeft voornamelijk tot doel om de verticale bewegingen van de dakvloer ten opzichte van de dakopstand te beperken.

  1. Afschuining van de scherpe hoeken
  2. Buitenwand uit cellenbeton
  3. Bewegingszone van de afdichting
  4. Thermische isolatie (waarvan de dikte afgestemd dient te worden op de geldende thermische regelgeving)
  5. Afdichtingsmembraan
  6. Dampscherm (zie TV 215 [W3], hoofdstuk 6)
  7. Geprofileerde staalplaten
  8. Doorlopend steunprofiel
  9. Losse metalen opstand
Afb. 58 Opstand met differentiële bewegingen (buitenwand uit cellenbeton).

Indien de draagvloer opgebouwd is uit geprofileerde staalplaten, moet men volgens de TV 239 [W4] rondom het dak (zowel in de dwars- als langsrichting van het gebouw) een losse metalen opstand voorzien, die per staalplaat op minstens twee golven bevestigd wordt. Deze opstand doet hoofdzakelijk dienst als ondersteuning van het dampscherm en de thermische-isolatieplaten ter hoogte van de dakranden, maar kan tevens gebruikt worden voor de uitvoering van de verplichte kimfixatie (zie § 5.4).

Men dient echter ook rekening te houden met het feit dat deze metalen opstand twee belangrijke nadelen vertoont : enerzijds kan hij bij verwarmde gebouwen aanleiding geven tot het ontstaan van koudebruggen en anderzijds veroorzaakt hij een onderbreking van het dampscherm ter hoogte van de wanden.

  1. Dakrandprofiel
  2. Randstrook
  3. Bewegingszone van de afdichting
  4. Afdichting van de opstand
  5. Thermische isolatie van de opstand
  6. Thermische isolatie (waarvan de dikte afgestemd dient te worden op de geldende thermische regelgeving)
  7. Afdichting
  8. Dampscherm (zie TV 215 [W3], hoofdstuk 6)
  9. Geprofileerde staalplaten
  10. Losse metalen opstand
  11. Draagstructuur
  12. Doorlopend steunprofiel
  13. Sandwichpaneel
Afb. 59 Opstand met differentiële bewegingen : variante met sandwichpanelen.

Teneinde deze koudebruggen te beperken, kan men de opstand voorzien van een thermische isolatie met een toereikende dikte (zie afbeeldingen 58, 59 en 60) om aan de bouwknopenreglementering te voldoen (zie Bijlage 1).

  1. Metalen muurkap
  2. Afdekking van het sandwichpaneel
  3. Uitzettingsmogelijkheid van de afdichting
  4. Afdichtingsmembraan
  5. Thermische isolatie (waarvan de dikte afgestemd dient te worden op de geldende thermische regelgeving)
  6. Dampscherm (zie TV 215 [W3], hoofdstuk 6)
  7. Draagvloer (uit geprofileerde staalplaten)
  8. Losse metalen opstand
  9. Draagstructuur
  10. Binnendozen met isolerende kern (of sandwichpaneel)
Afb. 60 Opstand met differentiële bewegingen : variante met een geïsoleerde staalbouwwand.

Bij afdichtingen waarvan de metalen opstand niet verlijmd, maar wel mechanisch bevestigd wordt, kan men ervoor opteren om de opstand niet over de thermische dakisolatie te laten uitsteken (bv. door de hoogte van de opstand te beperken tot de helft van de isolatiedikte op het dak, zie uitvoeringsdetail voor de plastomeren 58.3 in de databank op www.wtcb.be).

Om te vermijden dat er inwendige condensatie zou ontstaan, met alle problemen vandien, dient men er in eerste instantie op toe te zien dat de aansluiting tussen het afdichtingsmembraan en het dak luchtdicht uitgevoerd wordt. Dit gebeurt in de regel door het membraan continu te laten doorlopen tot tegen of tot op de dakranden.

Gelet op de te verwachten differentiële bewegingen aan de aansluiting van de afdichting met de dakopstanden, dient men ervoor te zorgen dat het afdichtingsmembraan op deze plaats over een voldoende uitzettingmogelijkheid beschikt (afbeelding 58, nr. 3).

Elastische membranen kunnen, mits bepaalde voorzorgen (zie praktische uitvoeringsfiches in de databank op www.wtcb.be), continu over of tegen de dakranden doorlopen. Voor andere types dakafdichtingen opteert men doorgaans ofwel voor het gebruik van elastische verbindingsstroken die waterdicht met de dakafdichting verbonden kunnen worden (zie praktische uitvoeringsfiches in de databank op www.wtcb.be), ofwel voor dezelfde werkwijze als bij elastische membranen. In dit laatste geval dient men tijdens het normale onderhoud van het dak steeds na te gaan of de eventuele rimpelvorming ter hoogte van deze detailleringen geen schade veroorzaakt.

Zoals hiervoor vermeld, is de onderbreking van het dampscherm ter hoogte van de dakranden bij dergelijke lichte constructies onvermijdelijk en eigen aan het concept. Voor gebouwen tot binnenklimaatklasse II hoeft men hierdoor evenwel geen noemenswaardige condensatieproblemen te vrezen, voor zover de luchtdichtheid van de aansluiting gewaarborgd is. Vanaf binnenklimaatklasse III is het dan weer aangewezen om tussen de metalen opstand en de wand een soepele dampdichte afsluiting (bv. met behulp van een zwelband) te voorzien. De aanwending van een dakopbouw met geprofileerde staalplaten lijkt ons voor gebouwen uit binnenklimaatklasse III of hoger daarentegen minder opportuun.

  1. Dakrandprofiel
  2. Kit
  3. Afdichting van de dakrand
  4. Optrekken van het dampscherm
  5. Thermische isolatie van de opstand
  6. Afdichting van de opstand
  7. Thermisch geïsoleerd betonnen sandwichpaneel
  8. Afdichting
  9. Thermische isolatie (waarvan de dikte afgestemd dient te worden op de geldende thermische regelgeving)
  10. Dampscherm (zie TV 215 [W3], hoofdstuk 6)
  11. Draagvloer (waarvan de helling gerealiseerd wordt door de welfsels hellend uit te voeren)
  12. Bewegingszone van het dampscherm
Afb. 61 Opstand met differentiële bewegingen : variante met betonnen sandwichpanelen.

Om te vermijden dat er koudebruggen zouden ontstaan, moet de opstand van de betonnen sandwichpanelen in het voorbeeld uit afbeelding 61 minstens 900 mm hoog zijn (zie ook Bijlage 1).

Het is overigens afgeraden om de dakafdichting rechtstreeks tegen dergelijke betonnen elementen te verkleven of te vlamlassen. In voorkomend geval zou er immers bouwvocht ingesloten kunnen worden tussen de afdichting en de isolatiekern.

Om blaasvorming in de dakafdichting te voorkomen, kan men ervoor opteren om deze mechanisch tegen de opstand te bevestigen of om de dakzijde van de dakopstand van een thermische isolatie te voorzien.

Bij gebruik van vrij soepele isolatiematerialen (bv. minerale wol) blijkt deze manier van werken trouwens een positieve invloed te hebben op de omvang van de plooivorming. Bij stijvere isolatiematerialen strekt het daarentegen tot aanbeveling om de afdichting uit te rusten met een bijkomende uitzettingsmogelijkheid.

Het dampscherm dient in dit geval tot tegen de opstand opgetrokken te worden. Vermits het hier – in tegenstelling tot bij dakvloeren uit geprofileerde staalplaten – niet om een losse metalen opstand gaat, mag men niet vergeten dat er nog steeds scheurvorming kan optreden in het dampscherm, met alle onderbrekingen ter hoogte van de dakranden vandien (bv. ten gevolge van de verticale bewegingen bij gefractioneerde dakelementen, zie § 7.6.2.2).

Voor gebouwen vanaf de dampschermklasse E2 dient men het dampscherm dan ook van voldoende uitzettingsmogelijkheden te voorzien.