Versie
Afb. 51 Wandaansluiting met een profiel bij een volle muur uit metselwerk : af te raden oplossing.

5.5.5. Aansluiting met volle muren

De aansluiting van het dak op volle muren kan op verschillende wijzen verwezenlijkt worden, al naargelang van de aard van de ondergrond. Hierna maken we een onderscheid tussen volle muren uit metselwerk en uit beton. Voor wat betreft spouwmuren, verwijzen we de geïnteresseerde lezer naar § 5.5.1.

5.5.5.1. Volle muren uit metselwerk

De overgang tussen de muur en de afdichting kan regendicht gemaakt worden door middel van ingeslepen metalen slabben. Het gebruik van profielen (zie hiervoor § 5.5.5.2) is bij metselwerk echter verboden : in dit geval is het immers onmogelijk om een toereikende aansluiting te verwezenlijken met het ruwe baksteenmetselwerk (stootvoegen). Het vocht dat door het metselwerk opgenomen wordt, kan de randafwerking omzeilen (afbeelding 51).

De in afbeelding 52 voorgestelde uitvoeringstechniek kan bij een zeer sterke blootstelling aanleiding geven tot een omzeiling van de ingeslepen slab. Om dit te vermijden, is het aanbevolen om het metselwerk vooraf regendicht te maken (bv. met een bekleding, § 5.5.6).

A. Principe bij bitumineuze en elastomere afdichtingen B. Principe bij plastomere afdichtingen
  1. Soepele voeg
  2. Krammen (3 per meter)
  3. Slab
  4. Afdichting
  5. Plooi van 5 mm, om de beschadiging van de afdichting te vermijden
  1. Bevestiging
  2. Las
  3. Metaalfolieplaat
  4. Scheidingslaag

Afb. 52 Metalen slab bij volle muren uit metselwerk.

Voor de volledigheid wensen we hier aan te stippen dat een waterwerende oppervlaktebehandeling de regenwaterabsorptie van het metselwerk weliswaar kan verminderen, maar de gevel niet volkomen regendicht maakt (zie TV 224 [W8]).

In aanwezigheid van bitumineuze of elastomere afdichtingen worden deze slabben met behulp van verzinkte krammen in de voeg bevestigd. Indien de slab uit koper bestaat, is het – met het oog op de verenigbaarheid – evenwel aanbevolen om bronzen krammen te gebruiken (zie tabel 1). De voegen worden afgedicht met een duurzaam soepele kit.

De slabben bestaan gewoonlijk uit koper, zink, aluminium of lood en worden geleverd in stroken van 1 m breed met een aanbevolen minimale dikte van respectievelijk 0,5 mm, 0,8 mm en 1,5 tot 2 mm. De onderzijde van deze slabben wordt normaalgesproken naar buiten geplooid, om te vermijden dat ze de afdichting zouden beschadigen (zie afbeeldingen 52A en 53). Indien de slabben uit lood bestaan, is deze maatregel echter overbodig.

Bij plastomere afdichtingen wordt er een profiel uit geplooide metaalfolieplaat ingeslepen, dat bijkomend mechanisch tegen het metselwerk bevestigd wordt (afbeelding 52B).

De metalen slab mag niet horizontaal op het dakvlak liggen om capillaire opzuiging tussen de loodslab en de afdichting te vermijden.

Afb. 53 Mogelijke verbindingen tussen de slabben.

Slabben uit zink of koper kunnen gesoldeerd worden : in dit geval dient er minstens om de 6 m een uitzettingsmogelijkheid voorzien te worden (afbeelding 53).

De onderlinge overlappingsbreedte tussen de slabben moet ten minste 50 mm bedragen (bij lood : 100 mm). De overlappingen dienen zodanig geo­riënteerd te worden dat de overheersende slagregen (ZW) er geen vat op heeft. In de hoeken kan het raadzaam zijn om de slabben te solderen of overlappend uit te voeren.

De buitenhoeken worden afgewerkt door de slabben erover te plooien. Bij binnenhoeken is dit echter onvoldoende en moeten de slabben overlappend uitgevoerd worden.

5.5.5.2. Betonwanden

  1. Betonwand
  2. Soepele voeg (≥ 5 x 5 mm)
  3. Roestvrije schroef
  4. Metalen muurprofiel
  5. Afdichting
  6. Dunne voegbodemstrip (bv. kleefband)
Afb. 54 Aansluiting op een betonwand.

Ofschoon het ook bij betonwanden veiliger is om een metalen slab in te slijpen, wordt er in dit geval doorgaans een profiel op de betonwand geschroefd. Dit gebeurt bij voorkeur in een uitsparing (afbeelding 54, rechts). Een dergelijke uitsparing is onontbeerlijk bij ruwe wanden waarvan het betonoppervlak niet waterdicht (poreus) is en is eveneens noodzakelijk in aanwezigheid van uitgewassen beton. In dit geval is er immers een ontoereikende hechting tussen het beton en de kit te vrezen, evenals een omzeiling van de randafwerking als gevolg van de hoge absorptie van de uitgewassen grindlaag. Voor de verwerking van de kit (en de hechtingslaag) verwijzen we naar de instructies van de fabrikant.

De profielen bestaan meestal uit geëxtrudeerd aluminium en zijn 2 tot 3 m lang. Tussen de profielen voorziet men een voeg van 2 tot 3 mm. De profielen worden om de 300 mm op de afdichting bevestigd met behulp van schroeven en bovenaan afgekit. Er wordt eveneens een schroef voorzien op 100 mm van de uiteinden. Door een dunne voegbodemstrip te voorzien, kan men ervoor zorgen dat de kit, conform de STS 56.1 [F1], aan maximum twee zijden vasthecht. Ter hoogte van de gebeurlijke verticale voegen in de betonnen gevelelementen zal een bijkomend stukje voegbodem noodzakelijk zijn om de kitvoeg voldoende te ondersteunen.

Het gebruik van samengestelde profielen is te vermijden : in dit geval wordt er tijdens de fabricage immers een deel van het profiel in het betonelement verankerd, dat zich op de bouwplaats slechts zelden op de goede hoogte bevindt.

a ≥ 200 mm
b ≤ 200 mm
1. Mechanische bevestiging
Afb. 55 Aansluiting tussen het dak en een betonnen gevelelement (a en b = werkruimten).
Indien de dakafdichting opgetrokken wordt tot tegen het onderste gevelelement en dit element van een druipneus voorzien is (afbeelding 55), zijn er geen muuraansluitingsprofielen nodig. De afdichting moet bovenaan wel mechanisch bevestigd worden : het is immers niet evident om de afdichting tot helemaal bovenaan achter de druipneus te verkleven of te lassen.

Om te vermijden dat de druipneus tijdens de uitvoering besmeurd zou raken, is het bovendien aanbevolen om de afdichting een twintigtal millimeters te verkorten.

Het gaat hier om geprefabriceerde betonelementen die geplaatst worden vóór de afdichting, wat de uitvoering van de opstand enigszins bemoeilijkt. Daarom dient men er van bij de opvatting op toe te zien dat er een voldoende grote werkruimte tussen de onderkant van de gevelelementen en het dakvlak (a ≥ 200 mm, zie afbeelding 55) voorzien wordt enerzijds, en dat er een toereikende werkruimte tussen de opstand en de voorkant van het gevelelement (b ≤ 200 mm, zie afbeelding 55) aanwezig is anderzijds.