Versie

5.5.4 Aansluiting met koepels en lichtstraten

De opstanden van lichtstraten worden doorgaans uitgevoerd op het dak zelf. Koepels worden daarentegen bij voorkeur aangebracht op bijgeleverde koepelopstanden, waardoor men een betere aansluiting verkrijgt. Deze opstanden moeten uiteraard verenigbaar zijn met de eventuele voorsmeerlagen of koude kleefstoffen. Koepels die beschikken over een Technische Goedkeuring (ATG) genieten de voorkeur.

  1. Thermische isolatie (waarvan de dikte afgestemd dient te worden op de geldende thermische regelgeving)
  2. Dampscherm (zie TV 215 [W3], hoofdstuk 6)
  3. Afdichting
  4. Mechanische bevestiging
  5. Isolerend bouwdeel
  6. Hellingslaag
  7. Draagvloer
Afb. 47 Opstand bij een geprefabriceerde koepel.

Afbeelding 47 stelt een plaatsingswijze voor koepels voor. In afbeelding 48 vindt men dan weer een courant uitvoeringsschema voor lichtstraten.

Afb. 48 Lichtstraten met een geĆÆsoleerde opstand.
  1. Thermische isolatie
  2. Dampscherm (zie TV 215 [W3], hoofdstuk 6)
  3. Afdichting
  4. Bevestiging van de lichtstraat
  1. Lichtstraat (links in polycarbonaat, rechts in glasvezelversterkte polyester)
  2. Drukvaste thermische isolatie
  3. Hellingslaag
  4. Draagvloer
Afb. 48 Lichtstraten met een geïsoleerde opstand.

De opstand van de koepels dient minstens 150 mm hoog te zijn (gemeten vanaf het afgewerkte dak), en dient zich in ieder geval op een hoger niveau te bevinden dan de onderste dakrand en/of de spuwers.


Afb. 49 De koepel mag niet in de afdichtingslagen ingekleefd worden.
Bij grote isolatiediktes kan de opstandhoogte van de koepel ontoereikend zijn, waardoor het noodzakelijk kan worden om de opstand op de thermische isolatie te plaatsen.

Bij onvoldoende drukvaste isolatiematerialen (met een belastingsklasse van minder dan P3) zal men moeten overgaan tot de tussenvoeging van een bijkomend isolerend bouwdeel (zie ook Bijlage 1, p. 101). Het dampscherm kan in voorkomend geval als tijdelijke afdichting tegen dit bouwdeel omhooggeplooid worden (zie afbeelding 47, p. 43).

Men dient er van bij de opvatting over te waken dat de onderlinge afstand tussen twee koepels of lichtstraten of tussen de koepels of lichtstraten en de dakranden en muren minstens 500 mm (en bij voorkeur 1 m) bedraagt (met het oog op de afdichtingswerken en het onderhoud).

Het inkleven van de koepels in de afdichtingslagen (afbeelding 49) is uit den boze omdat er in voorkomend geval geen opstand zou zijn. Bovendien zou het verschil in uitzetting tussen het koepelmateriaal en de afdichting kunnen leiden tot scheuren of onthechting (met alle waterinfiltraties vandien) en zijn de afdichting en het koepelmateriaal veelal onverbindbaar. In het geval van een renovatie is het dan ook aanbevolen om deze te vervangen.

  1. Helling
  2. Hoogste punt (nok)
  3. Laagste punt (kielgoot)
  4. Afschotvoorziening
  5. Waterafvoer
Afb. 50 Inplanting van de koepels of lichtstraten afhankelijk van de dakhelling.

In aanwezigheid van lange koepels of lichtstraten die zich loodrecht op de afwatering bevinden, kan er achter de koepels of lichtstraten plasvorming ontstaan. Dit kan vermeden worden door zijn toevlucht te nemen tot afschotvoorzieningen (afbeelding 50, p. 45). Wanneer men hiertoe een aanzienlijke isolatiedikte dient toe te voegen, kan het – teneinde de vereiste opstandhoogte van de afdichting (> 150 mm) te waarborgen – noodzakelijk blijken om ook de opstand van de lichtstraat te verhogen.

Bij afdichtingen uit kunststof kan men, vertrekkend vanaf het platte dak, een ononderbroken afdichtingsstrook tegen de opgaande zijde van de lichtstraatopstand aanbrengen. Ondanks het feit dat men door deze manier van werken niet kan vermijden dat er waterstagnaties ontstaan, heeft ze wel als voordeel dat er geen overlapverbindingen gecreëerd moeten worden.