Versie

5.5.3. Aansluiting met hellende daken

  1. Thermische isolatie (waarvan de dikte afgestemd dient te worden op de geldende thermische regelgeving)
  2. Dakafdichting
  3. Op de kepers of spanten geplaatste bebording
  4. Dakbedekking (pannen, leien, …)
  5. Onderdak
  6. Tengellat
  7. Dampscherm (zie TV 215 [W3], hoofdstuk 6)
  8. Hellingslaag
  9. Draagvloer
Afb. 46 Aansluiting tussen een hellend dak en een plat dak.

Ook bij de aansluiting tussen een hellend en een plat dak (afbeelding 46) dient men steeds toe te zien op de waterdichte uitvoering ervan. In deze context dient men dan ook de volgende aandachtspunten in het achterhoofd te houden :
  • de afdichting onder de pannen of leien moet zich op een hoger niveau bevinden dan de (onderste) dakrand of de bovenzijde van de spuwers en dient op een continue drager aangebracht te worden

  • het onderdak moet de dakafdichting overlappen, naar analogie met de goten bij hellende daken. De overlappingslengte is dezelfde als voor de onderdakelementen (zie TV 240 [W7])

  • om schade aan de afdichting van het platte dak te vermijden, verdient het aanbeveling om deze van een bescherming te voorzien of om het platte dak pas uit te voeren na het hellende dak. In voorkomend geval dient men onder het onderdak een wachtslab aan te brengen

  • bij de bepaling van de dakopstandhoogte wordt enkel de eerste panlat nog in aanmerking genomen, vermits deze laatste de afdichting doorboort

  • bij renovatiewerken moet men opletten voor brand (vogelnesten, kunststof onderdaken, brandbare isolatie, ...).