Versie

5.5.2. Dorpels

Voor de afwerking van dorpels moeten de volgende principes nageleefd worden :
  • bij betegelingen op een mortelbed dient de hoogte van de opstand – gemeten vanop de tegels – minstens 150 mm te bedragen

  • bij een betegeling op tegeldragers bedraagt de opstandhoogte (zoals vermeld in § 5.2) eveneens minstens 150 mm. In dit geval begint men echter te meten vanaf de afdichting. Verder dient men erop toe te zien dat er tussen de eerste tegel en de opstand een voldoende brede voeg gelaten wordt (≥ 20 mm) en dat de opstand minstens 50 mm boven het peil van de tegels uitkomt. Gelet op het feit dat er bij dakterrassen slechts een geringe horizontale krachtwerking te verwachten is, dient men in dit geval niet over te gaan tot de zijdelingse opsluiting van de tegels

  • de helling van de afdichting moet van de dorpel weggeleid worden

  • stenen dorpels worden bij voorkeur zijdelings over een diepte van minstens 50 mm in het metselwerk ingewerkt. Om hun goede integratie in het metselwerk te waarborgen, zouden deze voorzien moeten worden van zijdelingse opstandjes of zogenoemde 'kussens' (zie ook TV 188 [W5])

  • de uitsparing in de ruwbouw moet voldoende vlak zijn om de plaatsing van de opstand toe te laten

  • de verbinding tussen het spouwmembraan naast de dorpel en de afdichting onder de dorpel moet met de nodige zorg uitgevoerd worden. Voor meer informatie hieromtrent verwijzen we naar Infofiche nr. 20 [M2].
Hierna volgen twee voorbeelden van een goede uitvoering. In het schema uit afbeelding 40 kan de dorpel in geval van een renovatie ter plaatse blijven.

  1. Spouwdrainering
  2. In een mortelbed geplaatste dorpel met druipneus
  3. Metalen slab
  4. Dakafdichting
  5. Tegels op tegeldragers
  6. Thermische isolatie (waarvan de dikte afgestemd dient te worden op de geldende thermische regelgeving)
  7. Dampscherm (zie TV 215 [W3], hoofdstuk 6)
  8. Hellingslaag
  9. Draagvloer
  10. Thermische snede om de koudebrug te vermijden
Afb. 40 Aansluiting terras / dorpel : oplossing waarbij de dorpel in geval van een renovatie ter plaatse mag blijven.

  1. In een mortelbed geplaatste dorpel met druipneus
  2. Dakafdichting
  3. Thermische isolatie (waarvan de dikte afgestemd dient te worden op de geldende thermische regelgeving)
  4. Dampscherm (zie TV 215 [W3], hoofdstuk 6)
  5. Hellingslaag
  6. Draagvloer
  7. Thermische snede om de koudebrug te vermijden
Afb. 41 Aansluiting terras / dorpel : oplossing waarbij de dorpel in geval van een renovatie verwijderd en opnieuw geplaatst moet worden.

  1. Dunnere thermische isolatie om de goot te vormen
  2. Dakafdichting
  3. Thermische isolatie (waarvan de dikte afgestemd dient te worden op de geldende thermische regelgeving)
  4. Dampscherm (zie TV 215 [W3], hoofdstuk 6)
  5. Draagvloer
  6. Hellingslaag
  7. Thermische snede om de koudebrug te vermijden
Afb. 42 Aansluiting terras / dorpel : variante met een geringere isolatiedikte ter hoogte van de opstand (renovatie).

In het schema uit afbeelding 41 dient de dorpel in geval van een renovatie verwijderd en opnieuw geplaatst te worden. Hierbij is het echter wel mogelijk om de opstandhoogte te verkleinen (zie afbeelding 42). De afdichting onder de dorpel dient in voorkomend geval verbindbaar te zijn met de dakafdichting (zie hoofdstuk 9) en dient – gelet op de delicate uitvoering ervan – door de dakafdichter geplaatst te worden. Teneinde de afdichting voldoende ver te kunnen doortrekken, dient men er tijdens de ruwbouwwerkzaamheden op toe te zien dat er in het gevelmetselwerk (meer bepaald ter hoogte van de hoeken met de dorpel) een toereikende uitsparing voorzien wordt. De dorpel kan bijgevolg pas na de afdichtingswerken aangebracht worden.


Afb. 43 Voorbeeld van een slechte aansluiting terras / dorpel : onvoldoende opstand.
We willen erop wijzen dat er aan de achterzijde van de ruwbouw een ononderbroken steun voorzien moet worden om de correcte uitvoering van de dakafdichting onder de dorpel mogelijk te maken. Deze steun kan ofwel gevormd worden door het binnenmetselwerk (zie afbeelding 41), ofwel door een metalen profiel (zie afbeelding 42 of de afbeeldingen 44 en 45), waarop men achteraf eventueel het buitenschrijnwerk kan bevestigen (zie afbeelding 42).

Dankzij deze manier van werken zal het mogelijk zijn om de opstandhoogte boven de betegeling – althans in het geval van tegels op tegeldragers – tot 50 mm te beperken.

Teneinde te vermijden dat de opstandhoogte bij de na-isolatie van het platte dak (bv. in geval van een renovatie) in het gedrang zou komen, zou men er als alternatief voor kunnen opteren om een geringere isolatiedikte tegen de dorpel te voorzien en aldus een goot te creëren (zie afbeelding 42, § 2.3.2.1, alsook het WTCB-artikel [M1]).

Als men de opstandhoogte om toegankelijkheidsredenen nog zou willen verlagen, kan men er de schema's uit de afbeeldingen 44 en 45 op naslaan.

  1. Gootelement
  2. Beschermings- of draineerlaag
  3. Gewapende dekvloer
  4. Dakafdichting
  5. Thermische isolatie (waarvan de dikte afgestemd dient te worden op de geldende thermische regelgeving)
  6. Betegeling
  7. Dampscherm (zie TV 215 [W3], hoofdstuk 6)
  8. Hellingslaag
  9. Draagvloer
  10. Thermische snede om de koudebrug te beperken
Afb. 44 Variante met een beperkte opstandhoogte ter verbetering van de toegankelijkheid (met beperkte koudebrug).

  1. Metalen dorpel
  2. Rooster
  3. Dakafdichting
  4. Tegeldrager
  5. Thermische isolatie (waarvan de dikte afgestemd dient te worden op de geldende thermische regelgeving)
  6. Terrastegel
  7. Dampscherm (zie TV 215 [W3], hoofdstuk 6)
  8. Hellingslaag
  9. Draagvloer
  10. Thermische snede om de koudebrug te vermijden
  11. Metalen schrijnwerk (schuifraam)
Afb. 45 Variante met een beperkte opstandhoogte en ingewerkt buitenschrijnwerk ter verbetering van de toegankelijkheid (koudebrugvrij met onderprofiel).

De zijdelings opgeplooide afdichting onder de dorpel (nr. 1 uit afbeelding 40) is noodzakelijk om de continuïteit van het spouwmembraan te garanderen. Bovendien is het door deze manier van werken mogelijk om infiltraties via de voegen van de verschillende dorpelelementen te vermijden. Men dient echter wel bijzondere aandacht te schenken aan de verbinding tussen het spouwmembraan en de afdichting onder de dorpel (zie Infofiche nr. 20 [M2]). Zo dient het membraan onder de dorpel aangebracht te worden tot tegen het binnenspouwblad. Het thermische-isolatiemateriaal achter de dorpel (XPS) dient dan ook vochtbestendig te zijn.

Bij de dimensionering van de dorpeluitsparing in de ruwbouw moet voldoende rekening gehouden worden met de dikte van de afdichting (de afdichting mag in geen geval verdund worden).

Indien de opstandhoogte van de dakafdichting lager is dan in de afbeeldingen 40, 41 en 42, bestaat de kans dat het water binnenloopt, dat het schrijnwerk verrot of corrodeert, dat de aansluitingen beschadigd raken en dat renovatie bemoeilijkt wordt.

Om de toegankelijkheid van het gebouw te verbeteren, kan men in bepaalde omstandigheden genoodzaakt zijn om plaatselijk van voorgaande principes af te wijken (zie afbeeldingen 44 en 45). Hierbij wordt het spouwmembraan onder de dorpel (dat verbindbaar moet zijn met de afdichting, zie hoofdstuk 9, p. 89) – net zoals in de afbeeldingen 41 en 42 – uitgevoerd door de dakafdichter. De overlapverbinding tussen het spouwmembraan en de dakafdichting dient in voorkomend geval waterdicht gemaakt te worden. Om de continuïteit van het spouwmembraan naast de dorpels te waarborgen, verwijzen we de geïnteresseerde lezer naar Infofiche nr. 20 [M2].

Teneinde de verkleinde opstandhoogte enigszins te 'compenseren', zal het noodzakelijk zijn om de waterafvoer in de zone voor de deuropening te verbeteren. Dit kan bij een hechtende terrasbetegeling gebeuren door een goot te voorzien (zie afbeelding 44). Bij tegels op tegeldragers kan men hiertoe overgaan tot de plaatsing van een rooster (zie afbeelding 45).

Het voorzien van een luifel boven de deuropening zal de blootstelling verminderen.

De spouwdrainering dient op een hoger niveau te liggen dan de betegeling. Verder dient het afdichtingsmembraan onder de dorpel het spouwmembraan in de muur te overlappen (zie Infofiche nr. 20 [M2]). Indien de betegeling hechtend uitgevoerd wordt, dient men er bovendien voor te zorgen dat de goot even breed is als de afdichting onder de dorpel teneinde de spouwdrainering niet in het gedrang te brengen.

Wanneer men opteert voor een hechtende terrasbetegeling en een goot, dient er van bij de opvatting voldoende aandacht geschonken te worden aan de manier waarop het water uit de goot zal afgevoerd worden. Bij uitkragende balkons is het mogelijk om de draagvloer te doorboren en de waterafvoer vlak onder de goot te plaatsen. In de overige gevallen kan het noodzakelijk zijn om de goot over de volledige gevellengte te laten doorlopen en de regenwaterafvoer zijdelings door de dakopstand te laten geschieden.

Bij de uitvoering van de goot in de terrasbetegeling dient men zich terdege bewust te zijn van het risico op waterinfiltraties via de deuren, schuiframen of vensterdeuren.

Om deze problemen zoveel mogelijk te beperken, dient men enerzijds te zorgen voor een geschikte dimensionering van de dakwaterafvoer (zie hiervoor hoofdstuk 3, p. 15) en zo nodig bijkomende afvoerkolken en spuwers te voorzien. Anderzijds moeten de afvoervoorzieningen, de nooduitlaten en de goot voor de toegangsdeur op regelmatige basis (maandelijks) gecontroleerd worden om de verstopping ervan tegen te gaan.

Verder dient men erop toe te zien dat de betegeling steeds een helling van minstens 1,5 % vertoont en van de deuropening wegloopt.

Om de correcte spouwdrainering te waarborgen, zou de ruimte achter de goot niet volledig opgevuld mogen worden. Verder dient men de nodige schikkingen te treffen om de goot stabiel op haar plaats te houden. Het gebruik van prefabsystemen, waarbij de goot al dan niet met het buitenschrijnwerk verbonden wordt, geniet in deze context de voorkeur.

Indien de dekvloer een ontoereikende vorstbestendigheid vertoont, kan het nodig zijn om de terrasopbouw buiten van een drainagelaag te voorzien. Bij vorstbestendige dekvloeren (zie TV 189 [W6], § 5.4) kan het volstaan om de dakafdichting aan te vullen met een beschermingslaag.

Hoogteverschillen tussen de dorpel en de vloerbetegeling worden vaak ook langs binnen tot een minimum beperkt. Om te vermijden dat er op deze plaats koudebruggen zouden ontstaan, dient men het buitenschrijnwerk te voorzien van een vast, verzonken onderprofiel met een thermische snede (zie afbeelding 45). Aangezien dergelijke onderprofielen langdurig vochtig kunnen blijven, komen hiervoor gewoonlijk enkel profielen uit metaal in aanmerking.