Publicatiedatum : februari 2012

5.4.4. Vloeibare afdichtingen

Dakopstanden en detailleringen kunnen eveneens met vloeibare afdichtingen uitgevoerd worden. Dergelijke vloeibare afdichtingssystemen genieten zowel bij nieuwbouw als bij renovaties de voorkeur wanneer de uitvoering van de detailleringen met een bitumineus of synthetisch afdichtingsmembraan niet eenvoudig is. Dit geldt met name in de volgende gevallen :

  • in aanwezigheid van details met moeilijke vormen (bv. H-profielen, kleine buisdoorgangen, …) of met een moeilijke hechting aan de ondergrond (zie hoofdstuk 9)

  • moeilijk bereikbare detailleringen (bv. onder apparaten)

  • indien er een risico op schade door hitte of vlamlassen bestaat (bv. opstand achter een gevelbekleding, smeltbare lichtkoepels)

  • indien men een verbinding dient uit te voeren tussen twee materialen die onderling niet verenigbaar zijn (zie hoofdstuk 9).
In principe wordt de vloeibare afdichting in twee lagen aangebracht met daartussen een wapeningsnet. Voor de afdichting van zeer lokale detailleringen kan men eveneens een beroep doen op systemen met geïntegreerde wapeningsvezels. In dit laatste geval dient men er nauwlettend op toe te zien dat de vereiste laagdikte (verbruik per m²) wordt bereikt. Omwille van praktische (slijtvastheid of slipweerstand) of esthetische redenen kan het bovendien noodzakelijk zijn om een bijkomende afwerklaag te voorzien.

Vloeibare afdichtingen voor de uitvoering van dakdetails dienen minimaal te weerstaan aan een gebruikslast van de klasse P2 (dynamische en statische ponsweerstand van respectievelijk I2 en L2 bij een temperatuur van 23 °C volgens de Europese Goedkeuringsleidraad ETAG 005 [E1]). De belopen zones dienen dan weer te kunnen weerstaan aan een minimale gebruikslast van de klasse P3 (dynamische en statische ponsweerstand van respectievelijk I3 en L3, bij een temperatuur van 23 °C).

Afhankelijk van de ondergrond kan het voor het bereiken van een goede hechting noodzakelijk zijn om een geschikte primer aan te wenden. De ondergrond dient in elk geval voldoende trekvast (cohesief) te zijn. Hiertoe dienen alle oneffenheden uitgevlakt te worden en dient men alle openingen en spleten op te vullen volgens de richtlijnen van de fabrikant.

Ondanks het feit dat er voor de uitvoering van de detailleringen en aansluitingen met vloeibare afdichtingen tal van producten in de handel beschikbaar zijn die hun deugdelijkheid bewezen hebben, is deze techniek vooralsnog niet goed ingeburgerd.

Voor wat betreft hun verenigbaarheid met en aansluiting op de traditionele bitumineuze en synthetische baanvormige dakafdichtingen dient men de nodige inlichtingen in te winnen bij de betrokken fabrikanten (zie ook hoofdstuk 9).

Deze dakaansluitingen verdienen extra aandacht tijdens het onderhoud van het dak (zie TV 215 [W3]).

De bitumineuze of synthetische afdichtingsstroken worden bij voorkeur over een hoogte van 50 mm tegen de opstand aangebracht alvorens men overgaat tot de verwezenlijking van de overlapverbinding met de vloeibare afdichting. Indien dit omhoogbrengen van de afdichting de duurzame en veilige detaillering van het dak in het gedrang brengt (zie de hiervoor aangehaalde voorbeelden), is het opportuun om de stroken te laten eindigen op het dakvlak. De goede onderlinge verbindbaarheid tussen de verschillende materialen is in dit geval een absolute voorwaarde om een correcte overlapverbinding tot stand te kunnen brengen.

De vloeibare afdichting moet tot op een zodanige lengte op het dakvlak doorgetrokken worden dat er een overlapverbinding van minstens 100 mm met het horizontale gedeelte van de dakafdichting ontstaat.

Ongeacht haar ondergrond moet een vloeibare afdichting steeds over een aanhechtingsstrook van 100 mm beschikken.