Publicatiedatum : februari 2012

4.2.1. Plaats van de nooduitlaten op het dak



  1. Spuwer
  2. Maximaal toelaatbare waterhoogte (doorgaans 50 mm boven de dakafdichting ter plaatse van de dakwaterafvoer)
  3. Normale dakwaterafvoerbuis

Afb. 22 Schematische voorstelling van de inplanting en de werking van de spuwers.
Spuwers worden doorgaans op een aanzienlijke afstand van de normale dakwaterafvoer in de dakopstand aangebracht. Zodoende is het mogelijk om de afdichting van de normale dakwaterafvoer en de spuwer afzonderlijk uit te voeren. Bij de inplanting van de spuwers dient men er enerzijds op toe te zien dat ze de gebruikers niet hinderen en anderzijds dat ze geen schade aan het gebouw teweegbrengen. Gelet op hun signaalfunctie is het bovendien aan te bevelen dat hun werking goed zichtbaar is.

Noodafvoerkolken worden daarentegen gewoonlijk in de onmiddellijke omgeving van de normale dakwaterafvoer ingeplant.

Het laagste punt van de nooduitlaat mag zich niet te laag bevinden. In voorkomend geval zou deze immers kunnen beginnen te fungeren als een gewone dakwaterafvoer, wat niet de bedoeling is. Langs de andere kant mag de nooduitlaat ook niet te hoog gelegen zijn om te grote waterophopingen op het dak te vermijden.

Het laagste punt van de nooduitlaat dient zich te bevinden op de maximale waterhoogte die gebruikt werd voor de dimensionering van de dakwaterafvoer (doorgaans 30 of 50 mm, afhankelijk van het geval, zie hoofdstuk 3). Over het algemeen wordt de nooduitlaat minstens 50 mm hoger geplaatst dan het niveau van de dakafwerking ter plaatse van de dakwaterafvoer (zie afbeelding 22).