Publicatiedatum : februari 2012

3.3. Dimensionering

Het afvoervermogen dient bepaald te worden met behulp van een geschikte methode. Voor open afvoerbuizen maakt men hiertoe doorgaans gebruik van de volgende vuistregel : per vierkante meter horizontale dakprojectie dient men voor de afvoeropening een sectie van 1 cm² te voorzien. Deze vuistregel houdt evenwel geen rekening met de maximaal toelaatbare waterhoogte op het dak.

Voor de nauwkeurige dimensionering van hemelwaterafvoerinstallaties kan men sinds 2000 een beroep doen op de Europese norm NBN EN 12056–3 [B8]. Volgens deze norm kan het van het dak af te voeren debiet eenvoudig bepaald worden met behulp van de volgende formule :

Q = r . A . C (l/s)

waarbij :

  • Q : het via de dakwaterafvoeren af te voeren debiet (in l/s)

  • r : de regenintensiteit (in l/m².s). Volgens de norm NBN 306 [B2] dient men een regenintensiteit 'r' van 0,05 l/m².s te hanteren (dit stemt volgens de norm NBN B 52–011 [B3] overeen met een bui die bij een duur van 2 minuten een terugkeerperiode van ongeveer 15 jaar zou hebben). Opgemerkt weze dat er in het geval van gebouwen waar het falen van het regenwaterafvoersysteem tot zware schade zou kunnen leiden (bv. musea) rekening moet gehouden worden met een grotere regenintensiteit. Deze dient bepaald te worden door de bouwheer

  • A : de dakoppervlakte (in m²) die op de te dimensioneren dakwaterafvoer aangesloten is. Deze wordt als volgt berekend :

    • bij vrijstaande daken (d.w.z. daken waarop geen andere gevels uitgeven) stemt A overeen met de horizontale dakprojectie

    • indien er op het dak één of meer hoger gelegen gevels uitmonden, dan moet de horizontale dakprojectie vermeerderd worden met de helft van deze geveloppervlaktes

  • C : een reductiecoëfficiënt die rekening houdt met de vertraging die het afstromende water ondervindt als gevolg van de aard van het ontvangende oppervlak. Doorgaans wordt deze coëf­ficiënt gelijkgesteld aan 1 (ook bij ballast- en groendaken, zie TV 229, § 3.7.1 [W1]).

Het waterdebiet dat door een kolk afgevoerd kan worden, is afhankelijk van de kolkdiameter D en de waterhoogte h boven de kolkrand. De keuze van deze waterhoogte, doorgaans 30 tot 50 mm, dient te gebeuren rekening houdend met de maximaal toelaatbare waterhoogte op het dak. Deze waarde moet opgegeven worden door de stabiliteitsverantwoordelijke van het dak.

De werkelijke capaciteit van geprefabriceerde dakkolken kan door de fabrikant aangegeven worden aan de hand van proeven, uitgevoerd op basis van de norm NBN EN 1253–2 [B5].

Handmatig vervaardigde dakwaterafvoeren kunnen gedimensioneerd worden door gebruik te maken van de formules uit de norm NBN EN 12056–3 [B8] (zie ook de grafieken uit de TV 229 [W1]).

Voor de dimensionering van rechthoekige dakwaterafvoeren doorheen een opstand kan dan weer gebruik gemaakt worden van de formules die in de norm NBN EN 12056–3 [B8] opgegeven worden voor de berekening van niet-cirkelvormige uitlaatopeningen.

Voor de dimensionering van cirkelvormige uitlaatopeningen doorheen een opstand kan men ten slotte teruggrijpen naar de grafieken die in Infofiche nr. 40 [D1] opgegeven worden voor cirkelvormige spuwers.

Het is steeds aanbevolen om minimum twee dakwaterafvoeren per dak te voorzien.