Publicatiedatum : februari 2012

3.2. Algemene principes

Zoals eerder vermeld, zou de dakwaterafvoer zich op het laagste punt van de afschotlijn moeten bevinden en dit, liefst in een speciaal hiertoe voorziene uitsparing of verdieping in de dakvloer (beton of isolatiemateriaal). De dakwaterafvoer zou bij voorkeur niet geplaatst mogen worden in een uitzetvoeg of in de onmiddellijke nabijheid ervan. Indien dit echter onvermijdelijk is, moet de afvoer langs beide zijden van de voeg gebeuren, zoals aangegeven op afbeelding 94.

De rechtstreekse aansluiting van de dakafdichting op de plakplaat van de dakwaterafvoer wordt afgeraden. Dit zou immers aanleiding kunnen geven tot spanningen in de afdichting ten gevolge van :
  • het hellingsverschil aan beide zijden van de afvoer
  • het kleine hoogteverschil ter plaatse van de waterafvoer als gevolg van de verdiepte uitvoering ter verbetering van de waterafvloeiing
  • de doorgaans onregelmatige vorm van de hellingslagen ter plaatse van de dakwaterafvoer.
Er wordt dan ook aanbevolen om deze aansluiting te verwezenlijken met behulp van een aparte afdichtingsstrook.

De dakwaterafvoer zou vervaardigd moeten worden uit een materiaal dat verenigbaar is met de gebruikte afdichtingsmaterialen en hun plaatsingswijze. Dit hulpstuk moet zodanig opgevat zijn dat de afdichting er waterdicht mee kan verbonden worden, hetzij door middel van een plakplaat, hetzij door middel van klemringen, hetzij door een combinatie van beide voornoemde procedés.

Dakwaterafvoeren kunnen zowel handmatig vervaardigd worden als geprefabriceerd. In het eerste geval gaat het veelal om afvoeren van het tapbuistype (zie afbeeldingen 12 en 15). In het tweede geval kan het zowel gaan om tapbuizen als om dakkolken (zie afbeeldingen 16 en 19). Voor geprefabriceerde dakwaterafvoeren is er bovendien een norm voorhanden (NBN EN 1253-2 [B5]) die de minimale afvoercapaciteit aangeeft naargelang van hun nominale diameter (zie § 3.3.).

In de praktijk stelt men vaak vast dat de opening doorheen de dakvloer ruimer gemaakt wordt dan de diameter van de afvoer. Indien deze uitsparing na het plaatsen van de afvoer niet correct lucht- en dampdicht gemaakt wordt, kan men op deze plaats – en dit, voornamelijk bij een streng binnenklimaat – geconfronteerd worden met het optreden van inwendige condensatie. Om de hieruit voortvloeiende vochtproblemen binnen de perken te houden, is het daarom aanbevolen om de thermische isolatie ter plaatse van de waterafvoer te compartimenteren (zie afbeelding 18).

Voor daken met een dampscherm vanaf klasse E2 of in geval van een sterke windbelasting dienen de openingen tussen de dakwaterafvoer en de dakvloer bijgevolg correct dampdicht (en luchtdicht) gemaakt te worden. Hiertoe zijn er diverse tweeledige geprefabriceerde waterafvoeren (zie afbeelding 9) in de handel beschikbaar. Het gaat hier om hulpstukken die toelaten om een waterdichte aansluiting te realiseren ter hoogte van de afdichting en het dampscherm en dit, zonder het dampscherm te onderbreken.

In aanwezigheid van een luchtopen dakvloer (bv. opgebouwd uit geprofileerde staalplaten) of een mechanisch bevestigde afdichting moet de dakwaterafvoer voldoende stevig op de dakvloer bevestigd zijn (bv. met behulp van schroeven of door verlijming) om te kunnen weerstaan aan de uitgeoefende windkrachten, de vervorming van de dakvloer, … Een bevestiging met schroeven of door verlijming is overigens ook voor de andere gevallen aanbevolen.



  1. Dakvloer
  2. Dampscherm (zie TV 215, hoofdstuk 6 [W3])
  1. Thermische isolatie (waarvan de dikte afgestemd dient te worden op de geldende thermische regelgeving)
  2. Dakafdichting
Afb. 9 Tweeledige waterafvoer.

De dakwaterafvoer moet te allen tijde verzekerd blijven. Teneinde de verstopping ervan door bladeren en afval te voorkomen, kan het daarom nuttig zijn om deze inrichting te beschermen door middel van een bolrooster, een grindvang, … Het dak moet bovendien regelmatig onderhouden worden op initiatief van de eigenaar (bij voorkeur na het vallen van de bladeren en na de winter, zie TV 215, hoofdstuk 11 [W3]). Het gebruik van een grindvang rondom een dakwaterafvoer heeft als voordeel dat het regenwater bij een gebeurlijke verstopping toch nog langs de bovenzijde afgevoerd kan worden. Teneinde de verstopping van de dakwaterafvoer door ijs te voorkomen, kan het in bepaalde gevallen nuttig zijn om zijn toevlucht te nemen tot een verwarmde dakkolk.

Ondanks het feit dat standleidingen buiten het bestek van deze TV vallen, willen we wel benadrukken dat deze gemakkelijk bereikbaar moeten zijn met het oog op hun eventuele onderhoud en vervanging. De plaatsing ervan in een spouwmuur of een kolom wordt dan ook sterk ontraden.

In deze context dient men ook voldoende rekening te houden met de volgende aandachtspunten :
  • de bewegingen van de verschillende tapbuizen en draagvloeren moeten op een geschikte manier opgevangen worden

  • in verwarmde ruimten dient men de standleidingen voor de regenwaterafvoer voldoende te isoleren om te vermijden dat deze ten prooi zouden vallen aan condensatie [B10]. In voorkomend geval dienen de leidingen op een voldoende grote afstand van de muur geplaatst te worden om de tussenvoeging van de thermische isolatie niet in het gedrang te brengen

  • na de plaatsing van de dakwaterafvoer moeten de uitsparingen die hiertoe in de draagvloer gemaakt werden correct afgedicht worden (zie hiervoor)

  • om geurhinder en vochtproblemen bij een gebeurlijke terugstroming vanuit de riolering te vermijden, verdient het de aanbeveling om de dakwaterafvoer lucht- en waterdicht met de afvoerstandleiding te verbinden. Ook bij gebouwen waar er strenge luchtdichtheidseisen gesteld worden aan de gebouwschil, is een dergelijke luchtdichte aansluiting van belang. Deze kan bijvoorbeeld bewerkstelligd worden door gebruik te maken van een dakwaterafvoer die uitgerust is met een afvoerbuis met een ad hoc-rubberdichting (O-ring) of waarvan de diameter afgestemd is op de diameter van de standleiding, zodanig dat de verbinding tot stand gebracht kan worden met behulp van een mof (zie afbeelding 9). Men dient eveneens voldoende nooduitlaten op het dak te voorzien (zie hoofdstuk 4)

  • bij lange standleidingen mag men ook de thermische uitzetting niet uit het oog verliezen. Hiertoe kan het nodig zijn om uitzetvoegen te voorzien. Verder verdient het de aanbeveling om het begin van de standleiding te verbinden met de aanzet van de dakwaterafvoer, zodanig dat de thermische bewegingen kunnen plaatsvinden naar beneden toe.