Versie

2.3.2. Binnengoten

2.3.2.1. Binnengoot naast een buitenmuur

Indien er een regenwaterafvoer binnen het gebouw voorzien wordt, dient men na te gaan of dit geen aanleiding geeft tot condensatie op of rond de waterafvoer, geurproblemen, vochtproblemen bij een gebeurlijke waterterugslag van de rioleringen, luchtlekken, … In voorkomend geval zal men aangepaste maatregelen moeten treffen (voorzien van een isolatie of van een lucht- en waterdichte aansluiting van de dakwaterafvoer op de standleiding, …), waarvoor we verwijzen naar § 3.2.. De voorkeur gaat in de regel uit naar het gebruik van een kielgoot (zie § 2.3.2.2.).


Afb. 6 Binnengoot naast een buitenmuur : algemeen principe (warm dak).

  1. Dunnere thermische isolatie waarin de goot gevormd wordt
  2. Dakafdichting
  3. Dampscherm (zie TV 215, hoofdstuk 6 [W3])
  1. Thermische isolatie (waarvan de dikte afgestemd dient te worden op de geldende thermische regelgeving)
  2. Hellingslaag
  3. Thermische snede om de koudebrug te vermijden


De goot kan in de hellingslaag gevormd worden of – bij warme dakopbouwen – gecreëerd worden door een kleinere isolatiedikte nabij de buitenmuur te voorzien. Strikt genomen zou de Umax-waarde van het dak op deze plaats niet hoger mogen zijn dan de bij wet vastgelegde grenswaarden. Indien er in het geval van een renovatie een bijkomende dakisolatie aangebracht wordt en de vereiste dakopstandhoogte anders niet gerespecteerd kan worden, kan van deze regel plaatselijk (ter hoogte van de goot) afgeweken worden (zie afbeelding 42, , en Katern 6 van de WTCB-Dossiers 2/2011 [M1]).

In geval van een warme dakopbouw (zie afbeelding 6) zou de binnengoot een helling van minstens 1 % moeten vertonen. Voor omkeerdaken (zie afbeelding 7) zou deze helling bij voorkeur 2 % moeten bedragen (cf. TV 215, § 3.2. [W3]).


Afb. 7 Binnengoot naast een buitenmuur : algemeen principe (omkeerdak).

  1. Thermische snede om de koudebrug te vermijden
  2. Ballastlaag
  3. Dakafdichting
  1. Thermische isolatie (waarvan de dikte afgestemd dient te worden op de geldende thermische regelgeving)
  2. Hellingslaag


Vermits de goot hellend uitgevoerd wordt, zou men erover moeten waken dat er op geen enkele plaats koudebruggen kunnen ontstaan (zie Bijlage 1). Veiligheidshalve zou de thermische isolatie van het dak zich dan ook op geen enkel punt op een hoger niveau mogen bevinden dan de thermische snede in de dakopstand (bv. isolerende bouwblokken). Indien de thermische snede lager gelegen is, dient men de bepalingen uit Bijlage 1 te controleren.

Bij binnengoten dienen er voldoende overlopen (spuwers en/of noodafvoerkolken) voorzien te worden om te vermijden dat de goot bij een eventuele verstopping van de dakwaterafvoer of bij uitzonderlijk hevige regenbuien te zwaar belast zou worden of dat er infiltraties langs de koepels, dorpels, … zouden optreden. Voor meer informatie over de opvatting en de uitvoering van de overlopen verwijzen we naar hoofdstuk 4.

Wanneer het dakvlak afgedicht wordt met dakbanen uit kunststof die loodrecht op de goot geplaatst worden, dient men deze laatste uit te voeren met een bijkomende afdichtingsstrook, teneinde het aantal overlapverbindingen in de goot te beperken.

2.3.2.2. Binnengoten in het dakvlak en kielgoten

Vermits het voorzien van een echte binnengoot gepaard gaat met een groot aantal infiltratierisico's, geeft men doorgaans de voorkeur aan de uitvoering van kielgoten.

Het optreden van waterstagnaties kan bij kielgoten voorkomen worden door deze naar de waterafvoer toe te laten hellen door middel van diamantpunten uit isolatiemortel of -platen (zie afbeelding 8).


Afb. 8 Waterafvoer : algemeen principe.

  1. Helling naar de goot of kielgoot (liefst ≥ 2 %)
  2. Helling naar de waterafvoer (liefst ≥ 1 % voor warme da­ken en ≥ 2 % voor omkeerdaken)
  3. Diamantpunt
  1. Dakwaterafvoer
  2. Spuwer
  3. Hoger geplaatste noodafvoerkolk


Deze helling kan reeds in de draagconstructie voorzien worden. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren door de kolommen een verschillende hoogte te geven. Hierbij dient men rekening te houden met het feit dat de elementen ter plaatse van de kielgoten voldoende ondersteund moeten worden om doorbuiging te voorkomen.

Door de afdichtingsmembranen in de kielgoot parallel met de goothelling te plaatsen, kan men het aantal overlapverbindingen op deze plaats beperken en zodoende het ontstaan van plooien in de afdichting vermijden.

De banen van de dakafdichting liggen bij bitumineuze membranen evenwijdig met de dakhelling (zie ook TV 215, p. 59 [W3]). De naden van de gootafdichting dienen in voorkomend geval te verspringen ten opzichte van de naden van de dakafdichting.

Indien de membranen uit kunststof bestaan, kan men de dakbanen eveneens loodrecht op de dakhelling plaatsen en wordt de gootafdichting doorgaans parallel met de goot uitgevoerd. Zodoende kan het aantal naden in de goot sterk beperkt worden.

Er dienen voldoende nooduitlaten (spuwers en/of noodafvoerkolken) voorzien te worden om te vermijden dat de goot bij een eventuele verstopping van de dakwaterafvoer of bij uitzonderlijk hevige regenbuien te zwaar belast zou worden of dat er infiltraties langs de koepels, dorpels, … zouden optreden.

Wanneer de dakwaterafvoer van de kielgoot zich niet langs de dakopstand, maar eerder in het dakvlak bevindt, kan de waterhoogte op het dak – bij vrij grote kielgootlengten – te hoog worden alvorens deze de spuwer bereikt. Als alternatief zou men in voorkomend geval zijn toevlucht kunnen nemen tot een verhoogde noodafvoerkolk in de omgeving van de dakwaterafvoer (zie afbeelding 8). Dit principe wordt nader toegelicht in § 4.2..

Bij omkeerdaken wordt de thermische isolatie doorlopend op de afdichting aangebracht, zonder onderbreking in de kielgoten. In dit geval is een goede afwatering nog belangrijker. Er zal met andere woorden een grotere kielgoothelling nodig zijn (minstens 2 %, zie TV 215, § 3.2 [W3]). Dit impliceert dat de diamantpunten groter moeten worden en de opstanden bijgevolg ook hoger zullen moeten zijn. Op het raakpunt van twee verschillende hellingen zullen de isolatieplaten zorgvuldig doorgesneden of doorgezaagd moeten worden.

Ten slotte dient men er ook nauwlettend op toe te zien dat er geen koudebruggen aan de opstanden ontstaan (zie § 2.3.2.1., en Bijlage 1).