Publicatiedatum : februari 2012

2.2. Algemene principes

Niettegenstaande sommige principes vanzelfsprekend zijn, leek het ons toch nuttig om ze hieronder even te herhalen, gelet op het feit dat er nog veel fouten tegen gemaakt worden.

Bij nieuwbouw zou de nominale helling van het dakvlak bij voorkeur 2 % of meer moeten bedragen (helling 3 op afbeelding 1). Bij het vernieuwen (renoveren) van bestaande daken is een dergelijke helling dikwijls niet haalbaar, tenzij men het dak voorziet van een bijkomend afschot. We wensen hierbij aan te stippen dat plasvorming bij de huidige dakafdichtingen (polymeerbitumen, synthetische en vloeibare afdichtingen) gewoonlijk geen aanleiding geeft tot een versnelde veroudering en dan ook geen afdoend argument vormt om voorbehoud te maken bij de oplevering (zie TV 215, hoofdstuk 5 [W3]).

De goot dient op een lager peil te liggen dan het dakvlak. De afvoer moet zich op zijn beurt in het laagste punt van de goot bevinden.

De noodzaak om de goot van een helling te voorzien, is dan weer afhankelijk van het goottype (zie helling 1 op afbeelding 1). Zo kan men er uit esthetische redenen voor opteren om een hanggoot zonder helling uit te voeren. De hieruit voort­vloeiende waterstagnaties vormen immers geen enkel probleem, voor zover er voldoende aflopen voorzien worden. Kielgoten en binnengoten moeten daarentegen wel steeds hellend uitgevoerd worden (minimum 1 % bij warme daken en 2 % bij omkeerdaken, zie TV 215 § 3.2 [W3]).

De afmetingen van de goot dienen niet alleen aangepast te zijn aan het type, de vorm en de helling van de goot, maar ook aan de hoeveelheid af te voeren water. De dimensionering moet gebeuren volgens de norm NBN EN 12056–3 [B8]. In de Belgische norm NBN 306 [B2] wordt aanbevolen om bij deze berekening een regenintensiteit 'r' van 0,05 l/s.m² (3 l/min.m²) te hanteren.

De goten worden bij voorkeur aan de buitenzijde van het gebouw voorzien, zodanig dat er bij eventuele lekken geen water naar binnen zou lopen.

De voorkant van de goot zou ook steeds lager moeten zijn dan de achterkant. Zodoende kan men immers verzekeren dat het water bij het overlopen van de goot naar de buitenkant afloopt.


Afb. 2 Principe van een goot.


Bij het ontwerp van het gebouw dient men de dakhellingen zodanig te concipiëren dat er geen uitzetvoegen aangebracht hoeven te worden in de goten. Indien zulks niet mogelijk is, dienen de uitzetvoegen op het hoogste punt van de goot voorzien te worden, zodanig dat het water ervan weggeleid wordt.

Er dienen ook voldoende nooduitlaten voorzien te worden (zie 2 op afbeelding 1) om te vermijden dat de goot bij een eventuele verstopping van de dakwaterafvoer of bij uitzonderlijk hevige regenbuien te zwaar belast zou worden of dat er infiltraties langs de koepels, dorpels, … zouden optreden. Het peil van deze nooduitlaten dient bijgevolg lager gelegen te zijn dan deze dakopstanden. Voor meer informatie over het aantal en de dimensionering van de nooduitlaten verwijzen we naar hoofdstuk 4.

Als de afdichting doorgetrokken wordt tot in de binnengoot, dient men erop toe te zien dat de verbinding met de afvoerbuis afgewerkt wordt in overeenstemming met de voorschriften uit hoofdstuk 3.