2.2 Classificatie van gesteenten

2.2.1 Commerciële classificatie

In de bouwindustrie (aannemers, bouwheren, ontwerpers, leveranciers, …) hanteert men dagelijks zogenaamde commerciële classificaties met een sterk vereenvoudigde benadering om het gebruik ervan vlotter te laten verlopen. De hiernavolgende commerciële classificatie heeft dus niets te maken met de verschillende wetenschappelijke classificaties, ontwikkeld door geologen, waarvan de meest gebruikte in België voorgesteld worden in de § 2.2.2 en § 2.2.3. De commerciële benamingen en de verspreide commerciële classificaties geven echter vaak aanleiding tot foutieve aanduidingen, waarbij de gegeven naam niets te maken heeft met de geologische aard of de herkomst van de steen.

Derhalve leunt de hierna voorgestelde commerciële classificatie, die opgesteld werd in samenwerking met het TC 'Steen en Marmer', sterk aan bij de wetenschappelijke classificaties om naamsverwarringen zoveel mogelijk te vermijden. Ze is gebaseerd op de drie voorgenoemde grote steensoorten en is als volgt ingedeeld :
  • stollingsgesteenten :
    • graniet
    • basalt
  • afzettingsgesteenten :
    • siliciclastische + kwartsrijke gesteenten
    • carbonaathoudende gesteenten :
      • zandige kalksteen
      • marmerachtige kalksteen
      • niet-marmerachtige kalksteen
    • leisteen, schalie, schist
  • metamorfe gesteenten :
    • leisteen, schalie, schist
    • gneis
    • marmer.
Deze classificatie doet dienst als zoekmotor in de databank van natuursteen, waar men de technische fiches kan raadplegen. Deze fiches bevatten de referentienaam, de commerciële benaming evenals de macroscopische en microscopische beschrijving (petrografie) van het gesteente.

2.2.1.1 Magmatische gesteenten

In deze commerciële classificatie duidt de term 'graniet' alle plutonische gesteenten aan die grote kristallen vertonen die makkelijk met het blote oog herkenbaar zijn (fanerokristallijne textuur). De term 'basalt' doelt op vulkanische gesteenten waarvan de kristallen meestal niet met het blote oog onderscheiden kunnen worden (afanitische textuur). De term graniet is hier dus beperkter dan in de oude classificaties (TV 205), aangezien de metamorfe gesteenten buiten beschouwing gelaten worden.

Tabel 1 Stollingsgesteenten : verschil in structuur tussen twee granieten (1. Blanco Perla en 2. Rosa Porino) en twee basalten (3. Belfast Black en 4. Oriental Basalt). Elke steen wordt op dezelfde schaal getoond (grote zijde : 4,5 cm).
Magmatische gesteenten
GRANIET
1

2
BASALT
3

4

2.2.1.2 Sedimentaire gesteenten

De groep der sedimentaire gesteenten telt het grootste aantal categorieën. Deze weerspiegelen de diversiteit van de vormingswijze en de aard zelf van het materiaal, wat uiteraard leidt tot uiteenlopende mechanische karakteristieken en verschillende toepassingen.

De eerste categorie omvat zandsteen en silicaatrijke gesteenten. Deze steensoorten worden in de bouwsector in eerste instantie aangewend voor bestratingen en betegelingen van het wegennet en voor het oprichten van muren uit breukstenen. Het gaat hier vooral om stenen die ruw aanvoelen en waarvan de kleur vaak verschilt binnen eenzelfde levering.

De categorie der carbonaathoudende gesteenten omvat het grootste aantal stenen en is onderverdeeld in drie subgroepen :
  • zandige of detritische kalksteen die naast calciet nog een belangrijke fractie andere mineralen bevat zoals kwarts en/of glauconiet
  • marmerachtige kalksteen
  • niet-marmerachtige kalksteen.
Het verschil tussen de laatste twee subgroepen merkt men vooral bij het polijsten. Dit onderscheid is erg belangrijk vanuit een architecturaal standpunt, aangezien het toelaat te bepalen of een steen al dan niet polijstbaar is. In het algemeen zijn compacte, weinig poreuze gesteenten beter polijstbaar dan zogenaamde zachte (poreuze) gesteenten. Een marmerachtig gesteente heeft doorgaans een densiteit hoger dan 2.500 kg/m3. Het merendeel van de Franse witte steen behoort tot de niet-marmerachtige gesteenten.

Tabel 2 Commerciële classificatie van de sedimentaire gesteenten.
Sedimentaire gesteenten
Zandsteen en silicaatrijke gesteenten Zandsteen uit Bois d’Anthisnes
Zandsteen uit Bois d'Anthisnes (foto van P. Dethier).
Carbonaathoudende gesteenten Zandige kalksteen Zandige kalksteen van Fontenoille
Zandige kalksteen van Fontenoille (foto van PMW).
Marmerachtige en niet-marmerachtige kalksteen Marmerachtige fossielhoudende kalksteen (Jura Gelb).
Marmerachtige fossielhoudende kalksteen (Jura Gelb).
Leisteen, schalie, schist Uitvoering in Mustang (Black Shale of Pitangui).
Uitvoering in Mustang (Black Shale of Pitangui).

De laatste categorie, die leisteen, schist en schalie bevat, overlapt de afzettingsgesteenten en de metamorfe gesteenten. Het is voor de meeste mensen immers heel moeilijk om de grens te trekken tussen zuiver sedimentaire schist en leisteen, d.i. schist die een min of meer belangrijke metamorfose onderging. Bovendien is de Franse woordenschat minder precies dan de Angelsaksische (en de Nederlandse), zodat het de Franse geologen soms ontbreekt aan geschikte termen om de gesteenten aan te duiden. Tabel 3 geeft een beknopt overzicht van de terminologie voor deze gesteenten in de drie talen met een schets van de structuur van elk gesteente.

Tabel 3 Drietalige terminologie van schalie, leisteen, schist (*).
Sedimentaire gesteenten Metamorfe gesteenten
Losse sedimenten Verharde sedimenten Zwakke metamorfose (diagenese) Sterkere metamorfose
Niet gelaagd Gelaagd Zonder splijting Met splijting Gemiddeld Zeer sterk
Klei
Argile
Clay
Kleisteen
Argilite
Claystone
Schalie
Argilite/shale
Shale
Argilliet
Argilite
Argillite
Leisteen
Schiste/Ardoise
Slate
Fylliet
Phyllade
Phyllite
Schist
Schiste
Schist
  Niet gelaagd Gelaagd Zonder splijting Met splijting Gemiddeld Zeer sterk
(*) De schema's werden ontleend aan M. Sintubin.

Deze gesteenten behoren tot de grote groep der 'mudrocks' (letterlijk 'moddergesteenten') die uitgevonden werd door Engelse geologen. Deze groep bevat alle siliciclastische afzettingen die hoofdzakelijk bestaan uit elementen ter grootte van silt (1/16 tot 1/256 mm of 0,062 tot 0,004 mm) of klei (< 1/256 mm of 0,004 mm).

Lundegard en Samuels (1980) gebruiken de term 'shale' om gecompacteerde klei aan te duiden die min of meer siltrijk is, en die een splijting volgens de gelaagdheid vertoont. Ze stelden vast dat men in België in de praktijk vaak de term 'schist' gebruikt om verharde gesteenten aan te duiden met een fijne granulometrie die een zekere schistositeit verkregen, d.w.z. een splijting tengevolge van een heroriëntatie van de mineralen onder invloed van tektonische druk (schieferige splijting). Volgens deze auteurs impliceren de termen 'leisteen' of 'fylliet' daarentegen een metamorfose waarbij de meeste mineralen herkristalliseerden en waarbij nieuwe soorten mineralen gevormd werden. Ze preciseren dat de mineralen die op deze manier ontstonden uitgestrekt liggen in de vlakken die loodrecht staan ten opzichte van de tektonische druk, en dat het gesteente zich evenwijdig met deze vlakken opbreekt in dunne glanzende schijven met een fijne kristaltextuur (druksplijting).

2.2.1.3 Metamorfe gesteenten

We hebben besloten in deze commerciële classificatie van de metamorfe gesteenten enkel de meest voorkomende categorieën te bespreken. Deze zijn verbonden met twee minerale faciës met tegengestelde texturen (gefolieerde en niet-gefolieerde gesteenten) en zijn makkelijk macroscopisch herkenbaar.

Tabel 4 Commerciële classificatie van de metamorfe gesteenten.
Metamorfe gesteenten
Niet-gefolieerd
marmer
Gefolieerd
Gneis
Leisteen, schist en fylliet
Marmer
Carrarisch marmer
Gneis
Shivakasi Yellow
 Leisteen, schist en fylliet
Schist van Herbeumont

Deze twee categorieën weerspiegelen eveneens de sterk verschillende oorspronkelijke chemische samenstelling en de ondergane metamorfose.

Het schema uit afbeelding 3 toont de meest voorkomende metamorfe gesteenten afhankelijk van hun graad van metamorfose.


Afb. 3 De meest voorkomende metamorfe gesteenten volgens hun graad van metamorfose.

Afb. 3 De meest voorkomende metamorfe gesteenten volgens hun graad van metamorfose.


De term marmer die hier gehanteerd wordt staat duidelijk in relatie met de oorsprong van de steen, het betreft een metamorf en carbonaathoudend gesteente.

Gneis is, net zoals graniet, samengesteld uit alkaliveldspaat, kwarts en mica (glimmer). De mineralen liggen in verschillende lagen, waardoor het gesteente een gestreept uitzicht heeft. Gneis is overwegend grijs, roze of roodachtig. Soms is het zelfs groenachtig. De talrijke mineralogische variëteiten worden bepaald door de aard van de zware mineralen (muscoviet, biotiet, amfibool, pyroxeen, granaat, enz.). De schikking van de mineralen en van de lagen bepaalt een nomenclatuur op basis van de textuur (ogengneis, granietachtig gneis, gelaagd gneis, enz.).

Samen met de andere metamorfe gesteenten wordt gneis aangetroffen in uitgestrekte gebieden, die ongeveer 15 à 20 % van het aardoppervlak uitmaken.

2.2.2 Macroscopische classificatie

2.2.2.1 Inleiding

Deze classificatie werd ontleend aan de Technische Voorschriften PTV 844 en werd met een pragmatisch doel opgemaakt door een werkgroep die hoofdzakelijk bestond uit geologen, actief in het domein van natuursteen en zijn toepassingen in de bouw1. De classificatie kwam tot stand in het kader van de activiteiten van het BUtgb2 op gebied van natuursteen en aan de hand van de nuttige raadgevingen en adviezen van BCCA3 en COPRO4 .

De hierna volgende classificatie deelt de gesteenten in vanuit een macroscopisch oogpunt. Ze verschilt dus van een commerciële of petrografische classificatie en beoogt voornamelijk de gesteenten die gebruikt worden in de bouwindustrie (wegennet en gebouwen). Saliene, fosfaathoudende, koolstofhoudende gesteenten e.d. worden dus niet in aanmerking genomen.

Ook deze macroscopische classificatie is gebaseerd op de drie grote groepen van gesteenten die hiervoor aan bod kwamen : magmatische gesteenten, metamorfe gesteenten en sedimentaire gesteenten.

Op macroscopisch niveau is ook de kleur een belangrijk criterium bij de keuze van de steensoort. Kleur is een relatief subjectief visueel begrip dat voor heterogene, geaderde en gelaagde gesteenten moeilijk anders bepaald kan worden dan vanuit een kwalitatief opzicht. Indien het gesteente een voldoende homogene kleur vertoont, kan deze volgens twee methoden bepaald worden :
  • via een meting met een colorimeter5 bij de coördinaten L, a en b
  • via een meting aan de hand van de Rock Color Chart6 .
1 T. De Ruyver (COPRO), R. Van Rossum (ministère wallon de l’Equipement et des Transports), J.P. Cnudde (Rijksuniversiteit Gent), M. Briessinck (Vlaamse Gemeenschap), R. Dreesen et D. Lagrou (VITO-Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek), P. Bonmariage (BCCA), V. Netels et B. Misonne (Fédération belge des carrières de Pierre Bleue de Petit Granit), F. Tourneur (Pierres et Marbres de Wallonie), J. Elsen (KULeuven), D. Nicaise en F. de Barquin (WTCB).
2 Belgische Unie voor de technische goedkeuring in de bouw.
3 Belgian Construction Certification Association.
4 Onpartijdige Intselling voor de Controle van de Bouwproducten.
5 DIN 6174 Farbmetrische Bestimmung von Farbabstanden bei Körperfarben nach der CIELAB-Formel. Berlijn, Beuth Verlag GmbH, januari 1979.
6 Geological Society of America, Boulder, Colorado.
          

2.2.2.2 Magmatische gesteenten

Deze classificatie van magmatische gesteenten is een vereenvoudigde versie van de classificatie van Streckeisen, waarnaar ook de norm NBN EN 12670 verwijst. De classificatie gebeurt aan de hand van de hoeveelheid hoofdmineralen in het gesteente. Ze wordt niet alleen in de microscopie gebruikt om de verschillende mineralen precies te kwantificeren, maar ze is ook bruikbaar voor een macroscopische beschrijving aangezien de hoeveelheid en de aard van de voornaamste mineralen een variabel macroscopisch aspect aan de gesteenten verlenen.

Tabel 5 Macroscopische Indeling van magmatische gesteenten (of stollingsgesteenten).
NIVEAU 1 NIVEAU 2 NIVEAU 3 NIVEAU 4
1    MAGMATISCHE GESTEENTEN 1.1   Dieptegesteenten 1.1.1   Zuur 1.1.1.1   Syeniet
1.1.1.2   Graniet
1.1.1.3   Granodioriet
1.1.2   Intermediair 1.1.2.1   Dioriet
1.1.2.2   Monzoniet
1.1.3   Basisch 1.1.3.1   Gabbro
1.1.4   Ultrabasisch 1.1.4.1   Peridotiet
1.1.4.2   Duniet
1.1.5   Foïdoliet  
1.2   Vulkanische gesteenten 1.2.1   Zuur 1.2.1.1   Trachiet
1.2.1.2   Rhyoliet
1.2.1.3   Daciet
1.2.2   Intermediair 1.2.2.1   Andesiet
1.2.2.2   Latiet
1.2.3   Basisch 1.2.3.1   Basalt
1.2.4   Ultrabasisch 1.2.4.1   Tefriet
1.2.5   Pyroclastisch 1.2.5.1   Vulkanische tufsteen
1.3   Ganggesteenten (subvulkanisch) 1.3.1   Zuur 1.3.1.1   Pegmatiet
1.3.1.2   Syenietporfier
1.3.1.3   Granietporfier
1.3.2   Intermediair 1.3.2.1   Diorietporfier
1.3.3   Basisch 1.3.3.1   Gabbroporfier
1.3.3.2   Doleriet

Zo toont graniet bijvoorbeeld vaak een overwegend roze kleur (grijze en roze mineralen van grote omvang) met kleine zwarte mineralen, terwijl gabbro een donkere zwarte kleur heeft en dioriet een meer grijsachtige tint.

Onder de magmatische gesteenten onderscheiden we op macroscopisch niveau :
  • dieptegesteenten (intrusieve gesteenten) ontstaan door langzame afkoeling
  • ganggesteenten (of intermediaire gesteenten)
  • vulkanische gesteenten (extrusieve gesteenten) ontstaan door relatief snelle afkoeling.
Men spreekt van een zuur magmatisch gesteente wanneer kwarts het dominerende mineraal is en van een basisch magmatisch gesteente wanneer het dominerende mineraal ijzer- en magnesiumhoudend is, zoals pyroxeen.

2.2.2.3 Sedimentaire gesteenten

Sedimentaire gesteenten zijn zeer gevarieerd aangezien ze 75 % van de landoppervlakte bedekken. Ze bestaan uit gedesintegreerde, verweerde en getransporteerde materialen, uit chemische precipitaties of uit materialen van gemengde oorsprong.

De classificatie uit tabel 6 houdt enkel rekening met de overheersende aard van het gesteente, en niet met de ontstaanswijze ervan. Het gaat dus voornamelijk om silicaatrijke (kwarts en silicaten zoals klei) of carbonaathoudende gesteenten.


Tabel 6 Macroscopische indeling van sedimentaire gesteenten.
NIVEAU 1 NIVEAU 2 NIVEAU 3 NIVEAU 4 NIVEAU 5
2 SEDIMENTAIRE GESTEENTEN 2.1 Siliciclastische + silicaatrijke gesteenten 2.1.1 Zandsteen 2.1.1.1 Kwartsareniet  
2.1.1.2 Lithische areniet
2.1.1.3 Arkose en subarkose
2.1.1.4 Wacke
2.1.1.5 Kalkzandsteen
2.1.1.6 IJzerzandsteen
2.1.2 Schisteuze zandsteen  
2.1.3 Kleisteen en schalie
2.1.4 Mergel
2.1.5 Vuursteen en verkiezelingen
2.1.6 Conglomeraat-breccie
2.2 Carbonaathoudende gesteenten 2.2.1 Kalksteen 2.2.1.1 Micritische kalksteen  
2.2.1.2 Fossielhoudende kalksteen 2.2.1.2a met brachiopoden
2.2.1.2b met crinoïden
2.2.1.2c met schelpen van mollusken(*)
2.2.1.2d met rifvormende organismen(*)
2.2.1.3 Oölithische kalksteen  
2.2.1.4 Tufsteen en travertijn
2.2.1.5 Breccie
2.2.3 Dolomietrijke kalksteen  
2.2.4 Dolomiet
2.2.5 Detritische kalksteen
(*)  Schelpen van mollusken waaronder bivalven, cephalopoden (bijvoorbeeld Orthoceras) en gasteropoden.
(**) Rifbouwende organismen waaronder koralen, sponsachtigen, wieren en bepaalde mollusken (o.a. Rudisten).

In het geval van de silicaatrijke gesteenten die ofwel van detritische (siliciclastische) oorsprong zijn, ofwel ontstonden door (bio-)chemische precipitatie, houdt men bij de classificatie enkel rekening met de grote categorieën gesteenten die op de bouwmarkt voorkomen.

De classificatie van de carbonaathoudende gesteenten is niet alleen gebaseerd op de aan- of afwezigheid van dolomiet – een element dat van belang kan zijn voor de veroudering van de steen en zijn patina – maar ook op de aanwezigheid van detritische elementen (zoals kwarts en glauconiet).

Bij kalkstenen en dolomitische kalkstenen, wordt een onderscheid gemaakt op basis van drie criteria : de overvloedige aanwezigheid van macroscopisch herkenbare fossielen en oölieten (fossielhoudende kalksteen), de herkenbaarheid van de breccieachtige textuur of op basis van de aard van de steen (bv. chemische precipitatie bij travertijn en kalktuf). Voor fossielhoudende kalkstenen wordt telkens het dominerende fossiel vernoemd (bv. rijk aan crinoïden, schelpenfragmenten van brachiopoden of mollusken).

De norm NBN EN 12670 vermeldt de classificatie van Folk die vooral gebruikt wordt in een petrografisch kader (microscopische beschrijving). Deze classificatie kan echter ook aangewend worden bij een eenvoudig onderzoek met de loep (handlens).

De classificatie uit tabel 6 houdt geen rekening met bepaalde aspecten zoals de geologische ouderdom van het gesteente, hoewel dit nochtans een belangrijk criterium is voor sedimentaire gesteenten. In het algemeen neemt de intensiteit of het effect van de diagenese (consolidatie en/of cementatie) van een sedimentair gesteente toe met zijn geologische ouderdom. Een verhoging van de diagenese resulteert meestal in een compacter, harder en minder poreus gesteente.

Zo kan een poreuze Mesozoïsche witte steen zich in dezelfde 'rubriek' bevinden als een Paleozoïsche blauwe steen die harder en niet poreus is (bv. de Euvillesteen en de Petit Granit).

Toch zullen de kleur en vooral de technische kenmerken (volumieke massa, porositeit, druksterkte, enz. ) het onderscheid duidelijk maken.

In België zijn de uitgebate sedimentaire gesteenten hoofdzakelijk silicaat- of carbonaathoudend, van detritische, chemische (precipitatie of neerslag) of gemengde oorsprong. Je vindt er echter ook bioclastische (fossielhoudende) gesteenten.

2.2.2.4 Metamorfe gesteenten

Zoals reeds eerder vermeld, zijn de metamorfe fenomenen divers en complex en de bijhorende gesteenten zeer gevarieerd. Het spreekt dus vanzelf dat ook hun typologie en nomenclatuur bijzonder complex uitvallen.

Er werden al talrijke classificatiesystemen ontwikkeld op basis van de aanwezigheid van hoofdmineralen of secundaire mineralen (petrografische analyse). Aan de hand van deze systemen kan men de temperaturen en drukken op het ogenblik van de metamorfose definiëren. Voor het vergaren van dergelijke informatie is een gedetailleerde petrografische analyse noodzakelijk.

Fijnkorrelige metamorfe gesteenten (kleirijk van oorsprong) zoals fyllieten en kwartsfyllieten, hebben de bijzondere eigenschap in platen te kunnen gekloven worden (de schistositeit).

We hebben ook hier besloten alleen de meest voorkomende categorieën van metamorfe gesteenten te bespreken. Deze zijn macroscopisch eenvoudig te herkennen en zijn gebaseerd op de twee volgende minerale faciës met tegengestelde textuur : gefolieerde en niet-gefolieerde gesteenten.

Een gelijkaardige benadering werd voorgesteld in de Europese norm NBN EN 12670.

Voorbeelden van dergelijke gesteenten in België zijn de steen van Ottré, de ijzerhoudende schist van de Lienne, kwartsieten en quartzo-fylladen van Cambrium-Ordovicium ouderdom, …

Tabel 7 Macroscopische indeling van metamorfe gesteenten.
NIVEAU 1 NIVEAU 2 NIVEAU 3 NIVEAU 4
3    METAMORFE GESTEENTEN 3.1   Gefolieerde gesteenten 3.1.1   Leisteen  
3.1.2   Fylliet en kwartsfylliet
3.1.3   Micaschist
3.1.4   Gneis
3.1.5   Amphiboliet en ecologiet
3.1.6   Myloniet
3.2   Niet-gefolieerde gesteenten 3.2.1   Marmer 3.2.1.1   Calciethoudende marmer
3.2.1.2   Dolomitische marmer
3.2.2   Kwartsiet  
3.2.3   Migmatiet
3.2.4   Hoornfels
3.2.5   Granuliet
    3.2.6   Serpentiniet (*)
(*)  Hydrothermaal veranderde peridotiet.

2.2.3 Microscopische classificatie

Deze microscopische classificatie is gebaseerd op een petrografische beschrijving van het gesteente. Deze petrografische beschrijving is belangrijk, niet alleen omdat deze het mogelijk maakt de steen petrografisch te klasseren, maar ook omdat ze toelaat deze kenmerken te benadrukken die het chemisch, fysisch en mechanisch gedrag van de steen kunnen beïnvloeden. Daarom is het noodzakelijk om niet alleen de mineralogische samenstelling en de structuur van de natuursteen te karakteriseren maar ook alle andere opvallende kenmerken. Om een objectieve petrografische classificatie te bekomen, dient de karakterisering van het materiaal zo kwantitatief mogelijk te gebeuren.

Om tot een petrografische beschrijving te komen, stelt men eerst een macroscopische beschrijving op van het proefstuk. Daarna worden er één of meerdere slijpplaatjes vervaardigd (zie § 4.3.1) die met een optische polarisatiemicroscoop onderzocht worden om tot een microscopische beschrijving te komen.

De methodologie voor het opstellen van een dergelijke beschrijving en de manier waarop het verslag dient opgemaakt te worden, staan zeer gedetailleerd beschreven in de Europese norm NBN EN 12407.


In grote lijnen biedt een petrografische beschrijving, bovenop een macroscopische beschrijving, de volgende informatie :
  • samenstelling en identificatie van het gesteente :
    • hoofdbestanddelen
    • bindmiddel
    • organogene resten
    • microstructuur en textuur
    • accessorische bestanddelen, eventueel geanalyseerd met een scanning-elektronenmicroscoop (SEM) of met een reflectiemicroscoop
  • de poreusheid van het gesteente, (micro) scheurtjes en discontinuïteiten
  • homogeniteit
  • identificatie van voor de duurzaamheid schadelijke mineralen.
De classificatie van het gesteente gebeurt conform de regels uit de norm NBN EN 12670.

Alle technische fiches die in deze TV aan bod komen bevatten een microscopische beschrijving van het betreffende gesteente zodat men het ontegensprekelijk kan identificeren.

2.2.3.1 Magmatische gesteenten

De classificatie van de magmatische gesteenten is gebaseerd op de mineralogische samenstelling afhankelijk van de relatieve proporties van volgende mineraalgroepen :
Q = kwarts
A = alkaliveldspaat (incl. albiet)
P = plagioklaas (veldspaat inclusief albiet)
F = foïden (veldspatoïden)
M = mafische en aanverwante mineralen (mica, amfibool, pyroxeen, ...).

De relatieve proporties aan mineralen worden uitgezet in de hiernavolgende Streckeisen-diagrammen die we ontleenden aan de norm NBN EN 12670. Deze vereenvoudigde diagrammen worden gebruikt om zeer precies 'graniet' en 'basalt s.l.' (senso largo) uit de commerciële classificatie te definiëren op basis van hun mineralogische samenstelling. Voor het definiëren van ultrabasische magmatische gesteenten, heeft men echter meer gedetailleerde diagrammen nodig.

De voornaamste dieptegesteenten (graniet)

Afb. 4 Verspreiding van de mineralen in dieptegesteenten (NBN EN 12670).

Verspreiding van de mineralen in dieptegesteenten
Q Kwarts
A Alkaliveldspaat (kaliumveldspaat, albiet)
P Plagioklaas
F Foïden (veldspatoïden)
3a Alkaliveldspaat graniet
6a Alkaliveldspaat-kwartssyeniet
6b Alkaliveldspaat syeniet
6c Veldspatoïdehoudend alkaliveldspaat syeniet
6d Kwartssyeniet
6e Veldspatoïdehoudend monzoniet
7a Kwartsmonzoniet
7b Veldspatoïdehoudend monzoniet
8a Kwartsmonzodioriet , -monzogabbro
8b Veldspatoïdehoudend monzodioriet en monzogabbro
9a Kwartsdioriet, -gabbro en -anorthosiet
9b Veldspatoïdehoudend dioriet en gabbro
Graniet
Graniet (in enge zin) is een plutonisch gesteente (equivalent vulkanisch gesteente : rhyoliet) dat samengesteld is uit de hoofdmineralen veldspaat en kwarts en de secundaire mineralen mica, pyroxeen en amfibool.

Het is een hard, grofkorrelig gesteente met een doorgaans heldere kleur (lichtgrijs, roze, roodachtig of blauwachtig) en een gevlekt uitzicht naargelang de bestanddelen. Dit is een typisch gesteente met grofkorrelige textuur, maar zijn elementen kunnen zeer veranderlijke afmetingen hebben. In porfierisch graniet zijn de veldspaatfenokristen gelegen in een fijnkorrelige massa van kwarts en veldspaat.

Graniet en zijn variëteiten vormen 5 tot 10 % van de oppervlaktegesteenten van de continenten.

De verwering van graniet is voornamelijk afhankelijk van die van veldspaat, waardoor het gesteente wordt ontbonden en granietzand wordt gevormd. Graniet is normaal zeer goed weerbestendig. Omwille van zijn hardheid is graniet, zoals de meeste stollingsgesteenten, moeilijk te bewerken, waardoor het slijpen en polijsten zeer kostelijk is.
Syeniet
Syeniet is een plutonisch gesteente (equivalent vulkanisch gesteente : trachiet) dat ook vaak 'graniet zonder kwarts' genoemd wordt. Het bestaat hoofdzakelijk uit kaliveldspaten en amfibolen, met als nevenmineralen pyroxeen en biotiet.

Dit gesteente vertoont hetzelfde uitzicht als graniet, maar is doorgaans donkerder gekleurd, met grijze, roze en groenachtige tinten. Syeniet is normaal zeer goed weerbestendig.

De benaming 'syeniet' is afkomstig van Syene (Egypte), thans Assuan, waar de stenen van de meeste oude Egyptische monumenten werden gewonnen. Larvikiet (of laurvikiet), genoemd naar de stad Larvik in Noorwegen, dat bij ons veel wordt gebruikt (onder de naam Labrador), is in werkelijkheid een syeniet met een speciale structuur en samenstelling.
Dioriet
Dioriet is een plutonisch gesteente (equivalent vulkanisch gesteente : andesiet) samengesteld uit de hoofdmineralen plagioklaas en amfibool, met als nevenmineraal biotiet en accessorisch pyroxeen of kwarts. Muscoviet en alkaliveldspaten komen er niet in voor.

Zijn textuur is grofkorrelig, fijnkorrelig of porfierachtig. Het heeft een gevlekt uitzicht en een overheersende groengrijze of rozegrijze kleur. Er is een continue afwisseling tussen dioriet en graniet, via kwartsietdioriet en granodioriet. Dioriet is doorgaans zeer goed weerbestendig.
Gabbro
Gabbro is een plutonisch gesteente (equivalent vulkanisch gesteente : basalt) bestaande uit basisch plagioklaas (labradoriet, anorthiet, bytowniet) en pyroxeen als hoofdmineralen, en uit amfibool, biotiet of olivijn als nevenmineralen. Er is noch kwarts, noch alkaliveldspaat, noch muscoviet aanwezig.

De textuur is doorgaans grofkorrelig. Het is een compact gesteente met een overheersend donkergroene kleur, min of meer wit gevlekt. Het verweert met saussuritisatie van plagioklaas (vorming van epidoot, albiet, ...) en oeralitisatie van pyroxeen (in lichtgroene amfibolen) met vorming van titaniet.

De voornaamste vulkanische gesteenten (basalten s.l.)

Afb. 5 Verspreiding van de mineralen in vulkanische gesteenten (NBN EN 12670).

De voornaamste vulkanische gesteenten
Q Kwarts
A Alkaliveldspaat (kaliumveldspaat, albiet)
P Plagioklaas
F Foïden (veldspatoïden)
1a

Alkaliveldspaat-rhyoliet

3a Alkaliveldspaat-kwartstrachiet
3b

Alkaliveldspaat-trachiet        

3c Veldspatoïdehoudend alkaliveldspaat-trachiet
3d Kwartstrachiet
3e Veldspatoïdehoudend trachiet
4a Kwartslatiet
4b Veldspatoïdehoudend latiet
6a Tefrietisch fonoliet
7a Fonolithische tefriet en basaniet

Basalt
Basalt is een vulkanisch gesteente met als hoofdmineralen plagioklaas en augiet, en als nevenmineralen olivijn, magnetiet, ilmeniet, met of zonder glasachtige resten. Er kunnen ook fenokristen van augiet en olivijn aanwezig zijn. Het is een compact, zwart gekleurd gesteente, dat bij verwering een donkergroen, donkerbruin, roodachtig of zwart uitzicht kan aannemen. De classificatie en de nomenclatuur zijn uiteenlopend en hangen samen met de mineralogische en chemische samenstelling alsook met het ontstaan van het gesteente : basalt met of zonder olivijn, verzadigd of onverzadigd basalt.
Obsidiaan
Obsidiaan is een volledig glazig, zwart, vulkanisch gesteente met een glanzend, schelpvormig, glad breukvlak, gewoonlijk met een rhyolithische samenstelling.
Puimsteen
Puimsteen is een zeer poreus, glazig vulkanisch gesteente met een rhyolithische samenstelling (pechstein).

Andere soorten stollingsgesteenten

Diabaas of doleriet : gesteente dat het midden houdt tussen gabbro (grofkorrelig) en basalt (microlithisch/fijnkorrelig)

Porfier : kwartsmicrodioriet met porfierische structuur en dacitische samenstelling. De term 'porfierisch' duidt alle magmatische gesteenten (vooral vulkanische) aan met grote kristallen (bv. veldspaat) in een fijnkorrelige matrix (microlithisch). Het enige Belgische gesteente van dit type is het porfier van Quenast-Bierghes-Lessines dat tegenwoordig geëxploiteerd wordt in de vorm van verbrijzelde granulaten.

2.2.3.2 Sedimentaire gesteenten

De benamingen van de sedimentaire gesteenten zijn vastgelegd op basis van de norm NBN EN 12670. In het algemeen onderscheidt men de classificatie van Kraeft (1994) en die van Folk.

Afb. 6 Verspreiding van de mineralen in afzettingsgesteenten (NBN EN 12670).

Verspreiding van de mineralen in afzettingsgesteenten
Q Kwarts
P Bladsilicaten
C Carbonaten
F Veldspaat en veldspaat/kwarts fragmenten
L Lithische fragmenten


Voor kalksteen en dolomiet hanteerden we de classificatie van Folk die ook in de Europese norm voorkomt. De classificatie van Dunham is niet opgenomen in diezelfde norm, maar is internationaal bekend bij alle geologen en wordt dus gemakkelijker gebruikt.

De classificatie van Folk beschouwt de volgende hoofdbestanddelen van carbonaathoudende gesteenten :
  • Allochems zijn elementen van chemische of biochemische oorsprong die in het sedimentatiebekken gevormd zijn en een zeker transport hebben ondergaan in de vorm van duidelijk te onderscheiden fragmenten. Onder de allochems onderscheidt men :
    • intraclasten : licht afgeronde of hoekige stukken, die afkomstig zijn van een slecht geconsolideerd, aangrenzend sediment en die op geringe afstand opnieuw zijn afgezet om een nieuw sediment te vormen
    • oölieten en pisolieten : kleine bolletjes met een diameter van 0,5 tot 2 mm (oölieten) of groter dan 2 mm (pisolieten), waarvan de kern bestaat uit puin omhuld door dunne concentrische laagjes waarin zich een radiaire structuur kan ontwikkelen
    • pellets : kleine ovale deeltjes van minder dan 200 μm (gemiddeld 40 tot 80 μm) bestaande uit microkristallijn kalkmodder, dat vaak rijk is aan organisch materiaal. Er wordt verondersteld dat pellets van fecale oorsprong zijn.
    • bioclasten, fossielen en skeletdeeltjes
  • Ortochems die bestaan uit :
    • een matrix (micriet of calcietmodder met deeltjes van 1 tot 4 µm)
    • een cement (spariet, calcietkristallen groter dan 10 µm en vaak groter dan 20 of 50 µm)
    • microspariet (meestal ten gevolge van herkristallisatie van micriet) met calcietkristallen van 5 tot 10 µm.

2.2.3.3 Metamorfe gesteenten

Afb. 7 Verspreiding van de mineralen in metamorfe gesteenten (NBN EN 12670).

Verspreiding van de mineralen in metamorfe gesteenten
F Veldspaat
C Carbonaten
E Epidoot
A Amfibolen
Mi Mica, chloriet
Q Kwarts