Duurzaam grindgebruik in Vlaanderen

Als gevolg van het Grinddecreet uit 1993 wordt de grindwinning in de provincie Limburg geleidelijk afgebouwd. Tegen 2008 of 2009 zal het laatste quotum grind naar alle waarschijnlijkheid gedolven zijn. Men dient dan ook te zoeken naar mogelijke vervangproducten voor het Limburgse maasgrind en maaszand. In dit kader werden de huidige grindwinning in de provincie Limburg, de potentiële grindsubstituten en het beleid in de omliggende regio’s in kaart gebracht, onder meer door een enquête bij meer dan 120 grindverwerkende beton- en asfaltbedrijven.

1 Wettelijk kader

Het Grinddecreet uit 1993 voorziet een graduele afbouw en – na de realisatie van de globale quota – uiteindelijk ook de stopzetting van de grindwinning in de provincie Limburg, een regio met een belangrijke betonindustrie.

Ter financiering van de begeleidende maatregelen, getroffen in het kader van dit decreet, werd het Grindfonds opgericht, dat gespijsd wordt door middel van een heffing per ton gewonnen grind. Dit Fonds bestaat uit een overkoepelend Grindcomité en drie subcomités : het Herstructureringscomité, het Sociaal Comité en het Onderzoekscomité. Dit laatste ontwikkelt onderzoeksprogramma’s met betrekking tot grindsubstituten, evenals projecten ter ondersteuning van de commercialisering van dergelijke vervangproducten.

2 Grindwinning in Limburg : een stand van zaken

De evolutie van de grindwinning in de provincie Limburg in de loop van de laatste 15 jaar wordt gekenmerkt door een piek in 2000 en vervolgens een geleidelijke daling tot zo’n 6,1 miljoen ton (Mt) grind en zand in 2004.

Het grind dat in ons land ingevoerd wordt, is voornamelijk afkomstig uit Engeland (zeegrind) en in mindere mate uit Duitsland (riviergrind). Het Limburgse grind wordt op zijn beurt in eerste instantie uitgevoerd naar Nederland.

Rekening houdend met de in- en uitvoercijfers, wordt de huidige beschikbaarheid aan maasgrind (zonder zand) voor de Vlaamse markt geraamd op 2,2 tot 3,3 Mt per jaar.

3 Mogelijke grindsubstituten

In België worden er op jaarbasis ongeveer 30 miljoen ton granulaten (met inbegrip van grind) gebruikt. De belangrijkste natuurlijke grindsubstituten in ons land zijn gebroken kalksteen, zandsteen en porfier uit Wallonië. Hoewel hiervoor ook andere natuurlijke gesteenten (bv. granulaten uit de Schotse en Noorse ‘superquarries’) in aanmerking komen, vinden laatstgenoemde tot op heden slechts een beperkte afzetmarkt. Dit komt onder meer tot uiting door het feit dat de aanvoer van zeegrind stagneert op 2 miljoen ton per jaar.

ëis vrij constant en bedraagt zo’n 200.000 m³ per jaar. Wat de grindvervangende reststoffen betreft, wordt in Vlaanderen vooral gebruik gemaakt van bouw- en sloopafval en van slakken uit de ferro- en de non-ferroindustrie. Het totale aanbod aan steenachtige reststoffen bedraagt zo’n 10 Mt per jaar en deze hoeveelheid ondergaat slechts weinig evolutie.

4 Resultaten van een enquête bij grindverwerkende bedrijven

Uit de resultaten van een enquête, die uitgevoerd werd bij de grindverwerkende beton- en asfaltbedrijven in de provincies Limburg, Antwerpen en Vlaams-Brabant, blijkt dat 73 op 106 betonbedrijven nog steeds Limburgs maasgrind en/of maaszand gebruiken. Wat de asfaltproductie betreft, worden deze grondstoffen enkel nog in de drie Limburgse centrales toegepast.

Naast maasgrind en maaszand verwerken de beton- en asfaltbedrijven ook nog andere grove en fijne granulaten. De belangrijkste hiervan zijn gebroken kalksteen, Rijngrind en groeve- en zeezand. In de asfaltcentrales worden daarenboven vaak secundaire granulaten als grindvervanger aangewend.

De enquête bracht tevens aan het licht dat het gebruik van Limburgs maasgrind en maaszand in de afgelopen 10 jaar een sterke daling heeft gekend. 34 van de 106 deelnemende betonbedrijven zijn zelfs geheel of gedeeltelijk overgeschakeld op de toepassing van grindsubstituten. Deze tendens is eveneens merkbaar in de Limburgse asfaltcentrales.

Tot slot kwam uit de bus dat de meeste Vlaamse grindverwerkende bedrijven zich door het wegvallen van de Limburgse grindwinning in de nabije toekomst verwachten aan een gedwongen overschakeling op andere granulaten en aan een sterke prijsstijging voor de grondstoffen en de afgewerkte producten.

5 Beleid in de omliggende regio’s

De Nederlandse overheid heeft ervoor gekozen haar strikt regulerende rol op het gebied van de delfstoffenwinning af te bouwen om vanaf 2009 over te kunnen gaan naar een vrije delfstoffenmarkt. In de Duitse deelstaten Nordrhein-Westfalen en Niedersachsen wordt ervoor geopteerd om de exploiteerbare vindplaatsen van grondstoffen op langere termijn veilig te stellen door het treffen van bepaalde maatregelen op het vlak van ruimtelijke ordening. In Wallonië tenslotte, staat de duurzame ontwikkeling centraal en wordt alles overgelaten aan de vrije marktwerking voor delfstoffen.

In
Nuttige informatie
Nuttige link
Voor meer informatie over het Grindfonds met zijn overkoepelende Grindcomité en zijn drie subcomités verwijzen we naar de website www.grind-limburg.be.

Ook het eindverslag van de ‘Tweede Actualisatiestudie Globaal Actieplan’ uit 2005 is hierop beschikbaar.
Nederland zal de invloed van de afbouw van de Limburgse grindwinning waarschijnlijk beperkt blijven dankzij de uitvoering van het Grensmaasproject. Ook in Wallonië worden slechts weinig problemen verwacht. In het Duitse Nordrhein-Westfalen vreest men echter voor een afwenteling van de grindwinningsproblematiek naar de eigen regio.

6 Subsidies voor onderzoeksprojecten naar grindvervanging

Het Onderzoekscomité van het Grindfonds kent subsidies toe aan innoverende projecten van grindsubstituerende of grindbesparende aard en lanceert in dit kader ‘open oproepen tot projectvoorstellen’. Na afronding van een eenvoudige selectieprocedure, kunnen de onderzoeksprojecten genieten van een subsidie van 50 % op het totale onderzoeksbudget.

Daarnaast werd in de laatste oproep eveneens het thema ‘marketing’ opgenomen. Zo is er voor projectvoorstellen, die zich specifiek richten op de ondersteuning van de commercialisering van grindsubstituten, een subsidie ten bedrage van maximum 75.000 euro voorzien.




Auteurs : J. Van Dessel, ir., laboratoriumhoofd, laboratorium ‘Duurzame Ontwikkeling’, WTCB
A. Janssen, dr., onderzoeker, laboratorium ‘Duurzame Ontwikkeling’, WTCB