Onderschoeien van bestaande funderingen door middel van beschoeide sleuven

Verschenen: juni 2015
In deze Infofiche wordt de aandacht toegespitst op het onderschoeien van bestaande funderingen door middel van beschoeide sleuven. Hiertoe wordt er eerst en vooral een korte typering en beschrijving gegeven van de techniek in kwestie. Vervolgens wordt er dieper ingegaan op de daarbij gebruikte materialen en de karakteristieke afmetingen ervan. Ook het draagvermogen, de horizontale verplaatsing van de wanden, het toepassingsgebied van de techniek en de bijzondere aandachtspunten die ermee gepaard gaan worden belicht. Tot slot komen de mogelijke varianten en de kwaliteitszorg aan bod.

0. Algemeen

Bestaande funderingen kunnen verdiept worden door de verdere uitgraving van de funderingslaag. We onderscheiden enerzijds de techniek van het ondermetselen (Infofiche 72.1) en anderzijds die van het onderschoeien door middel van beschoeide sleuven (Infofiche 72.2).

Deze laatste techniek wordt toegepast wanneer de uitgravingsdiepte groter is dan 1,2 m en wordt uitgevoerd in gewapend beton. Het ondermetselen wordt op zijn beurt gebruikt wanneer de uitgravingsdiepte beperkt is tot 1,2 m onder het aanzetpeil van de fundering. Dit wordt doorgaans gerealiseerd met metselwerk uit gewone betonblokken.

1. Typering van het systeem

Bij het onderschoeien van bestaande funderingen wordt een doorlopende funderingszool of funderingsplaat binnen een beschoeide put verdiept. De grond onder de bestaande fundering wordt hierbij laagsgewijs (per 0,4 m) en in stroken met een breedte van doorgaans 1 tot soms 1,5 m en een lengte van 1,5 tot 2 m weggegraven. Tegelijkertijd wordt de volledige omtrek van de put (d.w.z. ook de wand evenwijdig met het vlak van de bestaande fundering) systematisch beschoeid. Nadat de betreffende grondstrook tot op de gewenste diepte uitgegraven is, wordt er een nieuw funderingselement uit gewapend of staalvezelversterkt beton tot tegen de bestaande fundering gegoten. Door deze werkwijze in fasen een aantal keer te herhalen, wordt er uiteindelijk een continue wand gevormd die dienst kan doen als beschoeiing van de naastgelegen uitgraving of als verdiepte fundering op zich.

1 | Uitvoering van een onderschoeiing.

2. Uitvoering: algemene beschrijving

Voor zover de stabiliteit van de te onderschoeien constructie dit toelaat, wordt er eerst een voorafgraving gerealiseerd. Daarbij moet er te allen tijde een minimale gronddekking van 0,5 m boven het aanzetpeil van de bestaande fundering gerespecteerd worden.

Zoals reeds aangehaald werd in § 1, gebeurt de uitvoering van de continue onderschoeiingswand in een aantal opeenvolgende stroken van doorgaans 1 tot soms 1,5 m breed en 1,5 tot 2 m lang (zie afbeeldingen 2 en 5):
  • in de eerste fase worden de stroken op de posities 1 – 5 – 9 – … onder handen genomen
  • in de tweede fase worden de stroken op de posities 3 – 7 – 11 – … uitgevoerd. Er wordt dus steeds een strook overgeslagen ten opzichte van de grondstroken die uitgegraven werden in de eerste fase
  • in de derde fase worden de tussenliggende stroken gerealiseerd, meer bepaald die op de posities 2 – 6 – 10 – … Door deze manier van werken worden er nooit twee aaneengrenzende sluitstroken (i.e. stroken tussen twee eerder uitgevoerde en gebetonneerde stroken) onmiddellijk na elkaar uitgevoerd
  • in de laatste fase zijn de overblijvende grondstroken aan de beurt. Dit zijn dan de stroken op de posities 4 – 8 – 12 – …
  • zodoende wordt er een continue wand gerealiseerd en kan de bouwput uitgegraven worden tot op het niveau van een eventuele horizontale ondersteuning of tot het uiteindelijke uitgravingspeil.
2 | Fasering van de uitvoering van een onderschoeiingswand: schematisch bovenaanzicht.

De stroken hebben een breedte van doorgaans 1 tot soms 1,5 m en een lengte van 1,5 tot 2 m, wat toelaat om de graafwerkzaamheden met voldoende bewegingsruimte uit te voeren. De grond wordt in opeenvolgende lagen van 0,4 m uitgegraven en manueel afgevlakt, terwijl er systematisch een beschoeiing aangebracht wordt over de volledige omtrek van de put (zie afbeeldingen 3, 4 en 5). De wand die zich onder de bestaande fundering bevindt, wordt beschoeid met verloren geprefabriceerde betonnen of stalen beschoeiingselementen. De overige drie zijden worden tijdelijk beschoeid (bv. met houten balken). Deze beschoeiingen worden op elkaar afgestempeld, waarna de volgende laag uitgegraven en beschoeid wordt. Hierbij dient men erop toe te zien dat de beschoeiing precies tegen de grond aansluit. Indien er nog holtes achterblijven, moeten deze onmiddellijk opgevuld worden met gestabiliseerd zand. Op deze manier wordt de beschoeiing als het ware opgespannen tegen de achterliggende grond. Dit proces wordt herhaald tot de vooropgestelde diepte bereikt is. De evacuatie van de uitgegraven grond gebeurt meestal met behulp van een emmerlift.

Na de voltooiing van het uitgravingsproces, wordt er in de beschoeide put een betonnen wand gestort. Indien dit gebeurt met behulp van gewapend beton, wordt er eerst een wapening geplaatst, waarna men overgaat tot de bekisting van de voorzijde van de wand en het betonneren van de uitgegraven grondstrook. Hierbij dient men de nodige aandacht te besteden aan de goede aansluiting op de bestaande fundering (zie § 8.3).

Bij de uitvoering van de sluitstroken worden de beschoeiingselementen achter de reeds gebetonneerde wanden en de eerder geplaatste beschoeiingen aangebracht, wat een voorafgaandelijke aanpassing van de afstempeling vereist (zie afbeelding 5). Door deze manier van werken verkrijgt men uiteindelijk een continue beschoeiingswand.

De overdracht van de krachten tussen de naast elkaar uitgevoerde stroken van deze wand kan tot stand gebracht worden door:
  • tand- en groefverbindingen
  • uitplooibare wapeningen of mofverbindingen (zie afbeelding 6)
  • wapeningsstaven die tussen de beschoeiingselementen in de grond van de naastgelegen, nog uit te graven grondstroken geslagen worden.
De waterdichtheid kan verbeterd worden door de verankering van stalen platen in de stroken van de voorgaande fasen en de sluitstroken.

In de betonwand kunnen eventueel uitsparingen voorzien worden voor het aanbrengen van de grondankers en voor het realiseren van de verbinding met de vloerplaten.

Om de veiligheid van de uitvoerders te verzekeren, dient de beschoeiing tot minstens 0,15 m boven het maaiveld uitgevoerd te worden.

A. Plaatsing van de zijdelingse beschoeiing B. Afstempeling van de zijdelingse beschoeiing C. Plaatsing en afstempeling van de bekisting voor betonnering
  1. Plaat van gewapend beton
  1. Bestaande muur
  2. Schoor
  1. Uitsparing
  2. Bekisting
3 | Stapsgewijze uitvoering van een strook van de onderschoeiing (bovenaanzicht).

  1. Niveau van het werkvlak
  2. Voorlopige schoor
  3. Bestaande muur
  4. Uitsparing
  5. Betonplaat
  6. Bekisting
  7. Geleidingsbalk
  8. Plank
  9. Balk
4 | Zijaanzicht van een uitgegraven en beschoeide strook, klaar om gebetonneerd te worden.

  • Uitgraven (in lagen van 0,4 m) en systematisch beschoeien van de stroken van fase 1
  • Wapenen, bekisten en afstempelen van de bekisting
  • Betonneren van de stroken van fase 1
  • Identieke uitvoering voor de stroken van fase 2
  • Uitgraven (in lagen van 0,4 m) van de stroken van fase 3
  • Verwijderen van de zijdelingse beschoeiing en de bekisting
  • Opnieuw schoren van de stroken van de fasen 1 en 2
  • Wapenen, beskisten en betonneren van de stroken van fase 3
  • Uitgraven van de stroken van fase 4
5 | Stapsgewijze beschoeiing en afstempeling van een onderschoeiing.

6 | Wachtdozen met een uitplooibare wapening.

3. Materialen

De beschoeiingselementen die aangebracht worden aan de omtrek van de bouwput zijn doorgaans opgebouwd uit hout, staal of geprefabriceerd beton. De stempels zijn op hun beurt vervaardigd uit staal of hout. Voor de verdieping van de bestaande fundering wordt er gebruikgemaakt van gewapend beton, conform de voorschriften uit de normen NBN B 15-001 [1] en NBN EN 1992-1-1 [3], of van staalvezelbeton, conform de voorschriften uit de Infofiche 71.2 [7].

4. Afmetingen

Hieronder volgt een overzicht van de karakteristieke afmetingen van de uitgegraven stroken en de onderschoeiingen:
  • breedte van de stroken: doorgaans 1 tot soms 1,5 m
  • lengte van de stroken: 1,5 tot 2 m
  • dikte van de uitgegraven lagen: 0,4 m
  • diepte van de onderschoeiing: doorgaans 3 tot 6 m, hoewel er ook dieptes van meer dan 15 m mogelijk zijn.

5. Draagvermogen

De onderschoeiing dient zo gedimensioneerd te worden dat het draagvermogen ervan met een toereikende veiligheidsmarge verzekerd is. Ook het draagvermogen van de bestaande fundering moet gedurende de uitvoering van de onderschoeiing gewaarborgd blijven. Zo dient men te verifiëren in welke mate de voorafgraving hierop een weerslag heeft. Verder moet het tijdens de uitvoering van de onderschoeiing mogelijk zijn om de belastingen te herverdelen (bv. door middel van gewelfwerking) (zie hiervoor afbeelding 7 en § 8.2). Dit is enkel het geval bij doorlopende funderingszolen en bij funderingsplaten en op voorwaarde dat de uitvoeringsvolgorde gerespecteerd wordt (zie afbeelding 2).

Het draagvermogen kan eveneens verzekerd worden door gebruik te maken van een verbrede zool. Het draagvermogen van deze verbreding (of teen) mag slechts in rekening gebracht worden indien er geen krachten overgedragen worden van de nieuwe fundering naar de teen.

6. Horizontale verplaatsing en zettingen

Indien de steek van de onderschoeide wand voldoende groot is (zie § 8.2) en het horizontale evenwicht verzekerd is (eventueel door middel van een horizontale ondersteuning), zijn de horizontale verplaatsingen meestal beperkt.

Het optreden van zettingen is niet te vermijden. Zelfs bij een zorgvuldige uitvoering van de onderschoeiing zijn zettingen van 10 mm niet abnormaal. Deze zettingen zijn enerzijds het gevolg van de tijdelijke (lokale) uitgraving van de grond langs en onder de bestaande fundering, waardoor de belasting die aangrijpt op de fundering overgedragen moet worden op de naast de strook gelegen zones. Anderzijds kan dit fenomeen toegeschreven worden aan de mobilisatie van het draagvermogen van de grond onder het nieuwe funderingselement. De omvang van de zettingen wordt bepaald door de grootte van de spanningstoename, de afmetingen van de bestaande fundering, de breedte van de uitgegraven grondstrook en de aard van de ondergrond.

De optredende zettingen kunnen beperkt worden door de stroken van de voorgaande fasen voor te belasten (bv. met platte vijzels) alvorens men overgaat tot de uitgraving van de volgende fase.

7. Toepassingsgebied

De techniek van het onderschoeien wordt voornamelijk toegepast om bestaande funderingen te verdiepen (doorgaans 3 tot 6 m, hoewel er ook dieptes van meer dan 15 m mogelijk zijn). In deze context moet er voldoende aandacht besteed worden aan de dimensionering en de uitvoering, aangezien een onzorgvuldige realisatie grote risico's met zich mee kan brengen. Het is dan ook van groot belang dat deze werken uitgevoerd worden door gespecialiseerd personeel.

Onderschoeien is niet mogelijk onder het grondwaterpeil. De techniek kan enkel uitgevoerd worden als het grondwaterpeil zich, eventueel na bemaling, minstens 0,5 m onder het te realiseren uitgravingspeil bevindt. Bovendien moet de grond over een minimale tijdelijke cohesie beschikken, opdat de beschoeiingselementen aangebracht kunnen worden zonder dat de grond ontspant over de uitgegraven hoogte.

Wat de vorm van de onderschoeiing betreft, laat het uitvoeringsprincipe een grote flexibiliteit toe. Bovendien kan de ondergrond visueel gecontroleerd worden.

De verdieping van een bestaande fundering kan noodzakelijk zijn in de volgende situaties:
  • indien het draagvermogen ervan niet met een toereikende veiligheidsmarge verzekerd is (bv. bij historische gebouwen of door een foutief ontwerp)
  • indien het gebouw uitgebreid wordt met bijkomende boven- of ondergrondse verdiepingen en het draagvermogen van de bestaande fundering bijgevolg vergroot dient te worden
  • indien er naast de bestaande fundering een ondergrondse constructie opgetrokken wordt, waarbij de onderschoeiing enerzijds de stabiliteit van de fundering op tijdelijke en/of permanente basis moet garanderen en anderzijds dienst moet doen als tijdelijke grondkering tijdens de uitvoering van de naastliggende ondergrondse bouwwerken.

8. Aandachtspunten

8.1. Voorbereiding

Alvorens men kan aanvangen met het ontwerp en de uitvoering van de werken, dient men over gedetailleerde informatie te beschikken in verband met:
  • de afmetingen en de samenstelling van de bestaande funderingen
  • de eigenschappen van de grond waarin de funderingen aangezet zijn en waarin de funderingsverdieping uitgevoerd moet worden
  • het grondwaterpeil
  • de spanningen die in het funderingsmassief heersen
  • de aanwezigheid van afvoer- of gasbuizen.
Deze informatie kan onder meer verkregen worden op basis van bestaande documenten, onderzoeksputten, boringen doorheen de fundering en grondonderzoek (boringen en sonderingen). In aanwezigheid van funderingsmassieven die van slechte kwaliteit zijn of een ontoereikende samenhang vertonen, dient men op voorhand gepaste maatregelen te nemen (bv. het boren van staven tot in het massieve metselwerk teneinde de aansluiting tussen de bestaande zool en de onderschoeiing te optimaliseren).

8.2. Berekening

Bij de uitvoering van een onderschoeiing is het aangewezen een rekennota op te laten stellen door een geotechnisch deskundige.

Bij het ontwerp van een onderschoeiing (zie hiervoor ook de normen NBN EN 1997-1 [4] en NBN EN 1997-1:ANB [5]) dient men erop toe te zien dat het verticale draagvermogen tijdens de verschillende uitvoeringsfasen verzekerd is. Het weggraven van de grond naast een ondiepe fundering gaat immers onvermijdelijk gepaard met een vermindering van het draagvermogen.

Een onderschoeiing is enkel mogelijk indien er gerekend kan worden op een herverdeling van de belastingen, zoals het geval is bij funderingsplaten en doorlopende funderingszolen (zie afbeelding 7).

Bij de onderschoeiing van een alleenstaande funderingszool zijn er voorafgaande maatregelen noodzakelijk om de belastingen die aangrijpen op de zool over te brengen naar dieper gelegen draagkrachtige lagen. Hiertoe kan men een beroep doen op micropalen of jetgroutkolommen. Dankzij deze maatregelen kan ook het optreden van zettingen beperkt worden.

De grootte van de zettingen en de mogelijke risico's die ermee gepaard gaan dienen op voorhand nagegaan te worden. Ook het horizontale evenwicht moet gedurende de volledige uitvoering gewaarborgd zijn.

Er moet eveneens onderzocht worden of de ondergraving van de bestaande fundering en de bovenbouw structureel toelaatbaar is en/of het aanbrengen van bijkomende verstijvingen vereist is (bv. stutten van raampartijen, schoren van gebouwdelen ...).

Het onderschoeien van een gemene muur vraagt bijzondere aandacht. Hierbij is het een absolute vereiste om na te gaan of de muur in goede staat verkeert, of er puntlasten aanwezig zijn en of er schoren en/of verankeringen nodig zijn.

De steek van de onderschoeide wand dient steeds minstens 0,5 m ten opzichte van het te realiseren uitgravingspeil te bedragen (zie afbeeldingen 8, 9 en 10).

Bij het gebruik van grondankers dient de belasting ten gevolge van de verticale en horizontale componenten van de ankerkracht in rekening gebracht te worden.

Ten slotte dient men ook voldoende rekening te houden met de mogelijke krachtwerkingen ten gevolge van activiteiten die zich afspelen in de bouwput in de buurt van de onderschoeiing (bv. uitvoering van grondverdringende schroefpalen).

  1. Overdracht van de belastingen
  2. Doorlopende funderingszool
7 | Herverdeling van de belastingen bij ondergraving van een doorlopende funderingszool.

  1. Af te kappen deel van de bestaande fundering
  2. Onderschoeiingswand
  3. Verbrede voet
  4. Beschoeide put
8 | Uitvoering van een verbrede voet om het draagvermogen te vergroten.

  1. Af te kappen deel van de bestaande fundering
  2. Grondanker
  3. Onderschoeiingswand
  4. Scheidingslaag
  5. Beton
  6. Te realiseren uitgraving
9 | Uitvoering van een scheidingslaag om de overdracht van krachten van de nieuwe structuur naar de bestaande fundering te voorkomen.

  1. Af te kappen deel van de bestaande fundering
  2. Grondanker
  3. Onderschoeiingswand
  4. Teen
  5. Te realiseren uitgraving
  6. Voeg
10 | Voorzien van een horizontale voeg op de teen om zettingen van de onderschoeiing ten gevolge van de nieuwe fundering te vermijden.

8.3. Uitvoering

In tegenstelling tot bij het ondermetselen en gelet op het feit dat de volledige uitgraving beschoeid wordt, mag de uitvoeringscyclus van de afzonderlijke stroken (d.w.z. de uitgraving, betonnering en heraanvulling ervan) in dit geval langer duren dan een dag.

De ontkistingstermijn (i.e. de tijd tussen het storten en het ontkisten) moet bepaald worden in functie van de aangrijpende belastingen, de hierdoor veroorzaakte vervormingen en de effectieve sterkte van het beton. Indien er hieromtrent geen gedetailleerde gegevens beschikbaar zijn, gelden de minimale ontkistingstermijnen uit de norm prNBN B 15-400 [6]. Er moet eveneens een voldoende lange wachttijd gerespecteerd worden tussen de verschillende onderschoeiingsfasen om de structurele sterkte en de correcte belastingoverdracht niet in het gedrang te brengen.

Ook indien er een uitgraving uitgevoerd wordt naast een bestaande constructie dient men een toereikende wachttijd in acht te nemen tussen de realisatie van de onderschoeiing en de uitgraving. Zo niet, kan de structurele sterkte van de onderschoeiing niet gewaarborgd worden.

De uitgraving dient met de nodige zorg te gebeuren opdat de beschoeiingselementen goed aansluiten op de erachter gelegen grond. De holtes die hiertussen achterblijven als gevolg van onregelmatigheden tijdens de uitgraving, kunnen na verloop van tijd immers aanleiding geven tot zettingen. Om dit te vermijden, dient men deze holtes op te vullen met gestabiliseerd zand.

In zeer specifieke omstandigheden (bv. bij aanwezigheid van zandsteenformaties) kan het aangewezen zijn voorzieningen te treffen om een na-injectie (achter de beschoeiing) toe te laten. Door deze manier van werken is het immers mogelijk om de holtes, ontstaan door de uitzakking van de grond tijdens het weggraven op lagere niveaus, terug op te vullen. Deze uitvoering vereist bijzondere aandacht.

Om te voorkomen dat het wegzakken van één element zou leiden tot de instabiliteit van de volledige beschoeiing, kan men een beroep doen op speciale verbindings- of ophanghaken teneinde de beschoeiingselementen met elkaar te verbinden (zie afbeelding 11).

De onderschoeiing moet goed aansluiten op de bestaande fundering om de zettingen tot een minimum te beperken. Hiertoe kan men op verschillende manieren te werk gaan:
  • ofwel kan de strook tot ongeveer 10 cm onder de bestaande fundering gebetonneerd worden, waarna men de resterende opening tussen de betonwand en de bestaande fundering minstens 12 uur later navult met een krimpvrije mortel
  • ofwel kan er bovenop de bekisting een speciale schuif voorzien worden die toelaat om met een zekere overhoogte te betonneren. Hierbij dient men erop te letten dat de goede aansluiting tussen de onderschoeiingswand en de onderkant van de bestaande fundering gewaarborgd is (bv. natrillen, toevoegen van plastificeerders aan het beton, voorzien van ontluchtingsgaten …).
Het is ook van belang dat de onderkant van de bestaande fundering goed zuiver gemaakt wordt. Indien nodig kan een na-injectie ter hoogte van de aansluiting uitgevoerd worden.

In het geval van zware belastingen of matig of sterk samendrukbare lagen, kunnen er platte vijzels aangebracht worden in het contactvlak tussen de bestaande fundering en de onderschoeiingswand (merk op dat dit in de praktijk slechts zelden wordt toegepast). Deze vijzels zorgen voor een voorbelasting van de onderschoeiingswand na de beëindiging van de volledige onderschoeiing. Zodoende kunnen de zettingen, die normaal gesproken optreden wanneer de belasting van de bestaande fundering overgedragen wordt naar de grond onder de aanzet van de onderschoeiingswand, gecompenseerd worden.

Bij onderschoeiingswanden van meer dan 0,5 m dik wordt er een verloren afstempeling in de te betonneren zone aangebracht en kunnen er speciale maatregelen (bv. ontluchtingsgaten) getroffen worden om het beton helemaal tot achteraan de sleuf te laten aansluiten.

Afhankelijk van de dimensionering van de onderschoeiing dient de krachtoverdracht van de bijkomende horizontale ondersteuningen (zoals grondankers of stempels) te gebeuren met gordingen. Indien de structurele stabiliteit van de wand gevrijwaard wordt, is er eveneens een lokale krachtoverdracht (bv. met behulp van een ankerplaat) mogelijk.

Omwille van de korte steek kunnen de ankers niet zonder meer gelost worden na het storten van de vloerplaat op het uitgravingsniveau. Het is bijgevolg van groot belang dat er tussen de betrokken partijen duidelijke afspraken gemaakt worden in verband met de fasering.

Het grondwaterpeil moet zich minstens 0,5 m onder het te realiseren uitgravingspeil bevinden. In het geval van bemalingen moet er niet alleen specifieke aandacht uitgaan naar de hiermee gepaard gaande risico's, maar ook naar het voorkomen van een mogelijke uittreding van restwater ter hoogte van (weinig waterdoorlatende) stoorlagen.

De verbrede zool of teen wordt bij voorkeur op hetzelfde ogenblik als de onderschoeiing uitgevoerd. Het later aanstorten ervan is niet aangewezen.

De teen zou ook uitgevoerd kunnen worden als een naar achteren toe verbrede voet (zie afbeelding 8). Deze wordt dan beschoeid over een hoogte van 0,4 tot 0,5 m en onder een hoek van ongeveer 30°.

Bij de uitvoering van de steek, al dan niet voorzien van een teen, moet men erop toezien dat er geen verbinding ontstaat tussen de onderschoeiingswand en de fundering van de nieuw op te richten constructie. Dit kan door tussen beide elementen een verticale scheidingslaag aan te brengen (bv. met piepschuim) (zie afbeelding 9) of door een horizontale voeg te voorzien ter hoogte van de verbreding (zie afbeelding 10). Door deze manier van werken kan men voorkomen dat de onderschoeiingswand volledig meegetrokken zou worden wanneer de fundering van de op te richten constructie onderhevig zou zijn aan belangrijke zettingen. De stijfheid van de ondersteuning verhoogt aanzienlijk wanneer over de hoogte van de steek een doorlopende (gewapende) betonbalk aangebracht wordt.

Tijdens de onderschoeiingswerken moet de stabiliteit van de uitgraving en de veiligheid van de arbeiders te allen tijde gegarandeerd worden. Zo dient men niet alleen rekening te houden met de veiligheidsvoorschriften uit het ARAB [8], maar ook met de bijzondere richtlijnen uit het NAVB-Dossier 96 'Werken langs en in sleuven' [11].

Alvorens men na de uitvoering van een continue onderschoeiingswand overgaat tot het verwijderen van de afstempeling, dient men te controleren of het horizontale evenwicht verzekerd is. Eventuele grondankers moeten een toereikende sterkte ontwikkeld hebben en een heraanvulling kan noodzakelijk zijn.

11 | Speciale verbindingshaken om de instabiliteit van de volledige beschoeiing te vermijden bij het wegzakken van één element.

9. Varianten

Er zijn verschillende firma's die zich toegelegd hebben op de ontwikkeling van alternatieve uitvoeringsmethodes. Een aantal ervan is inmiddels gebrevetteerd.

In plaats van een beschoeiing uit houten balken, zou men bijvoorbeeld zijn toevlucht kunnen nemen tot het gebruik van speciale, afzinkbare, stalen kisten. Hierbij gebeurt (een gedeelte van) de uitgraving machinaal. Om het risico op grondontspanning te beperken, is het belangrijk bijzondere aandacht te besteden aan de uitvoering.

Deze alternatieve methode biedt het voordeel dat de onderschoeiingswerken sneller vooruitgaan. De funderingsdiepte is bij deze systemen echter wel beperkt tot 6 à 7 m, aangezien de stalen kist teruggewonnen moet worden na de uitvoering van de strook.

10. Kwaliteitszorg

De maximaal toelaatbare afwijking tussen de onderschoeiing (planpositie) en de uitgraving moet beperkt blijven tot 5 cm. Zo niet, kan het betonverbruik of de hoeveelheid zand, nodig voor de opvulling van de hierdoor veroorzaakte holtes, onaanvaardbaar hoog worden.

Voor de toelaatbare afwijkingen op de afmetingen, de positionering en de helling van de onderschoeiingswanden dient men er de voorschriften uit de norm NBN EN 13670 [2] op na te slaan.

De tolerantie op de aanzetdiepte van de onderschoeiing bedraagt ± 5 cm.

In het bestek moet er bij de bepaling van de ligging van de ondergrondse constructies rekening gehouden worden met deze toleranties. Ook de eventuele meerkosten die aangegaan moeten worden om een positionering binnen de toleranties toe te laten (bv. meerverbruik van beton, gestabiliseerd zand) mogen niet uit het oog verloren worden.

11. Link naar de bouwproductendatabank Techcom

Literatuurlijst

  1. Bureau voor Normalisatie
    NBN B 15-001 Beton. Specificatie, eigenschappen, vervaardiging en conformiteit. Nationale aanvulling bij NBN EN 206-1:2001. Brussel, NBN, 2012.

  2. Bureau voor Normalisatie
    NBN EN 13670 Uitvoering van betonconstructies. Brussel, NBN, 2010.

  3. Bureau voor Normalisatie
    NBN EN 1992-1-1 Eurocode 2: ontwerp en berekening van betonconstructies. Deel 1-1: algemene regels en regels voor gebouwen (+AC:2010). Brussel, NBN, 2005.

  4. Bureau voor Normalisatie
    NBN EN 1997-1 Eurocode 7: geotechnisch ontwerp. Deel 1: algemene regels (+ AC:2009). Brussel, NBN, 2005.

  5. Bureau voor Normalisatie
    NBN EN 1997-1:ANB Eurocode 7: geotechnisch ontwerp. Deel 1: algemene regels. Nationale bijlage. Brussel, NBN, 2014.

  6. Bureau voor Normalisatie
    prNBN B 15-400 Uitvoering van betonconstructies. Nationale aanvulling bij NBN EN 13670:2010. Brussel, NBN, 2012.

  7. Cauberg N., Van Itterbeeck P. en Parmentier B.
    Stortklaar beton voor de toekomst. Vezelversterkt beton. Brussel, WTCB, Infofiche, nr. 71.2, 2014.

  8. Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg
    Algemeen reglement voor de arbeidsbescherming. Brussel, FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, 1947 (en wijzigingen).

  9. Huybrechts N. en Van Lysebetten G.
    Ondermetselen van bestaande funderingen. Brussel, WTCB, Infofiche, nr. 72.1, 2015.

  10. Maertens J.
    Werken onder de grond. Funderingen. Verdiepen van bestaande funderingen. Mechelen, Wolters Kluwer Belgium, Handboek Bouwgebreken, A 2320-4/1, 2003.

  11. Nationaal Actiecomité voor Veiligheid en Hygiëne in het Bouwbedrijf
    Werken langs en in sleuven. Brussel, NAVB, 2002.
N. Huybrechts, ir., afdelingshoofd, afdeling Geotechniek, WTCB
G. Van Lysebetten, ir., onderzoeker, afdeling Geotechniek, WTCB