Ondermetselen van bestaande funderingen

Verschenen: juni 2015
In deze Infofiche wordt de aandacht toegespitst op het ondermetselen van bestaande funderingen. Hiertoe wordt er eerst en vooral een korte typering en beschrijving gegeven van de techniek in kwestie. Vervolgens wordt er dieper ingegaan op de daarbij gebruikte materialen en de karakteristieke afmetingen ervan. Ook het draagvermogen, de horizontale verplaatsing van de wanden, het toepassingsgebied van de techniek en de bijzondere aandachtspunten die ermee gepaard gaan worden belicht. Tot slot komen de mogelijke varianten en de kwaliteitszorg aan bod.

0. Algemeen

Bestaande funderingen kunnen verdiept worden door de verdere uitgraving van de funderingslaag. We onderscheiden enerzijds de techniek van het ondermetselen (Infofiche 72.1) en anderzijds die van het onderschoeien door middel van beschoeide sleuven (Infofiche 72.2).

Deze laatste techniek wordt toegepast wanneer de uitgravingsdiepte groter is dan 1,2 m en wordt uitgevoerd in gewapend beton. Het ondermetselen wordt op zijn beurt gebruikt wanneer de uitgravingsdiepte beperkt is tot 1,2 m onder het aanzetpeil van de fundering. Dit wordt doorgaans gerealiseerd met metselwerk uit gewone betonblokken.

1. Typering van het systeem

Bij het ondermetselen van bestaande funderingen worden er onder de fundering (opgebouwd uit een funderingsplaat of een doorlopende funderingszool) grondstroken met een breedte van 1 tot 1,5 m en een lengte van maximaal 2 m weggegraven (zie afbeelding 1). De uitgravingsdiepte is beperkt tot 1,2 m onder het aanzetpeil van de bestaande fundering.

1 | Uitvoering van een ondermetseling: uitgraving van een strook.

De zijkanten van de uitgraving, die loodrecht staan op de lengterichting van de fundering, worden steeds over de volledige hoogte beschoeid.

Bij een totale uitgravingsdiepte (t.o.v. het maaiveld of de eventuele voorafgraving) van minder dan 1,75 m, kan de voorkant van de strook onbeschoeid blijven, voor zover de grond over een toereikende cohesie beschikt en het bovenste deel van de uitgraving op aangepaste wijze uitgevoerd wordt (zie afbeelding 2). Bij een totale uitgravingsdiepte van meer dan 1,75 m, of indien het bovenste deel van de uitgraving niet op aangepaste wijze ontgraven kan worden, moet de voorkant van de strook verplicht beschoeid worden over de volledige hoogte.

  1. Maaiveld
  2. Bovenkant van de beschoeiing (≥ 0,15 m boven het maaiveld)
  3. Onbeschoeide voorkant van de uitgraving (zijkanten steeds beschoeid)
  4. Eventuele voorafgraving
2 | Uitvoering van een ondermetseling zonder beschoeiing van de voorkant van de uitgraving: dwarsdoorsnede met maximale afmetingen.

Onmiddellijk na het uitgraven van de grondstrook, wordt er een nieuw funderingselement uit metselwerk tot tegen de bestaande fundering opgetrokken. Door deze manier van werken een aantal keer te herhalen, wordt er uiteindelijk een continue wand gevormd die dienst kan doen als beschoeiing van de naastgelegen uitgraving of als verdiepte fundering op zich.

2. Uitvoering: algemene beschrijving

Voor zover de stabiliteit van de te ondermetselen constructie dit toelaat, wordt er eerst een voorafgraving gerealiseerd. Daarbij moet er te allen tijde een minimale gronddekking van 0,5 m boven het aanzetpeil van de bestaande fundering gerespecteerd worden.

Zoals reeds aangehaald werd in § 1, gebeurt de uitvoering van de ondermetselde wand in een aantal opeenvolgende stroken van 1 tot 1,5 m breed en maximum 2 m lang (zie afbeelding 3):

  • in de eerste fase worden de stroken op de posities 1 – 5 – 9 – … onder handen genomen
  • in de tweede fase worden de stroken op de posities 3 – 7 – 11 – … uitgevoerd. Er wordt dus steeds een strook overgeslagen ten opzichte van de grondstroken die uitgegraven werden in de eerste fase
  • in de derde fase worden de tussenliggende stroken gerealiseerd, meer bepaald die op de posities 2 – 6 –10 – … Door deze manier van werken worden er nooit twee aaneengrenzende sluitstroken (i.e. stroken tussen twee eerder uitgevoerde en gebetonneerde stroken) onmiddellijk na elkaar uitgevoerd
  • in de laatste fase zijn de overblijvende grondstroken aan de beurt. Dit zijn dan de stroken op de posities 4 – 8 – 12 – …
  • zodoende wordt er een continue wand gerealiseerd en kan de bouwput uitgegraven worden tot op het niveau van de eventuele horizontale ondersteuning of tot het uiteindelijke uitgravingspeil.
3 | Fasering van de uitvoering van een ondermetselde wand: schematisch bovenaazicht.

Na de verticale – en meestal machinale – uitgraving van de grondstroken, worden de zijkanten, loodrecht op de lengterichting van de bestaande fundering, steeds voorzien van een tijdelijke, vormvaste beschoeiing. De voor- en achterkant van de stroken (i.e. de zijden, evenwijdig met de lengterichting van de fundering) kunnen in een stabiele grond uitgevoerd worden zonder beschoeiing, voor zover de totale uitgravingsdiepte kleiner blijft dan 1,2 m. De uitgravingsdiepte van de voorkant kan opgetrokken worden tot 1,75 m, op voorwaarde dat het bovenste deel van de uitgraving gebeurt onder een talud met een hellingshoek van maximum 45° (zie afbeelding 2). In alle andere gevallen is de beschoeiing van de voorkant over de volledige hoogte verplicht. Om de veiligheid van de uitvoerders te verzekeren, dient de beschoeiing tot minstens 0,15 m boven het maaiveld uitgevoerd te worden.

Na het bereiken van de vooropgestelde diepte, wordt er in de uitgegraven grondstrook een nieuw funderingselement uit metselwerk aangebracht. Indien nodig, kan er onderaan in de contactzone met de grond een verbrede voet voorzien worden. Eventuele holtes achter het metselwerk moeten opgevuld worden met gestabiliseerd zand of mortel. Ook dient het metselwerk bovenaan goed aan te sluiten met de bestaande fundering (zie § 8.3).

Vóór de uitvoering van de stroken van een volgende fase kan het in bepaalde gevallen noodzakelijk blijken om de grondstroken die uitgegraven werden tijdens de voorgaande fasen van een schoring te voorzien. De uitgraving van de bouwput mag in geen geval aangevat worden vooraleer de stroken van alle fasen afgewerkt zijn.

3. Materialen

De tijdelijke beschoeiing die aangebracht wordt tegen de zijkanten van de uitgegraven grondstroken kunnen bestaan uit houten, stalen of geprefabriceerde betonnen elementen. De verdieping van de fundering gebeurt meestal met metselwerk uit baksteen of betonblokken, waarvoor men er de productnormenreeks NBN EN 771-1 tot 6 [1 tot 6] dient op na te slaan (zie ook de WTCB-dossiers 2014/4.4 [13]).

4. Afmetingen

Hieronder volgt een overzicht van de karakteristieke afmetingen van de uitgegraven stroken en de ondermetseling:
  • breedte van de stroken: 1 tot 1,5 m
  • lengte van de stroken: 1,5 tot 2 m
  • diepte van de ondermetseling: maximaal 1,2 m onder het aanzetpeil van de bestaande fundering (zie afbeelding 2).

5. Draagvermogen

De ondermetseling dient zo gedimensioneerd te worden dat het draagvermogen ervan met een toereikende veiligheidsmarge verzekerd is. Ook het draagvermogen van de bestaande fundering moet gedurende de uitvoering van de ondermetseling gewaarborgd blijven. Zo dient men te verifiëren in welke mate de voorafgraving hierop een weerslag heeft. Verder moet het tijdens de uitvoering van de ondermetseling mogelijk zijn om de belastingen te herverdelen (bv. door middel van gewelfwerking) (zie hiervoor afbeelding 4 en § 8.2). Dit is enkel het geval bij doorlopende funderingszolen en funderingsplaten, en op voorwaarde dat de uitvoeringsvolgorde gerespecteerd wordt (zie afbeelding 3).

6. Horizontale verplaatsing en zettingen

Indien de steek van de ondermetselde wand voldoende groot is (zie § 8.2) en het horizontale evenwicht verzekerd is (eventueel door middel van een horizontale ondersteuning), zijn de horizontale verplaatsingen meestal beperkt.

Het optreden van zettingen is niet te vermijden. Zelfs bij een zorgvuldige uitvoering van de ondermetseling zijn zettingen van 10 tot 15 mm niet abnormaal. Deze zettingen zijn enerzijds het gevolg van de tijdelijke (lokale) uitgraving van de grond langs en onder de bestaande fundering, waardoor de belasting die aangrijpt op de fundering overgedragen moet worden op de naast de strook gelegen zones. Anderzijds kan dit fenomeen toegeschreven worden aan de mobilisatie van het draagvermogen van de grond onder het nieuwe funderingselement. De omvang van de zettingen wordt bepaald door de grootte van de spanningstoename, de afmetingen van de bestaande fundering, de breedte van de uitgegraven grondstrook en de aard van de ondergrond.

De optredende zettingen kunnen beperkt worden door de stroken van de eerste fase voor te belasten, alvorens men overgaat tot de uitgraving van de volgende fase.

7. Toepassingsgebied

De techniek van het ondermetselen wordt voornamelijk toegepast om bestaande funderingen te verdiepen. De diepte van de uitgegraven stroken is beperkt tot maximaal 1,2 m onder het aanzetpeil van de fundering in kwestie. Het gaat hier om een zeer eenvoudige en relatief goedkope werkwijze, waarvoor er geen gespecialiseerd gereedschap nodig is. Hoewel dit er aan de ene kant voor zorgt dat deze techniek zeer toegankelijk is, heeft dit aan de andere kant ook vaak tot gevolg dat de ermee gepaard gaande risico's en uitvoeringsaspecten onderschat worden.

Ondermetselen is niet mogelijk onder het grondwaterpeil. De techniek kan enkel uitgevoerd worden als het grondwaterpeil zich, eventueel na bemaling, minstens 0,5 m onder het te realiseren uitgravingspeil bevindt. Bovendien moet de grond over een minimale tijdelijke cohesie beschikken. Voor gronden die geen enkele cohesie vertonen, is onbeschoeid uitgraven niet mogelijk. In dit geval kan men overgaan tot een onderschoeiing door middel van beschoeide sleuven [14] of tot de uitvoering van alternatieve technieken (bv. preventieve injecties).

Wat de vorm van de ondermetseling betreft, laat het uitvoeringsprincipe een grote flexibiliteit toe. Bovendien kan de ondergrond visueel gecontroleerd worden.

De verdieping van een bestaande fundering kan noodzakelijk zijn in de volgende situaties:
  • indien het draagvermogen ervan niet met een toereikende veiligheidsmarge verzekerd is (bv. bij historische gebouwen of door een foutief ontwerp)
  • indien het gebouw uitgebreid wordt met bijkomende boven- of ondergrondse verdiepingen en het draagvermogen van de bestaande fundering bijgevolg vergroot dient te worden
  • indien er naast de bestaande fundering een ondergrondse constructie opgetrokken wordt, waarbij de ondermetseling enerzijds de stabiliteit van de fundering op tijdelijke en/of permanente basis moet garanderen en anderzijds dienst moet doen als tijdelijke grondkering tijdens de uitvoering van de naastliggende ondergrondse bouwwerken.

8. Aandachtspunten

8.1.  Voorbereiding

Alvorens men kan aanvangen met het ontwerp en de uitvoering van de werken, dient men over gedetailleerde informatie te beschikken in verband met:
  • de afmetingen en de samenstelling van de bestaande funderingen
  • de eigenschappen van de grond waarin de funderingen aangezet zijn en waarin de funderingsverdieping uitgevoerd moet worden
  • het grondwaterpeil
  • de spanningen die in het funderingsmassief heersen
  • de aanwezigheid van afvoer- en gasbuizen.
Deze informatie kan onder meer verkregen worden op basis van bestaande documenten, onderzoeksputten, boringen doorheen de fundering en grondonderzoek (boringen en sonderingen). In aanwezigheid van funderingsmassieven die van slechte kwaliteit zijn of een ontoereikende samenhang vertonen, dient men op voorhand gepaste maatregelen te nemen (bv. voorzien van een bijkomende verankering).

8.2.  Berekening

Bij de uitvoering van een ondermetseling is het aangewezen een rekennota op te laten stellen door een geotechnisch deskundige.

Bij het ontwerp van een ondermetseling (zie hiervoor ook de normen NBN EN 1997-1 [8] en NBN EN 1997-1:ANB [9]) dient men erop toe te zien dat het verticale draagvermogen tijdens de verschillende uitvoeringsfasen verzekerd is. Het weggraven van de grond naast een dergelijke ondiepe fundering gaat immers onvermijdelijk gepaard met een sterke vermindering van het draagvermogen.

Een ondermetseling is alleen mogelijk indien er gerekend kan worden op een herverdeling van de belastingen (zie afbeelding 4), zoals het geval is bij funderingsplaten en doorlopende funderingszolen.

  1. Overdracht van de belastingen
  2. Doorlopende funderingszool
4 | Herverdeling van de belastingen bij de ondergraving van een doorlopende funderingszool.

Bij de ondermetseling van een alleenstaande funderingszool zijn er voorafgaande maatregelen noodzakelijk om de belastingen die aangrijpen op de zool over te brengen naar dieper gelegen, draagkrachtige lagen. Hiertoe kan men een beroep doen op micropalen of jetgroutkolommen.

De grootte van de zettingen en de mogelijke risico's die ermee gepaard gaan dienen op voorhand nagegaan te worden. Ook het horizontale evenwicht moet gedurende de volledige uitvoering gewaarborgd zijn.

Er moet eveneens onderzocht worden of de ondergraving van de bestaande fundering en de bovenbouw structureel toelaatbaar is en/of het aanbrengen van bijkomende verstijvingen vereist (bv. stutten van raampartijen, schoren van gebouwdelen ...).

De ondermetseling van een gemene muur vraagt bijzondere aandacht. Hierbij is het een absolute vereiste om na te gaan of de muur in goede staat verkeert, of er puntlasten aanwezig zijn en of er schoren en/of verankeringen noodzakelijk zijn.

De steek van de ondermetselde wand dient steeds minstens 0,5 m ten opzichte van het te realiseren uitgravingspeil te bedragen (zie afbeelding 5).

  1. Af te kappen deel van de bestaande fundering
  2. Bestaande fundering
  3. Ondermetseling
  4. Aanvulling met gestabiliseerd zand
  5. Te realiseren uitgraving
5 | De steek van de ondermetselde wand dient steeds minstens 0,5 m ten opzichte van het te realiseren uitgravingspeil te bedragen.

Bij het gebruik van grondankers dient de belasting ten gevolge van de verticale en horizontale componenten van de ankerkracht in rekening gebracht te worden.

Ten slotte dient men ook voldoende rekening te houden met de mogelijke krachtwerkingen ten gevolge van activiteiten die zich afspelen in de bouwput in de buurt van de ondermetseling (bv. uitvoering van grondverdringende schroefpalen).

8.3.  Uitvoering

De volledige realisatiecyclus van een strook (d.w.z. de uitgraving, ondermetseling en heraanvulling of schoring ervan) dient binnen dezelfde dag plaats te grijpen, aangezien er gerekend wordt op de cohesie van de grond. Tussen de verschillende ondermetselingsfasen moet er daarentegen een voldoende lange wachttijd gerespecteerd worden om de structurele sterkte en de correcte belastingsoverdracht niet in het gedrang te brengen.

Ook indien er een uitgraving uitgevoerd wordt naast een bestaande constructie, dient men een toereikende wachttijd in acht te nemen tussen de realisatie van de ondermetseling en de uitgraving ervan. Zo niet, kan de structurele sterkte van de ondermetseling niet gewaarborgd worden.

De ondermetseling moet goed aansluiten tegen de achtergelegen grond onder de bestaande constructies. Holtes aan de achterzijde van de ondermetseling dienen bijgevolg opgevuld te worden met gestabiliseerd zand of mortel. Er moet eveneens een goede aansluiting zijn tussen de ondermetseling en de bestaande fundering. Bij wanden uit metselwerk moet de voeg tussen de ondermetseling en de fundering volledig opgevuld worden met een krimpvrije mortel. Men dient er ook voor te zorgen dat de onderkant van de bestaande fundering goed zuiver gemaakt wordt.

Het gebruik van bijkomende horizontale ondersteuningen (zoals grondankers of stempels) is enkel mogelijk bij constructies die voorzien zijn van de nodige (horizontale en verticale) gordingen en voor zover de structurele integriteit van de ondermetseling (bv. in geval van doorponsing) gewaarborgd is.

Het grondwaterpeil moet zich minstens 0,5 m onder het te realiseren uitgravingspeil bevinden. In het geval van bemalingen moet er niet alleen specifieke aandacht uitgaan naar de hiermee gepaard gaande risico's, maar ook naar het voorkomen van een mogelijke uittreding van restwater ter hoogte van (weinig waterdoorlatende) stoorlagen.

Het ondermetselen dient in één dieptefase te gebeuren. Indien dit niet mogelijk is, dient men tot een andere onderschoeiingstechniek over te gaan.

Bij de uitvoering van de steek, al dan niet voorzien van een teen, moet men erop toezien dat er geen verbinding ontstaat tussen de ondermetseling en de fundering van de nieuw op te richten constructie. Dit kan door tussen beide elementen een scheidingslaag aan te brengen (bv. met piepschuim) (zie afbeelding 6A) of door een voeg te voorzien ter hoogte van de verbreding (zie afbeelding 6B). Door deze manier van werken kan men voorkomen dat de ondermetseling volledig meegetrokken zou worden wanneer de fundering van de op te richten constructie onderhevig zou zijn aan belangrijke zettingen. De stijfheid van de ondersteuning verhoogt aanzienlijk wanneer er over de hoogte van de steek een doorlopende (gewapende) betonbalk aangebracht wordt (zie afbeeldingen 6A en 6B).

A. Uitvoering van een scheidingslaag B. Uitvoering van een voeg
  1. Af te kappen deel van de bestaande fundering
  2. Bestaande fundering
  3. Ondermetseling
  4. Beton
  5. Te realiseren uitgraving
  6. Scheidingslaag
  7. Voeg
6 | Maatregelen om de overdracht van krachten van de nieuwe structuur naar de bestaande fundering te voorkomen.

Tijdens de ondermetselingswerken moet de stabiliteit van de uitgraving en de veiligheid van de arbeiders te allen tijde gegarandeerd worden. Zo dient men niet alleen rekening te houden met de veiligheidsvoorschriften uit het ARAB [12], maar ook met de bijzondere richtlijnen uit het NAVB-Dossier 96 'Werken langs en in sleuven' [16].

9. Varianten

De ondermetseling kan ook uitgevoerd worden met gewapend of vezelversterkt beton. Hiertoe dient de voorzijde van de wand – na de plaatsing van een eventuele wapening – bekist en afgestempeld te worden, waarna men kan overgaan tot het betonneren van de strook. Bij het storten van het beton dient men erop toe te zien dat de onbeschoeide achterkant van de uitgraving niet afkalft en in het beton terechtkomt.

Om een goede aansluiting met de bestaande fundering te verzekeren, kan men op verschillende manieren te werk gaan:
  • ofwel kan de strook tot ongeveer 10 cm onder de bestaande fundering gebetonneerd worden, waarna men de resterende opening tussen de betonwand en de bestaande fundering minstens 12 uur later kan navullen met een krimpvrije mortel
  • ofwel kan er bovenop de bekisting een speciale schuif voorzien worden die toelaat om met een zekere overhoogte te betonneren. Hierbij dient men erop te letten dat de goede aansluiting tussen de onderschoeiingswand en de onderkant van de bestaande fundering gewaarborgd is (bv. natrillen, toevoegen van plastificeerders aan het beton, voorzien van ontluchtingsgaten …).
De ontkistingstermijn (d.i. de tijd tussen het storten en het ontkisten) moet bepaald worden in functie van de aangrijpende belastingen, de hierdoor veroorzaakte vervormingen en de effectieve sterkte van het beton. Indien er hieromtrent geen gedetailleerde gegevens beschikbaar zijn, gelden de minimale ontkistingstermijnen uit de norm prNBN B 15-400 [11].

Bij een ondermetseling uit gewapend beton kan de overdracht van de krachten tussen twee naast elkaar gelegen stroken gerealiseerd worden door middel van:
  • tand- en groefverbindingen
  • uitplooibare wapeningen of mofverbindingen
  • wapeningsstaven die doorheen de beschoeiing in de grond van de naastgelegen, nog uit te graven grondstroken geslagen worden.

10. Kwaliteitszorg

De maximaal toelaatbare afwijking tussen de ondermetseling (planpositie) en de uitgraving moet beperkt blijven tot 5 cm. Zo niet kan het betonverbruik of de hoeveelheid zand, nodig van de opvulling van de hierdoor veroorzaakte holte, onaanvaardbaar hoog worden.

Voor de toelaatbare afwijkingen op de afmetingen, de positionering en de helling van de ondermetselingswanden dient men er de uitvoeringsnorm NBN EN 1996-2 ANB [7] op na te slaan. Indien de ondermetseling uitgevoerd wordt met gewapend of vezelversterkt beton, moet men voldoen aan de voorschriften uit de norm NBN EN 13670 [10].

De tolerantie op de aanzetdiepte van de ondermetseling bedraagt ± 5 cm.

In het bestek moet er bij de bepaling van de ligging van de ondergrondse constructies rekening gehouden worden met deze toleranties. Ook de eventuele meerkosten die aangegaan moeten worden om een positionering binnen de toleranties toe te laten (bv. meerverbruik van beton, gestabiliseerd zand), mogen niet uit het oog verloren worden.

11. Link naar de bouwproductendatabank Techcom

Literatuurlijst

  1. Bureau voor Normalisatie
    NBN EN 771-1 Voorschriften voor metselstenen. Deel 1: metselbaksteen. Brussel, NBN, 2011.

  2. Bureau voor Normalisatie
    NBN EN 771-2 Voorschriften voor metselstenen. Deel 2: kalkzandsteen. Brussel, NBN, 2011.

  3. Bureau voor Normalisatie
    NBN EN 771-3 Voorschriften voor metselstenen. Deel 3: betonmetselstenen (gewone en lichte granulaten). Brussel, NBN, 2011.

  4. Bureau voor Normalisatie
    NBN EN 771-4 Voorschriften voor metselstenen. Deel 4: geautoclaveerde cellenbetonmetselstenen. Brussel, NBN, 2011.

  5. Bureau voor Normalisatie
    NBN EN 771-5 Voorschriften voor metselstenen. Deel 5: metselstenen van kunststeen. Brussel, NBN, 2011.

  6. Bureau voor Normalisatie
    NBN EN 771-6 Voorschriften voor metselstenen. Deel 6: metselstenen van natuursteen. Brussel, NBN, 2011.

  7. Bureau voor Normalisatie
    NBN EN 1996-2:ANB Eurocode 6. Ontwerp en berekening van constructies van metselwerk. Deel 2: ontwerp, materiaalkeuze en uitvoering van constructies van metselwerk. Nationale bijlage. Brussel, NBN, 2010.

  8. Bureau voor Normalisatie
    NBN EN 1997-1 Eurocode 7: geotechnisch ontwerp. Deel 1: algemene regels (+ AC:2009). Brussel, NBN, 2005.

  9. Bureau voor Normalisatie
    NBN EN 1997-1:ANB Eurocode 7: geotechnisch ontwerp. Deel 1: algemene regels. Nationale bijlage. Brussel, NBN, 2014.

  10. Bureau voor Normalisatie
    NBN EN 13670 Uitvoering van betonconstructies. Brussel, NBN, 2010.

  11. Bureau voor Normalisatie
    prNBN B 15-400 Uitvoering van betonconstructies. Nationale aanvulling bij NBN EN 13670:2010. Brussel, NBN, 2012.

  12. Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg
    Algemeen reglement voor de arbeidsbescherming. Brussel, FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, 1947 (en wijzigingen).

  13. Grégoire Y. en Van Rossem D.
    Voorschrijven van metselstenen. Brussel, WTCB, WTCB-Dossiers, nr. 4, Katern 4, 2014.

  14. Huybrechts N. en Van Lysebetten G.
    Onderschoeien van bestaande funderingen door middel van beschoeide sleuven. Brussel, WTCB, Infofiche, nr. 72.2, 2015.

  15. Maertens J.
    Werken onder de grond. Funderingen. Verdiepen van bestaande funderingen. Mechelen, Wolters Kluwer Belgium, Handboek Bouwgebreken, A 2320-4/1, 2003.

  16. Nationaal Actiecomité voor Veiligheid en Hygiëne in het Bouwbedrijf
    Werken langs en in sleuven. Brussel, NAVB, 2002.
N. Huybrechts, ir., afdelingshoofd, afdeling Geotechniek, WTCB
G. Van Lysebetten, ir., onderzoeker, afdeling Geotechniek, WTCB