EPB – Verwarming: afgifte, verdeling, opslag en regeling

Verschenen : februari 2011

De berekeningsmethode voor het peil van het primaire energieverbruik (E-peil of Ew-peil (1)) neemt verschillende parameters in aanmerking (zie Infofiche 48.1), waaronder de systemen voor de warmteafgifte, - verdeling, -opslag en de regeling van het centrale verwarmingssysteem. Het doel van deze Infofiche is de invloed van deze parameters op het E-peil aan te tonen. We merken op dat hoewel de bovenvermelde parameters het E-peil beïnvloeden er geen rechtstreekse EPB-eisen bestaan in het Waals en het Vlaams Gewest waaraan ze moeten voldoen. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelden er echter specifieke technische eisen.
(1) Om het document niet onnodig te belasten, spreken we verder eenvoudig over E-peil.

Invloed van de afgifte
Invloed van de verdeling
Invloed van de opslag
Invloed van de regeling en verbruik van de hulpfuncties
De rol van de ontwerper en de uitvoerende aannemer
Aanbevelingen
Opmerking



Bepaling van het E-peil

Bepaling van het E-peil Een centrale verwarmingsinstallatie bestaat uit :
  1. een warmteafgiftesysteem met radiatoren, convectoren, vloerleidingen, plafondleidingen, muurleidingen of luchtroosters

  2. een systeem voor de warmteverdeling. Bij een hydronische centrale verwarming (watercirculatiesysteem) gebeurt dit via leidingen, bij warmeluchtverwarming via kanalen. Een plaatselijke verwarming beschikt niet over een warmteverdelingssysteem

  3. een warmteopslagsysteem (maar is niet noodzakelijk)

  4. een warmteopwekkingsinstallatie. Het kan gaan om verwarmingsketels met water (zie Infofiche 48.3), warme lucht generatoren, warmtepompen (zie Infofiche 48.4) of warmtekrachtkoppelingssystemen

  5. een regelsysteem voor elk van deze systemen.
Bij de bepaling van het E-peil worden de systemen voor de warmteverdeling, -opslag en -afgifte in aanmerking genomen bij de omzetting van de maandelijkse netto energiebehoeften voor verwarming naar de maandelijkse bruto energiebehoeften. Voor deze omzetting worden de nettobehoeften gedeeld door het systeemrendement (dat zelf onderverdeeld wordt in verdeel-, afgifte- en opslagrendement) van de verwarmingsinstallatie.

Het regelsysteem wordt tijdens twee verschillende stappen in de bepaling van het E-peil in aanmerking genomen (zie Infofiche 48.1 voor de verschillende stappen):
  • tijdens de tweede stap, omdat het regelsysteem hier het afgiftesysteem kan beïnvloeden

  • tijdens de derde stap, omdat het regelsysteem hier het opwekkingsrendement kan beïnvloeden en zelf energie kan verbruiken. Tijdens die stap wordt het maandelijkse eindenergieverbruik bepaald door de maandelijkse bruto energiebehoeften te delen door het opwekkingsrendement van de warmteopwekkingsinstallatie. Ook het maandelijkse eindenergieverbruik voor de hulpfuncties wordt bepaald.
De analyse van de formules voor de berekening van het E-peil geeft aan dat hoe hoger de hieronder beschreven systeemrendementen zijn, hoe lager het E-peil uitkomt, wat een betere energieprestatie betekent.

1. Invloed van de afgifte

Het afgifterendement vertegenwoordigt de verhouding tussen de nuttige warmte die de verwarmingselementen afgeven – ten voordele van de verwarmde lokalen – en de totale warmte die ze afgeven. Ook de onnuttige warmteverliezen van deze elementen en de verliezen door een slechte regeling zijn hierin opgenomen.

De bepaling van het afgifterendement gebeurt aan de hand van de tabelwaarden (zie tabel 1). Deze tabel geeft bovendien ook de invloed van de regeling op het afgifterendement weer. Als alternatief wordt er ook een gedetailleerde benadering voorgesteld (2).


(2) Zie literatuurlijst Infofiche 48.1.

Tabel 1 Rekenwaarden voor het afgifterendement.
Centrale verwarming
Regeling van de binnentemperatuur Regeling van de vertrektemperatuur van het kringwater of van de lucht
Constante instelwaarde Variabele instelwaarde
Temperatuur gestuurd per ruimte 0,87 (*) 0,89 (*)
Andere 0,85 (*) 0,87 (*)
(*) Indien 1 of meerdere warmteagifte-elementen in de energiesector (gedeeltelijk) voor beglazing opgesteld staan, verlaagt het rendement met 0,08.

In het geval van een gemeenschappelijke warmteopwekkingsinstallatie voor meerdere wooneenheden (gemeenschappelijke verwarming), dienen de bovenstaande waarden (voor centrale verwarming) als volgt verminderd worden :
  • indien er per wooneenheid een individuele warmtekostenafrekening gebeurt op basis van een individuele meting van het reële verbruik, vermenigvuldigen we de van toepassing zijnde bovenstaande waarde met de factor 0,95
  • indien er geen dergelijke geïndividualiseerde reële warmtekostenafrekening gebeurt , vermenigvuldigen we de van toepassing zijnde bovenstaande waarde met de factor 0,85.
In het geval van een centrale verwarming zal de plaatsing van een of meerdere verwarmingselementen voor een venster het afgifterendement doen afnemen en het dus E-peil verhogen.

Top

2. Invloed van de verdeling

Het verdeelrendement stelt de verhouding voor tussen de totale warmte die de verwarmingselementen afgeven en de warmte die de warmteopwekkingsinstallatie afgeeft aan het warmteverdelingssysteem. De bepaling van het verdeelrendement kan op een vereenvoudigde manier gebeuren aan de hand van de tabelwaarden (zie tabel 2). Als alternatief wordt er ook een gedetailleerde benadering voorgesteld (3).


(3) Zie literatuurlijst Infofiche 48.1.

Tabel 2 Verdeelrendement.
Verwarmingsinstallatie
Centrale verwarming met warm water of warme lucht ( gemeenschappelijke verwarming)
ηdistr,heat,sec i,m(*)
alle leidingen of kanalen binnen de isolatielaag van het beschermde volume 1
een deel van de leidingen of kanalen buiten de isolatielaag van het beschermde volume 0,95
(*) Het maandelijkse gemiddelde verdeelrendement van een energiesector i.

A. Alle leidingen binnen het beschermde volume B. Een deel van de leidingen buiten het beschermde volume
A. Alle leidingen binnen het beschermde volume B. Een deel van de leidingen buiten het beschermde volume
Afb.1 Positionering van de leidingen.

Het is duidelijk dat het verdeelrendement een beetje daalt als minstens een deel van de leidingen buiten het beschermde volume geplaatst wordt.

Top

3. Invloed van de opslag

Wanneer de thermische energie voor de verwarming wordt opgeslagen in een buffervat, stelt het maandelijkse gemiddelde opslagrendement de verhouding voor tussen de maandelijks geleverde warmte aan het verdeelsysteem en de warmte die de warmteopwekkingsinstallaties maandelijks aan de opslagvaten overdragen.

De bepaling van het opslagrendement gebeurt aan de hand van de tabelwaarden (zie onderstaande tabel). Als alternatief wordt er ook een gedetailleerde benadering voorgesteld (4).


(4) Zie literatuurlijst Infofiche 48.1.

Tabel 3 Opslagrendement.
Opslag van warmte voor de ruimteverwarming in één (of meerdere) buffervat(en) ηstor,heat,sec i,m(*)
Niet aanwezig 1
Wel aanwezig:
binnen het beschermde volume
1
buiten het beschermde volume
0,97
(*) Het maandelijkse gemiddelde opslagrendement van een energiesector i.


Het is duidelijk dat het gebruik van een buffervat enkel een negatief effect heeft als het vat buiten het beschermde volume wordt geplaatst. Bij het gebruik van een extra pomp moet deze in aanmerking genomen worden (zie tabel 4).

Top

4. Invloed van de regeling en verbruik van de hulpfuncties

In het geval van een warmwaterketel moet er rekening gehouden worden met de regeling bij de bepaling van het opwekkingsrendement. Als de ketel uitgerust is met een regeling die de ketel permanent opgewarmd houdt, en dus ook tijdens perioden zonder vraag naar warmte (zelfs als er geen vraag is naar warmte laat de regeling de ketel niet afkoelen tot de omgevingstemperatuur), neemt het opwekkingsrendement van de ketel immers met 5% af (zie ook Infofiche 48.3).

Zoals eerder vermeld, beïnvloedt de regeling ook het E-peil via het afgifterendement.

Bovendien kan het in zijn geheel beschouwde regelsysteem energie verbruiken voor de hulpfuncties (circulatiepompen, ingebouwde ventilatoren en elektronische circuits). De forfaitaire bepaling van dit energieverbruik gebeurt aan de hand van de tabelwaarden (zie tabel 4).

Tabel 4 Rekenwaarden voor het elektriciteitsverbruik van de hulpfuncties van de verwarmingsinstallaties.
Toestel/component Uitvoering Waux,heat,j [kWh] (¹)
Circulatiepomp per wooneenheid Zonder pompregeling 0,70 ΣVsec i (²)
Met pompregeling 0,35 ΣVsec i
Circulatiepomp voor meerdere wooneenheden In geval van een gescheiden warm tapwatervoorziening dient de pomp enkel voor de ruimteverwarming (enkel in werking gedurende het stookseizoen) 0,35 ΣVsec i
De pomp dient ook voor de warm tapwatervoorziening d.m.v. een afleverset die het hele jaar werkt 0,70 ΣVsec i
Andere pompen Extra pomp bij het gebruik van een opslagvat voor de ruimteverwarming 0,10 ΣVsec i
Extra pomp tussen de ketel en de verdeelcollectoren en – leidingen 0,10 ΣVsec i
Extra pomp voor een warmtewisselaar in een luchtbehandelingskast 0,10 ΣVsec i
Ketel/generator Ingebouwde ventilator 0,30 ΣVsec i
Elektronica 0,20 ΣVsec i
(¹) Energieverbruik van de hulpfuncties van de installatie.
(²) ΣVsec i : de som van het volume van de energiesectoren [m³].

Ten slotte moet men ook rekening houden met het elektriciteitsverbruik van de ventilatoren voor luchtverwarming. De bepaling van dit verbruik is gebaseerd op het elektrische vermogen van de ventilatoren en gebeurt aan de hand van de tabelwaarden (zie tabel 5). Het reglementaire kader voorziet de mogelijkheid om het reële geïnstalleerde vermogen in aanmerking te nemen (5).


(5) Zie literatuurlijst Infofiche 48.1.

Tabel 5 Standaard rekenwaarden voor het elektrisch vermogen van ventilatoren die de ruimteverwarming verzekeren.
Installatie Type ventilatorregeling Vermogen
Φfans,heat [W] (*)
Heteluchtverwarming Geen regeling of geen automatische regeling 0,780 ΣVsec i
Automatische regeling 0,525 ΣVsec i
(*) Rekenwaarde voor het elektrische vermogen van een ventilator in ventilatiestand.

Top

5. De rol van de ontwerper en de uitvoerende aannemer

In Infofiche 48.1 vindt u een algemeen overzicht van de taken van elke partij in het bouwproces, voor zover ze betrekking hebben op de EPB regelgeving. Zoals blijkt uit het voorgaande, hebben de verschillende aspecten van de verdeling, de afgifte en de opslag van warmte, evenals de regeling een invloed op het E-peil. Het is dus belangrijk dat de ontwerper deze punten duidelijk in het bestek beschrijft, zodat de tabelwaarden ondubbelzinnig kunnen worden toegewezen.
Hieronder vindt u meer specifieke taken met betrekking tot deze Infofiche.

De taken van de ontwerper bestaan normaal gesproken uit:
  • het kiezen van een verwarmingssysteem naargelang de omstandigheden, in het bijzonder wat betreft :

    • het gebruik van een centrale of plaatselijke verwarming
    • het gebruik van warmteopslag (een buffervat)
    • het gebruikte warmteafgiftesysteem : radiator, convector, vloerverwarming, muurverwarming, enz. en waar ze geïnstalleerd moeten worden.
    • de regeling van de begintemperatuur van het water of de lucht: constant of variabel (klimaatregeling)
    • de binnentemperatuurregeling: per ruimte (bijvoorbeeld met een thermostaat of een thermostatische kraan) of op een andere manier
    • of er bij een gemeenschappelijk verwarmingssysteem al dan niet een individuele afrekening van de verwarmingskosten wordt voorzien.

  • het bepalen van het type van bepaalde componenten die geïnstalleerd moeten worden of het meedelen van de voorschriften aan de aannemer, eventueel in termen van prestaties :

    • warmteopslag
    • pomptype
    • regeling
De taken van de uitvoerende aannemer bestaan normaal gesproken uit:
  • te voldoen aan de voorschriften van het bijzondere bestek en de plannen, evenals aan andere eventuele eisen bepaald door de ontwerper
  • eventueel een eigen voorstel formuleren voor een alternatieve oplossing, waarmee het mogelijk is te beantwoorden aan de minimale energetische prestaties die door de ontwerper worden vooropgesteld, ter goedkeuring voorleggen aan de opdrachtgever, de ontwerper evenals aan de verantwoordelijke voor de EPB-berekening (zie aanbevelingen in § 6)
  • het op de hoogte brengen van de andere partijen van de grenzen van zijn opdracht en in voorkomend geval bepaalde componenten leveren die door andere aannemers geïnstalleerd moeten worden, bijvoorbeeld: dakdoorvoeren voor schouwen
  • het verstrekken van de gegevens betreffende de werkelijk geïnstalleerde keuzes, de verwerkte componenten of de afgewerkte installatie aan de verantwoordelijke voor de EPB-berekening
Top

6. Aanbevelingen

De aannemer mag ook andere oplossingen voorstellen die de kwaliteit en/of de prestaties van het systeem verbeteren. Hierbij dient hij wel onderstaande aanbevelingen in acht te nemen:
  • installeer geen radiatoren of convectoren tegenover een beglazing
  • kies een regeling die er bij het uitschakelen van de ketel voor zorgt dat deze kan afkoelen
  • installeer alle verwarmingsleidingen binnen het beschermde volume
  • voorzie een regeling voor de circulatiepomp
  • beperk het gebruik van extra pompen bijvoorbeeld in opslagvaten, tussen een ketel en een evenwichtsfles of in extra warmtewisselaars.
  • dimensioneer de warmteafgiftetoestellen correct naargelang van de werkelijke warmtebehoeften in elke ruimte en kies voor een laag temperatuurregime (zie ook Infofiche 48.3 en 48.4).
De voorgestelde alternatieven door de aannemer moeten echter eerst door de ontwerper goedgekeurd worden.

Top

Opmerking

De Infofiches 'EPB & Bouwberoepen' werden met de grootste zorg opgesteld. Het WTCB kan echter niet aansprakelijk gesteld worden voor eventuele schade die door gebruik van deze informatie zou zijn veroorzaakt. Alleen de Gewesten zijn bevoegd om zich uit te spreken over de interpretatie van de regelgevingen.


Departement 'Akoestiek, Energie en klimaat', WTCB