Schrijnwerk en beglazing : een modelpaar ? 2006/01.03

Gezien conventionele energiebronnen uitputtelijk zijn en een negatieve invloed hebben op het milieu, dienen de verschillende bouwpartners zowel bij het ontwerp, de constructie als de renovatie te streven naar een betere energetische doeltreffendheid.
Ook het schrijnwerk en de beglazingen ontsnappen niet aan deze tendens. Zo hebben de technische evoluties bij de fabrikanten geleid tot een gevoelige verbetering van de warmte-doorgangscoëfficiënt Ug van de beglazingen. Het centrale gedeelte van een dubbele beglazing vertoont tegenwoordig niet zelden een Ug-waarde van 1,1 W/m2.K, wat zo'n drie keer beter is dan deze van een 'traditionele' dubbele beglazing. De beperking van de warmteverliezen doorheen doorschijnende wanden wint bovendien aan belang, omdat dit wandtype in de moderne architectuur steeds populairder wordt. Men kan ervan uitgaan dat 10 tot 15 % van de gebouwschil in een traditionele viergevelwoning vandaag de dag uit glas bestaat en dat het buitenschrijnwerk verantwoordelijk kan zijn voor zo'n 50 % van de warmteverliezen door transmissie.

Energieprestaties en eisen

Tabel 1 geeft de Umax-waarden op die van toepassing zijn in de drie Gewesten van ons land. Hieruit blijkt dat de warmtedoorgangscoëfficiënt Umax van vensters (schrijnwerkelement, bestaande uit de beglazing, afstandhouders, profielen, ventilatieroosters en vulpanelen) lager moet zijn dan 2,5 W/m2.K of 3,5 W/m2.K. In het Waalse en het Brusselse Gewest is deze eis van toepassing op elk afzonderlijk venster, terwijl deze in het Vlaamse Gewest geldt voor de totaliteit van de vensters.

Tabel 1 Umax-waarden (in W/m².K) voor vensters in de verschillende Gewesten.

In Vlaanderen mag de Ug-waarde in het centrum van de beglazing bovendien niet hoger zijn dan 1,6 W/m2.K. Dit impliceert dat het gebruik van enkele en gewone dubbele beglazingen volgens de Vlaamse en de Brusselse reglementeringen niet langer mogelijk is.

Berekening van de globale warmtedoorgangscoëfficiënt

De warmtedoorgangscoëfficiënt van schrijnwerkelementen kan bepaald worden volgens de ontwerpnorm NBN B 62-002, waarvan de principes ontleend zijn aan de normen NBN EN ISO 10077-1 en 10077-2. Volgens deze normen kan men de globale warmtedoorgangscoëfficiënt als volgt berekenen :
  • ofwel aan de hand van een algemene methode die de geometrische en thermische karakteristieken van de verschillende onderdelen van het venster in aanmerking neemt
  • ofwel aan de hand van een vereenvoudigde methode waarmee men een veilige gemiddelde Uw-waarde kan verkrijgen.
De vereenvoudiging bestaat erin rekening te houden met een constante verhouding tussen het warmteverliezende oppervlak van de beglazing en dat van het schrijnwerk, evenals met een vaste voorziene lengte van de afstandhouder van de beglazing.

Tabel 2 Globale Uw-waarde voor schrijnwerkelementen voor twee verhoudingen van de oppervlakte Ar/Aw, afhankelijk van de aard van het raam.

Omdat het volgens de norm NBN D 50-001 verplicht is (behalve in het Brusselse Gewest) alle gebouwen uit te rusten met een ventilatiesysteem, voorziet men het schrijnwerk steeds vaker van ventilatieroosters. Deze uitrustingen kunnen echter een niet te verwaarlozen invloed hebben op de globale warmtedoorgangscoëfficiënt van het schrijnwerkelement en kunnen de gemiddelde Uw-waarde met bijna 20 % doen stijgen, in het bijzonder bij gebruik van beglazingen met een hoog rendement (Ug < 1,6 W/m2.K). Door de keuze van een rooster en/of een raam met betere prestaties of door de vervanging van de roosters door een gecontroleerd mechanisch ventilatiesysteem is het mogelijk de gemiddelde Uw-waarde van het schrijnwerk te verbeteren. Tabel 2 toont de globale Uw-waarde van een schrijnwerkelement, afhankelijk van de aard van het raam, de centrale Ug-waarde van de beglazing en de verhouding van de oppervlakte tussen het ventilatierooster (Ar) en het schrijnwerkelement (Aw). Voor het ventilatierooster werd een warmtedoorgangscoëfficiënt van 6 W/m2.K vooropgesteld. Verder werd rekening gehouden met gewone afstandhouders voor de beglazing.

C. D'Hanis, ing., en L. Lassoie, ing., afdeling 'Technisch advies'