De muurvoet : een te isoleren knoop 2006/01.11

In individuele woningen zijn de ondoorschijnende verticale wanden gewoonlijk verantwoordelijk voor zo'n kwart van de totale warmteverliezen. De muurvoet vormt in dit kader niet zelden een moeilijk te isoleren knoop.
In het geval van een spouwmuur heeft de keuze van de isolatie (aard, eventuele certificering, …), evenals van het materiaal waaruit de draagmuur opgebouwd is, een rechtstreekse invloed op de materiaaldikte die moet voorzien worden om te voldoen aan de Umax-waarde. Indien men voor het dragende metselwerk een materiaal kiest met goede thermische prestaties (bv. cellenbeton) en gebruik maakt van een isolatie met een Technische Goedkeuring, kan de toe te passen isolatiedikte soms zelfs gehalveerd worden (zie tabel 1). Door een Umax-waarde van 0,6 W/m2K te respecteren, beantwoordt men aan de reglementeringen. Als men daarentegen streeft naar Umax-waarden lager dan 0,4 of zelfs 0,3 W/m2K, is men vooruitstrevend.

Tabel 1 : Dikte van het isolatiemateriaal voor een Umax-waarde = 0,6W/m²K (1).

Afb. 1 Detail van een muurvoet met isolatie onder de vloer.

De koudebruggen die kenmerkend zijn voor de minder goed geïsoleerde of niet-geïsoleerde zones zijn nadelig op thermisch vlak en kunnen bovendien leiden tot het optreden van oppervlaktecondensatie en/of de ontwikkeling van schimmels. Ze moeten bijgevolg zoveel mogelijk vermeden worden. Dergelijke koudebruggen komen echter vaak voor, zelfs in nieuwe constructies. Dit geldt bijvoorbeeld voor de muurvoet van gevels wanneer de vloer boven een geventileerde kruipruimte (of boven een kelder buiten het beschermde volume) ligt. Een constructieve oplossing die toelaat onderbrekingen van de warmte-isolatie op deze plaats te vermijden, wordt voorgesteld in afbeelding 1.

In de praktijk zou men geneigd kunnen zijn de uitvoering van een middelmatig geïsoleerde dekvloer (op basis van licht beton) bovenop de draagvloer te verkiezen boven de plaatsing van isolerende blokken aan de muurvoet. Hoewel dit detail voldoening biedt bij een tweedimensionale studie, vertoont het een thermisch gebrek ter hoogte van de buitenhoeken van de gevel en aan de aansluitingen met de dwarsmuren die steunen op de funderingsmuur in de geventileerde kruipruimte. In het driedimensionale model van afbeelding 2 merkt men immers dat de temperatuur van het binnenoppervlak lager blijft dan 14 °C (τ-factor < 0,7) voor een buitenluchttemperatuur van 0 °C en een binnenluchttemperatuur van 20 °C, zelfs na toevoeging van isolerende blokken aan de muurvoet (bv. cellenbeton).
Afb. 2 Geïsoleerde dekvloer (licht beton) boven geventileerde kruipruimte met koudebrug aan de muurvoet.
De plaatsing van dergelijke blokken leidt dus enkel tot het opheffen van de koudebrug indien ook de vloer voorzien wordt van een performante thermische isolatie (bv. polyurethaanschuim). Op deze wijze kan men niet alleen het risico op het optreden van oppervlaktecondensatie en/of de ontwikkeling van schimmels beperken, maar tevens de warmteverliezen van het gebouw verminderen.


C. Delmotte, ir., adjunct-laboratoriumhoofd 'Luchtkwaliteit en Ventilatie'
O. Vandooren, ing., hoofd van de afdeling 'Communicatie'
Nuttige informatie
De warmtegeleidbaarheid van licht beton is doorgaans 5 tot 10 keer hoger dan deze van polyurethaanschuim of courante isolatieplaten. Ze is bovendien sterk afhankelijk van de drogingsmogelijkheden van het aanmaakwater van het beton.