Energetische doeltreffendheid van gebouwen : een beetje geschiedenis 2006/01.08

De laatste twintig jaar werden gekenmerkt door belangrijke evoluties op het gebied van de energetische doeltreffendheid van gebouwen, en dit zowel met betrekking tot de warmte-isolatie, de prestaties van de onderdelen en technische uitrustingen als de nieuwe technologieën. Toch verloopt de integratie van deze technologieën niet altijd optimaal en blijven er inspanningen nodig om ze goed in de praktijk om te zetten.

1. Warmte-isolatie

De prestaties van bepaalde onderdelen van de gebouwschil hebben een spectaculaire evolutie gekend. Dit geldt onder meer voor de beglazing. Zo is het met dubbele beglazingen met lage emissiviteit (U-waarden van om en bij de 1,1 W/m2.K) mogelijk de warmteverliezen doorheen de beglazing met 2/3 te verminderen ten opzichte van klassieke dubbele beglazingen. Dit type beglazing is in België dan ook uitgegroeid tot de standaard. Door het op de markt komen van beglazingen met selectieve coatings kan men eveneens de zonnewinsten beperken en oververhitting vermijden.

De warmte-isolatie van nieuwe gebouwen is in het Waalse Gewest reglementair verplicht sinds 1984 en in Vlaanderen sinds 1992. De reglementaire drempelwaarden voor nieuwe woningen werden verhoogd en beantwoorden sedert 2000 aan het niveau K55 in de drie Gewesten.

Studies hebben echter aangetoond dat deze reglementeringen slechts zelden gerespecteerd worden door een gebrek aan doeltreffende controles.

2. Verwarming en productie van sanitair warm water

Ook wat de verwarming betreft, waren er belangrijke evoluties. Zo nam het rendement van de warmteproductietoestellen aanzienlijk toe en verschenen er naast de stookketels op lage tot zeer lage temperatuur tevens condensatieketels op de markt. Verder bracht de perfectionering van de technologie van de branders een rendementsverbetering en een vermindering van de luchtvervuiling teweeg.
Dankzij elektronische ballasten kan men het verbruik doen dalen.

Ondanks het grote marktaanbod vertegenwoordigden condensatieketels met gas in ons land in 2004 slechts 22 % van de totale verkoop van dergelijke toestellen. De installatie van condensatieketels met gasolie is eerder uitzonderlijk.

De regelsystemen zijn eveneens geëvolueerd, met name door de invoering van elektronische modules, die onder andere de bediening vanop afstand en de diagnose van defecten mogelijk maken. Het gebruik van punctuele controletechnieken (bv. thermostaatkranen) veralgemeende zich en wordt nu ook gecombineerd met gecentraliseerde controlesystemen.

3. Ventilatie

De technologieën en systemen voor de ventilatie van gebouwen hebben grondige wijzigingen gekend : er kwamen gelijkstroomventilatoren en ventilatoren met elektronische schakeling op de markt, die toelaten het intrinsieke verbruik van de ventilatie-installaties sterk te verlagen (soms zelfs met meer dan 50 %).

Wat de controle betreft, werden er ventilatiesystemen volgens behoefte gecommercialiseerd, waarmee men de ventilatieverliezen kan verminderen, terwijl de luchtkwaliteit gewaarborgd blijft. Daarnaast werden warmteterugwinningssystemen ontwikkeld, waarbij de toevoerlucht opgewarmd wordt door middel van de afgevoerde lucht, en die rendementen van om en bij de 90 % kunnen halen.

Er werden bovendien hybride ventilatiestrategieën ontworpen, waarbij zowel gebruik gemaakt wordt van natuurlijke als mechanische ventilatie. Deze kunnen een grote bijdrage leveren tot de energieprestatie van het gebouw.

In de praktijk stelt men in België evenwel vast dat de ventilatie van gebouwen problematisch blijft en dat de beschikbare technologieën slechts zelden geconcretiseerd worden. Als er een ventilatiesysteem geïnstalleerd wordt, blijkt de kwaliteit ervan dikwijls ontoereikend te zijn en gaat men - in tegenstelling tot bijvoorbeeld Zweden - bijna nooit over tot een contractuele oplevering.

4. Verlichting

Ook inzake verlichting kan men wijzen op tal van technologische evoluties.

Het rendement van de lichtbronnen nam gevoelig toe en er werden nieuwe lampen ontwikkeld. Enkele recente voorbeelden zijn de zogenaamde fluocompacte lampen, waarvan het geïnstalleerde vermogen bij een vergelijkbare lichtflux tot drie keer lager is, en de LED (Light Emitting Diodes), die voornamelijk toegepast worden voor signalisatiedoeleinden en het verbruik van het noodverlichtingssysteem sterk doen dalen.

De optieken van de lichtbronnen werden erg verbeterd, zowel wat hun vorm als hun samenstellende materialen betreft (lamellen uit geanodiseerd aluminium), waardoor het verlichtingsrendement toeneemt en het risico op verblinding vermindert.

Hoewel de toepassing van elektronische ballasten in plaats van magnetische ballasten leidt tot een daling van het verbruik van de installaties, onder meer door het in rekening brengen van de regelsystemen, worden deze nog niet systematisch gebruikt. In 2004 vertegenwoordigden ze slechts 31 % van de Europese markt van ballasten voor fluorescentielampen.

Uit deze beschouwingen blijkt dat de onmiskenbare technologische evoluties uit de bouwsector in de praktijk niet voldoende ingezet worden. Ervaringen uit onze buurlanden hebben echter aangetoond dat de invoering van een energieprestatieregelgeving voor gebouwen, wat op dit ogenblik in onze drie Gewesten aan het gebeuren is, een belangrijke drijfveer kan vormen voor hun toepassing.

A. Deneyer, ir., projectleider, laboratorium 'Licht en Gebouw'