De Energieprestatierichtlijn : de laatste evoluties 2006/01.07

De Europese Energieprestatierichtlijn voor gebouwen, die gepubliceerd werd door het Europese Parlement en de Raad en die tot doel heeft de natuurlijke energiebronnen van onze planeet te beschermen en de opwarming van het klimaat tegen te gaan, trad in werking op 4 januari 2006. Hierdoor zijn de Gewesten van ons land ertoe verplicht hun reglementeringen aan te passen.

1. Doelen en eisen

De op 4 januari 2003 gepubliceerde Europese richtlijn 2002/91/EG heeft tot doel de verbetering van de energieprestatie van de gebouwen in de Europese Unie te stimuleren, rekening houdend met de klimatologische omstandigheden en de plaatselijke bijzonderheden.

De titel van het document roept de idee van een nieuwe zienswijze op. Vanaf heden moeten de reglementeringen gekoppeld worden aan de globale energieprestatie van de gebouwen. Dit betekent dat ze niet enkel de thermische isolatie ervan in aanmerking moeten nemen, maar tevens een geheel van andere parameters die verband houden met het energieverbruik en het binnenklimaat : voordelen van een doordachte ligging (waardoor het mogelijk is de zonnewinsten te benutten of oververhitting te vermijden), kwaliteiten van het ventilatiesysteem, rendement van de installaties, gebruik van hernieuwbare energiebronnen, …

De omzetting van deze eisen in de nationale of gewestelijke wetgeving van de verschillende EU-Lidstaten zou vanaf 4 januari 2006 een feit moeten zijn. Indien de Lidstaten echter kunnen aantonen dat ze op de betreffende datum niet beschikken over voldoende gekwalificeerde en/of goedgekeurde experten, mogen ze zich beroepen op een bijkomende termijn van drie jaar om de eisen met betrekking tot de certificering en de keuring toe te passen.

In ons land zijn de drie Gewesten bevoegd op het vlak van energie. De aanpassing van de wetgeving om te beantwoorden aan de richtlijn moet dus gebeuren op gewestelijk niveau.

2. Concrete uitvoering

Bij de publicatie van de richtlijn in 2003 bestond er in het Vlaamse Gewest al een reglementering voor de warmte-isolatie van nieuwe woongebouwen. Het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest beschikten op hun beurt over regelgevingen die de warmte-isolatie van woongebouwen, kantoorgebouwen en schoolgebouwen in aanmerking namen, en dit zowel voor nieuwbouw als voor renovaties. In het Waalse Gewest bestond er bovendien een wetgeving voor de ventilatie van de hierboven opgesomde gebouwtypes. Voor woongebouwen laat de Waalse regelgeving de ontwerpers eveneens toe te kiezen tussen de berekening van een globaal warmte-isolatieniveau en de bepaling van de netto-energiebehoeften voor de verwarming, rekening houdend met de ventilatie, de zonnewinsten en de interne winsten.

Deze reglementeringen volstaan echter niet om de eisen uit de richtlijn te respecteren. De drie Gewesten zijn derhalve verplicht hun wetgeving aan te passen.

Het Vlaamse Gewest

Het nieuwe Vlaamse decreet van 7 mei 2004 met betrekking tot de energieprestatie van gebouwen en het binnenklimaat vormt de grondslag voor de uitvoering van de richtlijn (met uitzondering van de keuringen) en creëert een kader voor de controle ervan. Dit decreet, aangevuld door het besluit van de Vlaamse Regering van 11 maart 2005, verstrengt de eisen op het gebied van de warmte-isolatie en legt de aanwezigheid van een ventilatiesysteem op voor alle nieuwe gebouwen waarvoor de stedenbouwkundige vergunning afgeleverd wordt na 1 januari 2006.

Wat de berekening van de energieprestatie betreft, verplicht het besluit de toepassing van een nieuwe methode en een nieuwe parameter : het E-peil. Deze laatste neemt niet enkel de zonnewinsten en de interne winsten, maar ook de prestaties van de installaties (verwarming, sanitair warm water, ventilatie, airconditioning, verlichting, …) en de oververhitting in aanmerking. Het uitvoeringsbesluit voorziet een overgangsperiode (van 1 januari tot 30 juni 2006), gedurende welke men de keuze heeft tussen het voldoen aan de eis van het K-niveau of de nieuwe eis van het E-peil (die zowel geldig is voor nieuwe woongebouwen, kantoorgebouwen als schoolgebouwen). In december 2005 kondigde minister Peeters bovendien aan dat hij de Vlaamse Regering zal voorstellen om deze overgangsperiode te verlengen tot 31 december 2006.

De certificering van gebouwen zal stapsgewijs verlopen :
  • voor nieuwe gebouwen keurde de Vlaamse Regering in december 2005 een ontwerpbesluit goed, waardoor het certificaat gekoppeld wordt aan de voorwaarden voor de bouwvergunning
  • een tweede stap betreft de certificering van bestaande gebouwen, waarvoor de reglementering momenteel op punt gesteld wordt
  • dit geldt tevens voor de implementatie van de artikels inzake de keuring van de stookketels en de koelsystemen.

Het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest

In deze twee Gewesten komt de omzetting van de richtlijn eveneens op gang. Net zoals in Vlaanderen moet men zich verwachten aan een verstrenging van de eisen op het gebied van de warmte-isolatie, en vermoedelijk aan een strikter kader voor de controle van de opvolging van de reglementering. Er komen bovendien eisen met betrekking tot de energieprestatie.

Verder willen we erop wijzen dat er in de drie Gewesten vrijwillige acties voorgesteld werden in voorbereiding op de certificering of de geïntegreerde benadering van de energieprestatie. Daarnaast wordt er volop gewerkt aan de ontwikkeling van gemeenschappelijke hulpmiddelen (databanken met productgegevens, …).

Europa

Tenslotte worden er ook op Europees niveau tal van besprekingen gevoerd. Een voorbeeld hiervan is de zogenaamde EPBD Concerted Action, die driemaal per jaar alle landen verenigt die betrokken zijn bij de implementatie van de richtlijn (http://www.epbd-ca.org).

Daarnaast werd in januari 2006 het door het WTCB gecoördineerde EPBD Buildings Platform opgestart dat tot doel heeft de informatieverspreiding rond de energieprestatieproblematiek te verbeteren.

D. Langendries, ir., onderzoeker, afdeling 'Bouwfysica en Binnenklimaat'