Duurzaam energiegebruik in onze bebouwde omgeving 2006/01.04

Wonen, werken, opvoeding, vorming, ontspanning, verzorging, handel, … Het is slechts een greep uit de brede waaier van activiteiten waarvoor de mens een aangepaste omgeving nodig heeft. Een gebouw vormt de materiële structuur waarin hij zijn bezigheden kan uitvoeren onder optimale omstandigheden. Om de binnenvoorwaarden aan de behoeften aan te passen, moet men doorgaans een zekere hoeveelheid energie toevoeren. Dit brengt echter een aantal problemen met zich mee die we in dit artikel in de kijker willen zetten.

Het gebouw : een omgeving voor de mens en zijn activiteiten

Inplanting en functies

De inplanting van een gebouw is afhankelijk van de functies die het moet vervullen, van zijn relaties tot andere activiteitencentra, van zijn bereikbaarheid, … Hiertoe wordt steeds een deel van de ruimte ingenomen. De zorgvuldigheid en planmatigheid waarmee dit gebeurt, heeft een belangrijke invloed op de energiestromen die ermee gepaard zullen gaan. Zo leidt de mobiliteitsbehoefte tot het ontstaan van verkeersstromen tussen de diverse activiteitencentra met hun verschillende functies. Door de concentratie van gebouwen kunnen zich vervolgens steden ontwikkelen met hun eigen wetmatigheden en problemen.

Realisatie

Na de duidelijke omschrijving van de behoeften en de functies van het gebouw en de precieze bepaling van zijn inplanting, kan men overgaan tot de realisatie ervan. Dit beschermende omhulsel dient de goede wisselwerking te verzekeren tussen het veranderlijke buitenklimaat en het gewenste binnenklimaat, dat moet kunnen aangepast worden aan de noden en de wensen van de gebruikers.

Voor de concrete uitvoering van deze structuur doet men een beroep op grondstoffen uit de natuur, die - na hun bewerking tot bouwelementen en componenten - op de bouwplaats worden geassembleerd tot de gewenste functionele ruimtelijke omgeving waarin de geplande activiteiten kunnen plaatsvinden.

Naast natuurlijke grondstoffen vereist de oprichting van een gebouw een belangrijke hoeveelheid energie : niet alleen voor de productie van de bouwelementen, maar ook tijdens de eigenlijke constructie.

Binnenklimaat

Hoewel het gebouw op zich een goede bescherming kan bieden tegen ongunstige weersinvloeden, betekent dit nog niet dat het beantwoordt aan de omgevingsvoorwaarden die de gebruiker vooropgesteld heeft voor de uitvoering van zijn activiteiten.

Hiertoe moeten de vier hoekstenen van het binnenklimaat (met name : thermisch comfort, visueel comfort, luchtkwaliteit en akoestisch comfort; zie kader) in overeenstemming gebracht worden met zijn verwachtingen. Dit gebeurt doorgaans door middel van installaties, die aangedreven worden met thermische, mechanische of elektrische energie, en waarvan de goede werking moet gegarandeerd worden door een geschikte energie-infrastructuur onder de vorm van productiesystemen en transportnetwerken.
De vier hoekstenen van het binnenklimaat
  • Thermisch comfort : hoewel het in het gebouw in de winter best aangenaam warm mag zijn, mag de temperatuur in de zomer ook niet te hoog oplopen om oververhitting te vermijden.
  • Kwaliteit van de binnenlucht : deze kan snel dalen als gevolg van diverse vervuilingsbronnen en moet op peil gehouden worden door een geschikte strategie van verversing en afvoer.
  • Akoestisch comfort : een aangepaste geluidsomgeving zonder hinder door buitenlawaai of andere geluidsbronnen in naburige ruimten vraagt de nodige aandacht.
  • Visueel comfort : voor oogtaken is een toereikend verlichtingsniveau vereist. Bij een goed ontworpen gebouw kan daglicht - ondanks het feit dat het niet continu beschikbaar is - een deel van deze behoefte invullen.

De bebouwde omgeving kan met andere woorden enkel functioneren door gebruik te maken van energie. Dit brengt echter een aantal maatschappelijke problemen met zich mee, zodat het belangrijk is er zeer bedachtzaam mee om te springen.
Duurzaam bouwen : mogelijke invloedsfactoren en criteria.

Uitdagingen op het gebied van de energievoorziening

Hoewel het maatschappelijke debat omtrent onze energievoorziening zich momenteel voornamelijk toespitst op de Kyoto-verplichtingen, bestaan er nog talrijke andere fundamentele problemen. De belangrijkste zijn :
  • de eindigheid van de conventionele energievoorraden (bv. fossiele brandstoffen, nucleair splijtingsmateriaal, …) : indien het wereldenergieverbruik constant blijft, zullen de aardgas-, aardolie- en uraniumvoorraden volgens de meeste huidige ramingen binnen 50 tot 100 jaar opgebruikt zijn
  • de gezondheids- en milieuproblematiek : energieverbruik leidt niet enkel tot de uitstoot van CO2, maar draagt ook in grote mate bij tot de vervuiling in het algemeen (aantasting van gebouwen en historische monumenten, zure regen, …)
  • de beperkte geopolitieke spreiding : het feit dat wij voor de invoer van onze energie afhankelijk zijn van een klein aantal productielanden leidt tot :
    • bevoorradingsonzekerheid
    • hoge importkosten : belangrijk verlies aan deviezen
    • prijsvolatiliteit
    • de beïnvloeding van de inflatie door de internationale olieprijzen.

Een opdracht voor alle bouwprofessionelen

Zoals mag blijken uit voorgaande opsomming, is er dringend nood aan de ontwikkeling van een duidelijke toekomstvisie. Dit is een continue opdracht waartoe niet enkel de gebruikers (die de eisen bepalen waaraan de gebouwen moeten beantwoorden), maar vooral de professionele spelers hun steentje moeten bijdragen :
  • de ruimtelijke planners : deze moeten op lange termijn vastleggen waar en hoe er kan gebouwd worden
  • de ontwerpers van de gebouwen en hun bijhorende installaties, de architecten en de ingenieurs : het energetische gedrag van een gebouw wordt immers sterk beïnvloed door het ontwerp en de gekozen materialen en systemen
  • de toeleveringsindustrie : zij moet bouwproducten en -systemen aanbieden die voldoen aan de prestatie-eisen uit het ontwerp
  • de uitvoerders, aannemers en installateurs, die het gebouw realiseren : deze moeten waarborgen dat het gebouw en de installaties correct functioneren en beantwoorden aan de gevraagde prestaties
  • de wetenschappelijke wereld : zij moet de bouwprofessionelen geschikte hulpmiddelen ter beschikking stellen om hun complexe opdracht tot een goed einde te brengen
  • de overheid : deze moet de krijtlijnen uitzetten waarbinnen het bouwproces kan plaatsgrijpen en moet normen en regels uitvaardigen om de ruimere maatschappelijke belangen te vrijwaren.

Toekomstperspectieven

De meeste technische installaties (verwarming, …) zijn na 20 jaar aan vervanging toe en kunnen zo inspelen op de technologische evoluties. Gebouwen hebben daarentegen een levensduur van 50 jaar en meer, zodat het noodzakelijk is om eventuele toekomstige ontwikkelingen reeds vanaf hun ontwerp in aanmerking te nemen. De impact van beslissingen over ruimtelijke planning kan op zijn beurt gedurende meerdere eeuwen voelbaar blijven. Daarom is het van groot belang dat de overheid een vooruitziend energetisch beleid voert.
Nuttige informatie
Nuttig document
Vandaele L., e.a., Bouwen, wonen en energie. Studie in opdracht van het viWTA - Samenleving en technologie. Brussel, Vlaams Instituut voor Wetenschappelijk en Technologisch Aspectenonderzoek (viWTA), 2004.

In het licht van de Kyoto-verplichtingen zou de productie van CO2 en andere broeikasgassen tegen 2012 met 7,5 % beperkt moeten worden. Aangezien deze laatste momenteel echter nog steeds in stijgende lijn gaat, vormt dit - met de huidige middelen - een ware uitdaging voor de bouwsector. Het is bijgevolg noodzakelijk nu reeds bepaalde acties te ondernemen en de doelstellingen veel ambitieuzer in te vullen dan tegenwoordig het geval is.

De bewoners van de gebouwen die vandaag de dag opgericht worden, zullen binnenkort waarschijnlijk geconfronteerd worden met de uitputting van de conventionele energievoorraden en zullen in dit kader rekening moeten houden met een drastische inperking van de uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen. Beslissingen die de energieprestaties van gebouwen beïnvloeden, mogen dus niet overhaast genomen worden, aangezien ze het tijdperk van de 'fossiele' energiebronnen ruimschoots zullen overleven.
Duur van de impact van investeringen in het domein van de installaties, het gebouw en de ruimtelijke planning.

L. Vandaele, ir., hoofdadviseur, dienst 'Ontwikkeling'