Voor hellende daken met een betere luchtdichtheid 2005/04.10

Het belang van het verzekeren van de luchtdichtheid bij het ontwerp en de uitvoering van hellende daken blijkt duidelijk uit het onderzoek 'Vocht in gebouwen', dat onlangs uitgevoerd werd door het WTCB, in samenwerking met de K.U.Leuven, de Universiteit Gent en de WenK, evenals uit de interventiestatistieken van de afdeling Technisch Advies van het WTCB. Aangezien zolders steeds vaker als woonruimten ingericht worden en door de nieuwe gewestelijke reglementeringen op het vlak van de energieprestaties van gebouwen, neemt de nood aan informatie hieromtrent almaar toe.

1. Belang van de luchtdichtheid

De luchtdichtheid van gebouwen is in meer dan een opzicht essentieel :
Afb. 1 Door een goede luchtdichtheid en een goede thermische isolatie kan men de warmteverliezen doorheen de dakschilden beperken.
  • ze draagt bij tot de beperking van het energieverbruik en tot de verzekering van het gebruikscomfort (geen tocht). In deze context maakt ze een belangrijk deel uit van de parameters die in aanmerking genomen worden in de reglementeringen op het vlak van de energieprestaties die weldra van kracht zullen worden in de verschillende gewesten van ons land (zie kader)
  • ze waarborgt een goede kwaliteit van de binnenlucht, omdat ze vermijdt dat de goede werking en het beheerssysteem van de ventilatie zouden verstoord worden door ongecontroleerde luchtlekken. In de Belgische norm NBN D 50-001 'Ventilatievoorzieningen in woongebouwen' worden daarom maximale lekdebieten bij een drukverschil van 50 Pa tussen de binnen- en de buitenomgeving aanbevolen. Indien het gebouw geventileerd wordt met een mechanisch systeem met dubbele flux, moet dit debiet (in verhouding tot het binnenvolume van het gebouw) idealiter beperkt blijven tot 3 m³/h.m³, of zelfs tot 1 m³/h.m³ wanneer het systeem uitgerust is met warmteterugwinning
  • tenslotte draagt ze rechtstreeks bij tot het verkrijgen van een goede akoestische isolatie ten opzichte van luchtgeluid.
We willen erop wijzen dat de binnenlucht die door de dakopbouw naar buiten stroomt als gevolg van drukverschillen (door de wind en temperatuurverschillen) in contact kan komen met elementen waarvan de temperatuur lager is dan zijn dauwpunt (onderdak, dakbedekking, …). Dit kan leiden tot inwendige condensatie en eventuele vocht-, schimmel- en/of corrosieproblemen. Condensatie tengevolge van convectie (door luchtcirculatie) treedt bijna ogenblikkelijk op in de dakopbouw en kan aanleiding geven tot een veel grotere hoeveelheid condensaat dan wanneer het damptransport gebeurt door diffusie (doorheen dampdoorlatende materialen).

Om schade als gevolg van inwendige condensatie door dampdiffusie te voorkomen, dient men een dampscherm te voorzien aan de warme zijde van de isolatie (binnenkant). Als men daarentegen het risico op condensatie door de convectie van binnenlucht wil beperken, wordt de luchtdichtheid van de dakopbouw doorslaggevend. Omwille van de praktische uitvoeringsmoeilijkheden, voorziet men de luchtdichte barrière doorgaans aan de binnenkant (vooral wanneer de isolatie zich tussen de kepers bevindt), in het bijzonder omdat de lucht- en dampdichtheid dikwijls door hetzelfde scherm verzekerd worden. In het algemeen is ook de aard van het onderdak een belangrijke factor voor het risico op inwendige condensatie (zie Infofiche nr. 12).

Het goede ontwerp en de zorgvuldige uitvoering van de luchtdichte barrière zijn onontbeerlijk om het energieverbruik te beperken en om het gebruikscomfort te waarborgen. Afhankelijk van de samenstelling van de dakopbouw, kan de luchtdichtheid ook noodzakelijk zijn om het risico op inwendige condensatie door convectie te vermijden.
De Energieprestatieregelgeving in het Vlaamse Gewest
Invloed van de luchtdichtheid op het E-peil.
De luchtdichtheid heeft niet enkel een belangrijke invloed op de thermische isolatie en het rendement van de verwarmingsinstallatie van gebouwen. Ook het energieverbruik (E-peil) wordt er in grote mate door bepaald.

De Vlaamse Energieprestatieregelgeving brengt de luchtdichtheid in rekening door de ventilatieverliezen als gevolg van in- en exfiltratie in aanmerking te nemen. Deze verliezen kunnen uitgedrukt worden als een functie van het lekdebiet doorheen de buitenschil van het gebouw bij een drukverschil van 50 Pa tussen de binnen- en de buitenomgeving.

Bij ontstentenis wordt deze waarde (in verhouding tot de totale gebouwoppervlakte) gelijkgesteld aan 12 m³/(h.m²), wat redelijk negatief is. In de praktijk is het echter mogelijk betere resultaten te bekomen, mits men voldoende aandacht schenkt aan de goede uitvoering van de bouwdetails. Om deze betere luchtdichtheidsprestaties van het afgewerkte gebouw in beschouwing te mogen nemen, dient men een luchtdichtheidsproef te laten uitvoeren, overeenkomstig de norm NBN EN 13829.

Onderstaande grafiek toont aan dat een zorgvuldige uitvoering, met voldoende aandacht voor de luchtdichtheid van de gebouwschil, een aanzienlijke daling van het E-peil toelaat.

2. Mogelijke ontwerp- en uitvoeringsprincipes voor het luchtscherm

Het is niet eenvoudig om de perfecte luchtdichtheid van skeletconstructies (zoals de meeste hellende daken) te waarborgen :
  • de gebruikte materialen zijn vaak gekarakteriseerd door een zekere luchtdoorlatendheid. Bovendien kunnen de plaatsingstechniek (bv. nieten, verlijmen van de dakbanen) en de uitvoeringsmoeilijkheden (bv. geen ononderbroken ondergrond) de kwaliteit van de luchtdichtheid na de plaatsing erg in het gedrang brengen. Uit bepaalde naslagwerken en uit metingen, die uitgevoerd werden op de bouwplaats, blijkt dat de luchtdoorlatendheid in bepaalde gevallen tot 50.000 keer hoger is dan deze van het niet-geplaatste materiaal
  • in tegenstelling tot platte daken, waar de waterdichte membranen eveneens dienst doen als luchtscherm (bv. bitumen, PVC, EPDM), vertoont de dakbedekking van hellende daken doorgaans een redelijk grote luchtdoorlatendheid. Dit geldt vooral voor daken met pannen, omdat ze veel voegen bevatten. De dakvoet en de dakranden blijken vaak ook niet luchtdicht te zijn
Afb. 2 Een groot aantal aansluitingsdetails bemoeilijkt het verkrijgen van een ononderbroken en performante luchtdichtheid.
1. aansluiting van het luchtscherm met de dakvoet
2. aansluiting van het dakschild met de puntgevel
3. aansluiting van het luchtscherm met de gordingen
4. doorboring van het luchtscherm door het inwerken van spots
5. aansluiting van het luchtscherm met de nokbalk
luchtscherm
6. doorboring van het luchtscherm door leidingen van zonnepanelen
7. doorboring van het luchtscherm door rookafvoer- of ventilatiekokers
8. doorboring van het luchtscherm door een hanenbalk of andere houten elementen
9. aansluiting van het luchtscherm met de omtrek van een dakvenster
10. aansluiting van het luchtscherm met de omtrek van een vlieringluik
  • de bijdrage van de isolatielaag tot de algemene luchtdichtheid is erg afhankelijk van de aard van het isolatiemateriaal en zijn positie in de dakopbouw. Wanneer de isolatie zich tussen de kepers bevindt, zal het grote aantal aansluitingen (bv. isolatie/keper) nadelig zijn, en dan vooral indien de isolatie luchtdoorlatend en niet bekleed is (bv. minerale wol zonder luchtdichte oppervlaktelaag). Bij gebrek aan een ononderbroken ondergrond is de plaatsing van de luchtdichte (en dampdichte) barrière vaak erg moeilijk (bv. uitvoering van dichte aansluitingen aan de gordingen, de gevel of de puntgevel). De intrinsieke luchtdichtheid van de isolatie zal beter zijn mits deze ononderbroken op de kepers of rechtstreeks op de gordingen (sandwichplaten) geplaatst wordt. Door de bijzondere behandeling van de voegen (bv. injectie) kan de luchtdichtheid nog verbeteren, waardoor het mogelijk wordt de vereiste prestaties te bereiken indien de isolatie zelf luchtdicht is (bv. kunststofschuim, cellenglas, minerale wol met oppervlaktelaag, …). Zoniet, en in de wetenschap dat het afdichten van de voegen in de praktijk erg delicaat kan zijn, is het dikwijls makkelijker de luchtdichtheid te waarborgen met behulp van bijkomende middelen (bv. membraan op een ononderbroken ondergrond, …)
Afb. 3 Door het luchtdichte membraan en het dampscherm op een ononderbroken ondergrond te plaatsen (sarkingdak) kan men makkelijker hoge luchtdichtheidsprestaties bereiken.
1. keper
2. beplanking of beschieting
3. luchtscherm en/of dampscherm
4. isolatie
5. onderdak
6. tengellat
7. lat
8. dakpan
  • de doorboringen van de luchtdichte barrière (bv. schoorstenen, kabels, leidingen, …) vormen zwakke plekken die doorgaans moeilijk te behandelen zijn. Hoewel men ernaar moet streven het aantal doorboringen tot een minimum te beperken (bv. door de kabels onder de luchtdichte barrière te laten lopen), zijn ze in sommige gevallen onvermijdelijk (schoorstenen of ventilatiekokers, ...).
In de praktijk zal het verkrijgen van een goede luchtdichtheid bij een lichte constructie dus steeds afhankelijk zijn van de kwaliteit van de uitvoering van de voegen en de aansluitingen, evenals van de afwezigheid van doorboringen en beschadigingen van het scherm. Het ontwerp van het gebouw is in dit kader doorslaggevend, aangezien het bij bepaalde constructies haast onmogelijk is luchtlekken te vermijden. Door het hanteren van het algemene principe, waarbij gesteld wordt dat de vermindering van het aantal aansluitingen rechtstreeks leidt tot een beperking van het risico op luchtlekken, kan men de keuze van het toe te passen constructiesysteem reeds in zekere mate oriënteren. De plaatsing van een luchtdichte barrière en een dampscherm op een ononderbroken ondergrond biedt in deze context de beste waarborg voor een bevredigend resultaat, en dan vooral wanneer het te behalen prestatieniveau hoog is. In voorkomend geval dient men voldoende aandacht te schenken aan de zorgvuldige uitvoering van bepaalde onvermijdelijke details en aansluitingen, zoals de voet van het dakschild.


F. Dobbels, ir.-arch., technologisch adviseur
TD 'Duurzame uitvoeringstechnieken voor daken en lichte buitenwanden'
(www.wtcb.be/go/td-daken/) gesubsidieerd door het IWT
In samenwerking met O. Vandooren, ing., afdeling 'Communicatie', WTCB