Nieuwe normen voor beton (deel 2) 2005/03.06

Geruime tijd vóór de verschijning van de norm NBN B 15-001 (2004) wezen wij reeds, in een vorig artikel uit WTCB-Contact (nr. 3 van 2004), op een aantal belangrijke wijzigingen die teweeggebracht worden door deze nieuwe norm, die de Belgische aanvulling vormt op de Europese norm NBN EN 206-1 (2001). Beide documenten vervangen samen de norm NBN B 15-001 (1992) voor de BENOR-certificatie van beton. Vanaf januari 2006 zal BENOR-beton gespecificeerd en afgeleverd moeten worden volgens deze twee normen.
De volgende wijzigingen werden reeds behandeld in het vorige artikel :
  • de uitbreiding van de sterkteklassen
  • de nieuwe milieuklassen uit de Europese norm en de omgevingsklassen, gedefinieerd in de Belgische aanvulling
  • de beperking van het chloridegehalte.
In het voorliggende artikel komen nog een aantal andere wijzigingen aan bod.

1. UITVOERING

Dit aspect wordt niet langer behandeld in de twee nieuwe normen. Andere normen gaan hier dieper op in (bv. NBN ENV 13670-1).

2. CONSISTENTIE VAN HET BETON

De proefmethoden zijn gelijkaardig, maar er zijn verschillen op het gebied van de apparatuur en de klassen.

3. BETONSAMENSTELLING

Het verbod op het gebruik van calciumchloride werd reeds vermeld. Er zijn echter ook wijzigingen bij het in rekening brengen van toevoegsels van type II (niet-inerte toevoegsels). Dankzij het k-waardeconcept kunnen ze in aanmerking genomen worden voor het berekenen van het cementgehalte en de watercementfactor.

In de Europese norm worden k-waarden opgegeven voor vliegas en silica fume, gebruikt met portlandcement. De Belgische aanvulling bevat eveneens dergelijke waarden voor vliegas, gebruikt met andere cementsoorten en voor hoogovenslakken. Er worden tevens beperkingen opgelegd voor bepaalde types vliegas wanneer ze toegepast worden in een omgeving blootgesteld aan vorst en dooizouten.

4. INVOERING VAN "BETONTYPES"

Om het verband tussen de duurzaamheidseisen voor de 18 milieuklassen (zie WTCB-Contact 3/2004) en de eisen met betrekking tot de betonsamenstelling te bepalen, wordt gebruik gemaakt van het concept 'betontypes'. Een minimale druksterkteklasse wordt aldus verbonden met een minimaal cementgehalte en een maximale W/C-factor. De druksterkte is echter geen parameter waarmee de duurzaamheid van het beton kan verzekerd worden. Deze eis is aanvullend op de twee andere eisen en geeft enkel aan dat het beton er niet mee in strijd is. Dankzij dit criterium kan men bepaalde onzinnigheden, die in het verleden weleens voorkwamen, vermijden, zoals bijvoorbeeld het specificeren van beton met een lage sterkteklasse in combinatie met strenge eisen voor de W/C-factor en het minimale cementgehalte.

Voor elke milieuklasse gelden specifieke duurzaamheidseisen in de vorm van een geselecteerd betontype en eventuele bijkomende eisen. Als men voor elke omgevingsklasse alle milieuklassen beschouwt die erop betrekking hebben en men voor elke omgevingsklasse het strengste betontype kiest, zal elke omgevingsklasse aldus verbonden zijn met een bepaald betontype.

5. BEPERKING VAN DE WATEROPSLORPING DOOR ONDERDOMPELING

In de vorige versie van de Belgische norm NBN B 15-001 waren een aantal aanbevelingen opgenomen voor het verkrijgen van een waterdicht beton, die leidden tot een beperking van de W/C-factor en van de wateropslorping door onderdompeling.

In de versie van 2004 worden in een informatieve bijlage specificaties gegeven voor het verkrijgen van een beton met een beperkte wateropslorping. Het betreft hier een van de eventuele bijkomende eisen bij de specificatie van het beton. In de norm wordt erop gewezen dat de proefresultaten slechts een rudimentaire aanduiding geven van de potentiële duurzaamheid van het beton en in geen enkel opzicht een bewijs vormen voor de water- en vloeistofdichtheid van het beton.

6. NOMINALE AFMETING VAN HET GROOTSTE GRANULAAT

De norm NBN EN 206-1 vermeldt dat de maximale nominale afmeting van de granulaten (Dmax) gekozen wordt, rekening houdend met de betondekking en de minimumafmeting van de doorsneden. De norm NBN B 15-001 bevat gedetailleerde informatie voor de keuze van Dmax in de informatieve bijlage P.

7. SPECIFICATIE VAN HET BETON

Het beton moet ofwel voorgeschreven worden aan de hand van gespecificeerde eigenschappen ofwel aan de hand van een welbepaalde samenstelling. In laatstgenoemd geval moet de voorschrijver zich ervan vergewissen of het met deze samenstelling mogelijk is de verwachte of gevraagde prestaties te bereiken (zowel in vers gestorte als verharde toestand) en of het beton conform is met de norm. Bij de specificatie van beton met gespecificeerde eigenschappen wordt de voorkeur gegeven aan het gebruik van omgevingsklassen in plaats van het gebruik van milieuklassen.

Nuttige informatie
Nuttige link
Website van de Federatie van de Belgische Cementnijverheid : www.febelcem.be

Nuttig document

Dossier Cement nr. 34 'Voorschrijven van beton volgens de normen NBN EN 206-1:2001 & NBN B 15-001:2004. Met voorbeelden van specificaties voor beton en typebestekken' (Federatie van de Belgische Cementnijverheid)




V. Pollet, ir., adjunct-afdelingshoofd, afdeling Technologie en Milieu, WTCB
J. Apers, ir.-arch., Febelcem, secretaris van de Belgische Betongroepering
J. Desmyter, ir., afdelingshoofd, afdeling Technologie en Milieu, WTCB