Natuursteen : nieuwe aanbevelingen in overeenstemming met de Europese normen

Hoewel de natuursteensector vaak beschouwd wordt als traditionele sector bij uitstek, heeft deze de laatste tijd een aantal grondige evoluties ondergaan. Men merkt sedert enkele jaren immers niet alleen een groeiende aandacht voor "exotische" steensoorten waarvan het gedrag in ons klimaat nog niet goed gekend is, maar ook de verschijning van een toenemend aantal technische referentiedocumenten.
Zo leggen de Europese normen nieuwe proefmethoden op en voeren ze langzaam maar zeker de CE-markering voor afgewerkte producten in (verplicht sinds oktober 2003 voor producten voor het wegennet en vanaf september 2006 voor de belangrijkste bouwproducten).

Gevel uit natuursteen.


Dankzij dit arsenaal van technische normen kan de kwaliteit van een steensoort beoordeeld worden, zelfs indien deze laatste in onze streken weinig gekend is. Hoewel de ervaring ons al eeuwen leert hoe we succesvol moeten omspringen met onze plaatselijke materialen, is het beter om bij gebrek hieraan een oordeel te vellen, gebaseerd op een technische evaluatie in het laboratorium, dan aan de hand van vage aanbevelingen.

In TV 205 (1997) werden basiscriteria voorgesteld voor de keuze van steensoorten, afhankelijk van hun bestemming, die tot op het ogenblik van de verschijning en het van kracht worden van de huidige Europese normen voor steen (een dertigtal) als dé referentie konden beschouwd worden. Rekening houdend met deze nieuwe normen heeft het WTCB, in het kader van zijn Technisch Comité "Steen en Marmer", nieuwe aanbevelingen uitgewerkt. Deze laatste, aangevuld door de beschrijving van elke proefprocedure, worden in detail besproken in het artikel dat online zal verschijnen in de "WTCB-Dossiers" (nr. 3/2005) in afwachting van een nieuwe TV die de TV 205 zal vervangen.

DE FUNDAMENTELE WIJZIGINGEN

We willen de aandacht vestigen op de wijziging van twee belangrijke proeven : de bepaling van de vorstbestendigheid en van de slijtsterkte.

De vorstbestendigheid is zonder twijfel de belangrijkste duurzaamheidskarakteristiek voor buitentoepassingen. Een slechte keuze van de steensoort in dit opzicht leidt immers tot de snelle verwering ervan, met uiteindelijk vaak de vervanging van de aangetaste elementen tot gevolg. De zegswijze : "Er bestaan geen slechte stenen, maar enkel een slecht gebruik ervan", klopt immers als een bus.

Op het vlak van de genormaliseerde proeven beschikten we in België over een methode (gebaseerd op de NBN B 27-009 en beschreven in de TV 205) die rekening hield met de diverse toepassingen in het gebouw en waarvan de resultaten op betrouwbare wijze konden geïnterpreteerd worden in termen van gebruik. Sedert 2001 is er echter een Europese norm (NBN EN 12371) van kracht die steunt op een methode die fundamenteel verschillend is van de oude Belgische. Hierbij worden veel meer cycli uitgevoerd (een maximum van 240 in plaats van 50) op proefstukken die vooraf geïmpregneerd werden door onderdompeling (en niet langer luchtledig, zoals vroeger), wat de strengheid per cyclus beperkt en aldus de uitvoering van meer cycli noodzaakt.

Ter ontwikkeling van nieuwe op deze methode gebaseerde criteria (de Europese normen bevatten immers geen aanduidingen hieromtrent), heeft het WTCB vergelijkende proeven verricht, waarmee het mogelijk was per type toepassing een minimum aantal cycli voor te stellen. Aangezien de huidige ervaring met deze proef te beperkt is, lijkt het ons veiliger nog een tijdje de oude Belgische methode als referentie te gebruiken voor twijfelgevallen.

Voor vloerbedekkingen dient men daarentegen eerst de slijtsterkte te controleren. Ook in dit geval wordt de oude Belgische methode (die steunt op de Amslerproef) geleidelijk vervangen door een volledig andere werkwijze, met name door de Caponproef. Bij deze methode worden de proefstukken onderworpen aan de schurende werking van een slijpsteen die 75 rotaties uitoefent, loodrecht op het te beproeven oppervlak, onder toevoeging van een hoeveelheid "referentieslijpzand". Na de 75 rotaties gaat men de lengte van de in de steen nagelaten afdruk na.

Net zoals bij de vorstbestendigheidsproef bevat de nieuwe norm geen nadere informatie over de manier waarop de resultaten moeten geïnterpreteerd worden. Dankzij onlangs uitgevoerde vergelijkende proeven was het mogelijk om voor ons land nieuwe criteria voor te stellen, aan de hand van de belastingsklassen (privaat, gemiddeld collectief of intens collectief gebruik). Ook hier zal de ervaring moeten aantonen of deze criteria even betrouwbaar zijn als de oude Belgische criteria, gebaseerd op de Amslermethode.

Nuttige informatie
Contact
F. de Barquin, D. Nicaise, V. Bams et I. Paeshuys (info@bbri.be)